Schuilnamen

OProeien toen – aflevering 47
Tekst Jan Op | 23 september 2021

Ik, Jan Op den Velde, 90 jaar, roeide voor Laga in de periode 1950-1954. De omstandigheden uit die jaren schets ik graag.
Vanaf OProeien toen – 1 is het een doorlopend verhaal. Via deze link vind je ze allemaal.


Mijn laatste kans om het meest begeerde blik – Varsity 1954 – binnen te halen is verkeken. Eigenlijk moet ik nu echt de studie op peil brengen maar het virus houdt mij in de boot. Op naar de Hollandia.

Vierzonder. Ruud komt er weer bij op 3. Maar zijn vader mag het niet te weten komen. Dus moet hij ook niet in eventuele publicaties worden genoemd. Eigenlijk wordt het smokkelen. Dat komt ook tot uiting bij de uitslag. De krant:

Laga’s stuurmanloze vier verscheen in een samenstelling die voor driekwart aan de Olympische Spelen van 1952 deelnam. Zowel in de sprintrace (1000m) als in de race over 2000m liet zij uitmuntend roeien zien dat in beide races een nieuw baanrecord opleverde……

Onze volgende wedstrijd: Koninklijke / Hollandbeker. De vader van Ruud heeft, ondanks alle maatregelen, toch lucht gekregen van de “zonden” van zijn zoon. Daarbij is het woord “infantiel” gevallen. Dat inspireerde Ruud om die naam aan te nemen.
Opnieuw is Willem III onze tegenstander. Op zaterdag, gestuurd, harde tegenwind, winnen wij. Zondag, sturen op eigen kracht, stevige wind mee, wint W III. De krant:

want deze uitmuntende ploeg (WIII) die in de voorwedstrijd met een scherpe aanval de Henley-aspiraties van Laga op los fundament leek te willen zetten doch opgevangen en afgewezen was, op zo sublieme wijze als men nog zelden van een Nederlandse ploeg had gezien, roeide in de finale zo levendig en goed dat Laga geen kans kreeg tot doeltreffend verweer. De zwaardere Delftenaren, met de meewind van zondag kennelijk minder op hun gemak dan met de tegenwind van zaterdag, moesten het hoofd buigen voor hun tegenstanders die hen in tempo overtroefden. De schitterende vorm die Laga echter zaterdag had laten zien wettigt volkomen dat zij ondanks deze verrassende uitslag, toch naar Henley gaat.

Verslaafd

OProeien toen – aflevering 46
Tekst en tekeningen Jan Op | 15 september 2021

Ik, Jan Op den Velde, 90 jaar, roeide voor Laga in de periode 1950-1954. De omstandigheden uit die jaren schets ik graag.
Vanaf OProeien toen – 1 is het een doorlopend verhaal. Via deze link vind je ze allemaal.


Dankzij het meevaren in belangrijke wedstrijden word ik op de TH (toen inderdaad “Hogeschool”) bijzonder coulant behandeld. Ik mag sommige examens op een ander tijdstip mondeling afleggen. En vaak met succes.

Het Corpslustrum: het Lagabestuur + dames tijdens het Concours Hippique. Gekleed zoals het hoort. Dus geen blazer met zeer zichtbare gebreken.

Dan is het alweer september. Groentijd. Kandidaten in de bak. Na grondige selectie in de tub. Enzovoort. Natuurlijk ben ik ook ingeschakeld om de “krenten uit de pap” te selecteren.
Er is natuurlijk ook weer een Oude Vier samengesteld. Frits, de slag van de Olympische 4-, heeft besloten om nog weer een seizoen talent en kracht in te zetten voor het “goede doel”. Uiteraard aangevuld met een paar “jongeren” met talent. Ik houd het uit tot Kerst. Dan mag ik van de coach (de slag van de Oude Acht van ’52) weer meevaren. En verdrijf ik dus de twee van een eervolle plek. Ik weet niet meer wie het slachtoffer werd.

1954

Toch nog één keer proberen de Varsity te helpen winnen. Het is weliswaar mijn vijfde jaar in ’t rood, maar ik ben verslaafd geraakt aan het lekkere halen maken.            

De Head slaan we over. Ik weet niet meer waarom. Ik denk dat er toch wel een gebrek is aan meer geoefende roeiers. En nu een volledig op de Varsity gerichte training.

Er staat een harde wind tegen en schuin over het kanaal. Boei 1, publiekskant, heeft het beste water. Njord is al van zijn boei 2 naar 1 (Argo al ver achter} gaan varen. Als we achter Njord ver voor de andere ploegen varen steekt onze stuurman van boei 4 over naar boei 2. We varen in iets rustiger water. Maar we komen niet voorbij Njord.

Uit de krant:

Laga, en niet het ver beneden zijn vorm roeiende Nereus, bood Njord de hardste tegenstand... die aan de Leidenaren de verwachte vijftiende zege bracht... maakte deze race tot een boeiend schouwspel. Een verbeten kamp van twee uitmuntende ploegen die duidelijk superieur waren aan de rest van het veld...
Zo was het na 1000m reeds duidelijk (Triton en Argo lagen toen al een tiental lengten achter) dat het om de zege slechts zou gaan tussen Njord en Laga.

Het is duidelijk dat de omstandigheden op dit brede kanaal uitermate ongunstig zijn en de ploegen op de lage wal geen schijn van kans hebben. Boeinadeel. Het is, zeker in Nederland, een gegeven dat een grote rol speelt. Soms groot, soms van kleine omvang. Er valt weinig aan te doen. [Later komt de FISA zelfs met een verbod op bomen langs de baan. Dat maakt de ongelijkheid nog groter].


Top- en breedtesport hebben elkaar nodig

Door Feike Tibben | 9 september 2021

Feike Tibben is bestuurslid van de Koninklijke Nederlandse Roeibond, met als portefeuille sportontwikkeling. Lees alle bijdragen – op persoonlijke titel – van Feike hier.


Mijn roeigedachten over impact van top- op breedtesport en vice versa van een paar weken geleden heeft wel wat in beweging gezet. Sommigen vonden me te afstandelijk: ik zou meer enthousiasme en bewondering naar de prestaties van ‘onze jongens en meiden’ moeten tonen. Anderen waren het echt oneens met de onderzoeksuitkomst – dat het Epke-, Ankie- of Dafne-effect niet bestaat – en vonden dat topsport juist wél inspireert en leidt tot meer sportdeelname en meer sportplezier.
Tegen de eerste groep zeg ik: natuurlijk is sport emotie. Graag zelfs, kom maar op! Ik kom daar binnenkort graag nog eens op terug.
En ook de tweede groep heeft een beetje gelijk: natuurlijk zijn er mensen die, geïnspireerd door sportprestaties, zelf gaan sporten. Maar ja, daartegenover staan weer anderen die geïntimideerd raken door toppers (‘dat lukt mij nooit’) en afhaken. Grosso modo, zo tonen sport-onderzoeken steeds maar weer aan, hebben prestaties van toppers weinig impact op het aantal sporters. Vice versa is ook niet waar, zei ik vorige keer al: een sterke breedtesport leidt niet per se tot meer medailles aan de top. Al met al zou dat voor sommigen leiden tot een wat kille of ontluisterende conclusie: Zijn top- en breedtesport dan gescheiden werelden, is er dan geen interactie?

Als we terug kijken in de tijd dan waren top- en breedtesport vroeger stevig aan elkaar verbonden. Topsporters, dat waren de helden op je club, die liepen in hetzelfde(!) tenue als jij, die kwamen op een clubavond vertellen van verre reizen en bijzondere prestaties. Toppers zag je af en toe ‘zomaar’ in je dorp of stad en als actief clubgenoot kreeg van hen je soms – wat een eer! – een bijzondere training.

Dat romantische beeld ligt ver achter ons. De moderne topsport verdraagt zich maar moeilijk met verenigingsactiviteiten. De moderne topsport vraagt faciliteiten, trainers, programma’s, hoogtestages, zorgvuldig pieken en is bovendien veel meer internationaal dan nationaal georiënteerd. Die beweging is universeel. Of het nu gaat om voetbal, tennis, wielrennen en ja ook onze eigen sport: toppers spelen op een ander speelveld dan wij.

Maar dat is maar één kant van het verhaal. Aan de breedtesportkant schuift en beweegt er ook van alles. Was vroeger het beoefenen van sport beperkt tot het veld of de zaal van de vereniging, tegenwoordig is sport overal. Overal rennen, wandelen, bootcampen mensen, in groepjes of alleen, commercieel, georganiseerd, of spontaan. En passant wordt daarbij de term ‘sport’ flink opgerekt. Wat vroeger een ommetje was heet nu workout, en termen als recreatiesport en beweegsport (eeks!) sluipen in ons taalgebruik. Breedtesport wordt zo wel heel breed.

De top wordt steeds hoger, de breedtesport steeds breder. Voeg je beide ontwikkelingen samen, dan zie je dat top- en breedtesport, die van oorsprong aan elkaar verbonden waren, van elkaar vandaan bewegen. Is dat erg? Ik hoor het antwoord al: ‘Zo lang we medailles halen is het toch goed’  of ‘Zo lang onze sport groeit kunnen we toch tevreden zijn’? Ik denk dat dat een te beperkte blik is. Bovendien behoorlijk zelfgenoegzaam en dat is altijd gevaarlijk, weten we maar al te goed uit de sport. Ik denk dat er een gevaar in schuilt wanneer we top- en breedtesport uit elkaar laten groeien. Laat ik een poging doen.

Allereerst is topsport gebaat bij breedtesport. Om de meest voor de hand liggende bate maar eerst te pakken: breedtesport is kweekvijver van nieuw talent. Dat zal iedereen herkennen. We kennen allemaal verhalen van kampioenen van nu die hun basis diep in de provincie hebben of op een of ander achteraf-knollenveld. Maar er zijn meer baten: breedtesport is ook belangrijk als vernieuwer van sport. Nieuwe sport- en spelvormen ontstaan aan de basis, waar belangen nog niet zo groot zijn en er ruimte is voor experimenteren. Kijk naar het coastal roeien, ontstaan in de luwte, verbeterd en nu op weg naar topsport-status.
En om te besluiten met twee praktische impacts: breedtesport is een grote en de meest trouwe financier van topsport. Het zijn sportende leden die de nationale equipes ondersteunen. Dat geldt heus niet alleen voor minder betaalde sporten als roeien, korfbal of turnen. Ook het Nederlands voetbalelftal wordt gefinancierd door de leden, Het echte oranjelegioen, dat zijn de 1,2 miljoen KNVB-leden: de F-jes, 5e klasse zaterdagamateurs en de voetballers van district west 1 die afdragen aan de bond. Tot slot, we vergeten het soms te gemakkelijk, is breedtesport belangrijk voor sponsoren. De andere sporters zijn de meest makkelijke en meest zichtbare doelgroep voor sponsoren. Sporters kijken immers sport, lezen over sport, gaan naar toernooien, kopen merchandise, etc.

Breedtesport op zijn beurt heeft ook topsport nodig. Het ontmoeten van toppers (topsporters, topcoaches) blijkt steeds weer een belangrijke inspiratie voor de breedtesporters van nu. Hun kennis, lol, ambitie, verhalen en voorbeelden blijven een rijke voedingsbron. Ik hoor verhalen van verenigingen waar één demonstratie van een olympische ploeg nog jaren doorgonst op de club. Ik hoor van ploegen die door een paar gerichte top-trainingen opeens next level sporten. Coaches die het stoer vinden om mee te kijken bij een topcoach (doe dat!). En van meer recenter datum: hoe prachtig was het om te zien hoe onze junioren op de DYIR groeiden, alleen al door naast een ANRT-roeier te mogen staan. En ik kan me vergissen, maar volgens mij was bij al deze voorbeelden het plezier geheel wederzijds. In zulke ontmoetingen liggen mooie kansen om onze verenigingen leuker te maken, sporters meer plezier te geven en de trots op onze sport te laten groeien. Goed voor verenigingen én voor de top.

Top- en breedtesport hebben elkaar nodig, ook in de toekomst. In het verstevigen van die binding liggen uitdagende kansen!

Ik verstopte me onder de struiken

OProeien toen – aflevering 45
Tekst en tekeningen Jan Op | 25 augustus 2021

Ik, Jan Op den Velde, 90 jaar, roeide voor Laga in de periode 1950-1954. De omstandigheden uit die jaren schets ik graag.
Vanaf OProeien toen – 1 is het een doorlopend verhaal. Via deze link vind je ze allemaal.


Het seizoen 1952 is ten einde. Mijn laatste wedstrijdhaal ligt in de buurt van Helsinki. Terug in Nederland. Daar heerst rust, vakantie. Tot begin september. Examens. Groentijd, druk. Van roeien is geen sprake. Wel na de groentijd. Dan staat er weer een horde “kandidaten” in de roeierskamer op Laga. Verdelen per vier man over een reeks vrijwilligers. Waaronder ikzelf natuurlijk. Het is een soort plicht om de nieuwkomers in de bak te leren een haal te maken.

Ik heb de smaak al een paar jaar te pakken. Bijzonder lekkere smaak. Hoewel ik van plan ben te stoppen, zoals vrijwel iedereen na twee of zelfs drie jaar stopt, schaar ik mij bij de toch wel kleine rij belangstellenden met enige ervaring. Dat levert mij de slagplaats op in de Head-acht

Kort daarvoor de Stormramp meegemaakt als hulp bij het dichten met zandzakken van dijken. Storm en ijskoud.

Dat geldt ook voor de Head een paar weken later: storm en ijskoud. Op het botenterrein hangen de ijspegels aan de boorden. Op zaterdag uiteraard de “baan” verkennen. Als we de bocht na de brug om komen lijken we op zee te zijn gekomen. De storm staat recht tegen. De toppen van de golven reiken hoger dan het boord. Een stukje daarvan spoelt naar binnen en veroorzaakt een heen-en-weer klotsende plens water. De stuur voor mij krijgt bij elke haal een deel van dat water in zijn kruis. Dat levert bij mij enige hilariteit op.

De molen halen we niet. De boot is onder water en wij voor de helft. Het is dus zwemmen naar de kant. Natuurlijk mét boot. Ik moet de zeven terugroepen want die denkt slechts aan zijn eigen hachje.  Aan de kant blijk je maar tot de knieën in het water te staan. Een aparte sensatie: voor de onderbenen is het lekker warm in het ijskoude water. Daarboven is het 4 graden kouder (dus 0). Riemen eruit, boot draaien,  leeg laten  lopen, terugdraaien, te water, riemen erin, terug. Dat zijn maar een paar halen tot de brug, de storm – nu mee – doet de rest. Harrie voorziet de boot van “stormboorden”, een lat van ca 5 cm breed langs de buitenkant van het boord. Deze voorkomt dat het eerdergenoemde topje van de golf naar binnen kan. Zondag. De golven blijven ons parten spelen. De vier slaat met zijn blad tegen een extra hoge golf, de riem breekt en hij vaart verder als verkleumde passagier mee. Dit weer zou nu tot afgelasting leiden. We hebben deze Head overleefd dankzij de stormboorden. We komen toch nog als 3e aan in de eerste divisie.

Aankomst langs De Hoop [let op ons tenue bij 0 graden]

Op naar de Varsity. Ik mag in de Oude Vier op slag varen. Jo is afgestudeerd maar zou zeker niet nogmaals coach willen zijn. Onze “nieuwe” coach probeert de vernieuwingen die Jo invoerde voort te zetten. Hij heeft echter in andere succesvolle ploegen gezeten en de “methode-Jo” niet meegemaakt. Al snel is mij duidelijk dat het hem niet lukt Jo te evenaren. Maar als roeier doe je wat de coach beveelt. De overheersende factor is teveel nadruk op de inpik en daarna pas het oppakken van de boot. Verdere technische beschouwingen laat ik graag weg. Dit leidt tot de grootst mogelijke afgang die ik ooit ondervond: we komen als laatste aan. Terwijl in een voorbeschouwing staat te lezen:

Deze voorspellingen blijven toch ergens in de hersenen opgeslagen ondanks het feit dat je van dit soort teksten geen invloed wenst. Ik heb me na het opbergen van de boot geprobeerd te verstoppen onder de struiken. Niet bewust. Jan “Hoed”, die mij in prille tijden heeft gecoacht, weet mij te vinden en vraagt bezorgd “wat was er aan de hand?” Ik ben verslagen en heel boos. En dan nog zo’n vraag. Ik heb mijn antwoord (te?) snel klaar: “ik had vandaag geen zin”. Dat heb ik geweten!

Ik heb me aan het begin van het seizoen al voorgenomen om toch echt iets aan de studie te doen. Maar tussendoor “even” de Varsity te winnen. En het komende Corpslustrum wil ik niet missen. Dus ligt mijn laatste kolk dit jaar in het Amsterdam-Rijnkanaal.

Nog niet uitgegroeid

Door Feike Tibben | 7 mei 2021

Feike Tibben is bestuurslid van de Koninklijke Nederlandse Roeibond, met als portefeuille sportontwikkeling. Lees alle bijdragen – op persoonlijke titel – van Feike hier.


De olympische vlam is nog niet gedoofd of de inspiratiebetogen komen weer naar boven. Sporters zouden door hun bovenmenselijke prestaties anderen inspireren om ook te gaan sporten. Ik heb niet alle huldigingen gevolgd, maar ik kan me een aantal gloedvolle toespraken voorstellen waarbij woorden van gelijke strekking zijn uitgestrooid.

Nu wil ik geen spelbederver zijn (ook ik heb genoten), maar was het maar zo simpel. De mythe van het “trickle down”, of inspiratie-effect, dat door topsport een sport groeit, is al in de jaren negentig doorgeprikt door Maarten van Bottenburg en daarna nog vaak bevestigd: het Ard en Keessie-effect, Dafne-effect, Epke-effect of Annemiek-effect, de impact van de oranjeleeuwinnen… Helaas, het is er niet. Het aantal leden van de atletiekunie daalt al bijna tien jaar en bij de wielerbond en de turnbond is het ondanks de successen niet veel beter. Soms worden na prestaties kleine effectjes gevonden, maar nooit groot of duurzaam. Het olympisch goud van Rienks en Florijn werd bijvoorbeeld gewonnen in een periode waarin onze sport groeide, maar na de titel trad geen extra groei op. Is er dan echt nooit impact? Toch wel. Een paar keer in de geschiedenis door succes een keerpunt in de sport te zien (met dank aan www.allesoversport.nl):

  • Hockey in 1928: De mannen van de Nederlandse hockeyploeg halen de olympische finale. Daarna stijgt het aantal nieuwe verenigingen in Nederland gedurende een aantal jaren met meer dan 13 per jaar.
  • Schaken in 1936: Max Euwe wint de wereldtitel. In de vijf jaar daarna groeit het aantal schaakclubs met meer dan 300.
  • Judo in de jaren zestig: Anton Geesink wint in 1961 de wereldtitel en in 1964 de olympische titel. Het aantal judoverenigingen groeit in zeven jaar tijd van 36 naar 110.
  • Darts in 1998 en 1999: Na de successen van Raymond van Barneveld verdubbelt het aantal darters in 10 jaar tijd.

De rode draad hierbij lijkt te zijn dat het plotselinge succes ervoor zorgt dat een kleine, tot dan toe weinig zichtbare sport bij het grote publiek bekend wordt en er tegelijkertijd in snel tempo een infrastructuur uit de grond wordt gestampt waardoor de sport toegankelijk en bereikbaar wordt voor een grote groep. Bij de al bekende sporten is zo’n ‘ontdekkings-effect’ er niet. Vóór Ard en Keessie kende iedereen het schaatsen, vóór Dafne zagen we al sporadische successen in de atletiek, en ook vóór Epke luisterden we al naar Hans van Zetten.

Voor de breedtesporter die nu handenwrijvend maar denkt dat we juist moeten investeren in breedtesport om topprestaties te bereiken: helaas, het “trickle-up effect” is al even beperkt. De meeste topsporters komen weliswaar voort uit de breedtesport, maar een brede basis van sportparticipatie blijkt geen garantie op sportief succes. Landen met een grote sportpopulatie zijn soms verrassend weinig succesvol zijn én andersom.

Hoe kunnen we als sport dan wel steeds succesvol zijn in aantallen en prestaties? Laat ik een poging doen: allereerst door te zorgen dat sport bereikbaar is. Goede en betaalbare voorzieningen waar je kunt sporten, dicht in de buurt. Als roeisport hebben we daarin nog wat stappen te zetten. We hebben maar 123 roeilocaties in het land.

Behalve veelheid aan accommodaties is een ook een spreiding aan aanbieders en het beschikken over meerdere sportvormen gewenst. Zorgen dat mensen een manier van sporten kunnen vinden die bij hen past. Misschien kan een commerciële sportaanbieder een uitkomst zijn voor wie een vereniging te verplichtend vindt of past bij een ander beter het iets ruigere coastal of het sloeproeien dan het aloude glijden op vlak water. Een breed aanbod draagt bij aan een grotere deelname.

Gaan we dan niet de focus op prestaties verliezen, wordt de soep dan niet te dun met al die nieuwe sportvormen, al die verschillende soorten aanbieders en ook nog eens sporten op teveel locaties?  Ik geloof het niet. Kijk bijvoorbeeld eens naar de successen van de baanwielrenners: op een paar na komen die allemaal uit de ‘Bicycle motocross’ (BMX). Wie in de jaren zeventig zou hebben gekeken naar de film On any sunday kon niet bedenken dat het raggen op kinderfietsjes vijftig jaar later zou leiden tot olympisch baansucces. Of zie eens de resultaten van onze shorttrackers of skeeleraars bij het schaatsen: beide sportvormen werden eerst vooral gezien als manier om aan je bochten te werken of de zomer te overbruggen, maar zorgen inmiddels voor interessante cross-overs en klinkende resultaten. Zomaar een paar willekeurige voorbeelden hoe sportontwikkeling bijdraagt tot prestaties. Het gaat er om dat we veel mensen aanspreken, hen de gelegenheid en plezier bieden om te sporten en tegelijkertijd een structuur hebben om de talenten die er op al die plekken zijn, te ontdekken en hen de gelegenheid geven tot rijpen. Dat is een stuk weerbarstiger en minder romantisch dan het simpele ‘inspiratie voor allen’, maar niet minder leuk en minstens zo verrassend. En hey: We zijn nog lang niet uitgegroeid.

Snoeken zijn van alle tijden

OProeien toen – aflevering 44
Door Jan Op | 11 augustus 2021

Ik, Jan Op den Velde, 90 jaar, roeide voor Laga in de periode 1950-1954. De omstandigheden uit die jaren schets ik graag.
Vanaf OProeien toen – 1 is het een doorlopend verhaal. Via deze link vind je ze allemaal.


Olympische Spelen 1952, de vierzonder van Laga: herkansing na de afgang van gisteren toen ze als laatste aankwamen.

1500m. Als we hier achter zouden liggen: omhoog en ongeveer 60 à 70 halen in hoog tempo (32/34) om op de finish te arriveren. Dat moeten die verdomde Italianen niet kunnen opvangen(?). Maar dat is helemaal niet nodig. We liggen zo ver voor dat we rustig de wedstrijd kunnen uitvaren. Dus is mijn eventuele commando voor die eindspurt niet nodig. Gewoon lekker doorvaren. Maar de 3 heeft zich helemaal geconcentreerd op die laatste 500m. Waar blijft mijn commando? Blijft uit. Dat is volgens de drie een grote nalatigheid! Vergeten?

Hij draait zijn hoofd een kwart slag naar mij toe en sist: eindspurt gvd!. Daarbij trekt hij zijn riem een stukje mee. De dol draait mee waardoor de riem klem komt te zitten, het blad blijft horizontaal met het bekende fatale gevolg: SNOEK. Op zich geen probleem. Snel weer oppakken en… door de klap over stuurboord slaat de riem van de boeg door de overslag van de (ouderwetse) dol. Dat kan ik niet zien. Dus hebben we al snel het water weer goed te pakken. Behalve de boeg. Zodra we weer gaan halen roept de boeg: Neeee! Zijn riem ligt langszij. Hij was juist bezig de riem weer in de dol te leggen. Dus laten lopen, riem in de dol en… de Italianen zijn ons gepasseerd en liggen genoeg voor om als eerste de finish te passeren.
Ik kan me gelukkig niet herinneren hoe ik deze tweede dreun te boven ben gekomen. We moeten natuurlijk zo snel mogelijk van het water af en dat geeft enige afleiding. Wie is de schuldige? De drie? Hij veroorzaakte ons verlies. Maar de snoek ontnam ons niet de overwinning. In feite de conditie van de boot. Harrie mocht niet mee en de  zogenaamde “bootsman” is de coach van Robbie van Mesdag. Jaap mocht anders niet mee!

Ter verduidelijking:  De rigger is van ijzer, de dol van brons en de overslag van koper. Kunststof (behalve bakeliet voor de elektronica) bestaat nog niet. Brons is hard materiaal, koper is minder hard. Dat slijt dus het meest. Bij veel gebruik, zoals bij schroefdraad, komt er een moment dat de overslag moet worden vernieuwd omdat de schroefdraad is versleten. De boeg heeft dat moeten melden nadat hij al eerder heeft gemerkt dat de dol niet goed sluit. Maar zoiets komt niet gauw in het klachtenboek. Het “gaat nog wel even mee”. Als Harrie zoals gebruikelijk/noodzakelijk met ons was meegegaan – ook voor de andere ploegen – is er een goede kans dat ons deze ramp niet was overkomen. Als…., als… is nutteloos. Kans op een gekleurd blik? Zullen we nooit achter komen.

Even terug in de tijd. Onze toevoeging aan de al (te) vroeg geregelde afvaardiging naar de O.S. was een ongemakkelijke beslissing voor het Olympisch Comité. Alles al op tijd geregeld, ook internationaal. Terwijl de kwalificatie nog niet eens was voltooid. Maar gezien de resultaten kon men niet om ons heen. Dus met enige tegenzin er toch bij. Maar zonder coach! Terwijl alle andere ploegen natuurlijk mét coach worden uitgezonden. Dan gaan wij natuurlijk niet mee. Die beslissing werd onder druk van de Roeibond teruggedraaid.

We verliezen onze wedstrijd en moeten meteen weer terug. Waar blijft de Olympische gedachte? We mogen toch nog even blijven. In tegenstelling tot bijvoorbeeld de voetballers. Die verliezen ergens in een stad elders. Vervolgens worden zij, inclusief reserves en een reeks begeleiders ergens in Helsinki ondergebracht en blijven tot en met de Sluiting. En dat zijn ook “amateurs”!. Professionals mogen niet aan de Spelen deelnemen. Zo zijn we weer bij.

Daar staan we dan voor een foto bij het afscheid van de baan. 4- + coach. We blijven een ploeg. We hebben de moordplannen voor we aanleggen alweer in ’t water gesodegooid. (De broeken die voor ons zijn gemaakt duiden op dikkere benen).

Wat nu? Wel nog belangstelling voor onze collega’s in de andere heats. Maar hen lekker zien roeien bedreigt ons met acuut hartfalen. We zijn duidelijk toe aan een flinke borrel. Maar dat gaat niet lukken want Finland is drooggelegd. Na de kort daarvoor beëindigde oorlog met Rusland heeft een golf van dronkenschap het land overspoeld. Voornamelijk de weinige van het front teruggekeerde militairen. En openbare dronkenschap levert werkstraffen op. Zo is de landingsbaan van het nieuwe vliegveld met behulp van werkgestraften aangelegd.

Maar er is een oplossing. Het schip dat onder andere onze boten heeft gebracht, ligt afgemeerd in de haven. Een bezoek levert het gedroomde vocht. Er is een bioscoop ingericht als balzaal. Plek voor consumptie. De overmaat aan Finse dames levert een geselecteerde danspartner. Hoe vind je een geschikte in de menigte? Er is een balkon dat overzicht geeft. Terwijl we onze nederlaag verdrinken zien we ons doel: kleur onthouden, naar beneden en dan dat doel zien te vinden.

Einde seizoen 1952, maar Jan gaat nog even door.


#FREE_UMPIRE_TOM


Tijdens de Olympische Spelen in Tokio hield kamprechter Tom van der Lelij een dagboek bij op deze website. Het had zijn finest hour moeten worden als kamprechter, maar het liep allemaal wat anders. Hij testte na enkele dagen roeitoernooi positief en moest in quarantaine. Het dagboek werd voor hem een uitlaatklep. Al zijn bijdragen lees je hier.
Nu is hij weer thuis. Op Schiphol werd hij door zijn vrouw opgewacht met een bevrijdend spandoekje.
In de komende Roei! komt Tom nog eens aan het woord.


Prestaties en wanprestaties

OProeien toen – aflevering 43
Door Jan Op | 5 augustus 2021

Ik, Jan Op den Velde, 90 jaar, roeide voor Laga in de periode 1950-1954. De omstandigheden uit die jaren schets ik graag.
Vanaf OProeien toen – 1 is het een doorlopend verhaal. Via deze link vind je ze allemaal.


Het is 1952. Jan Op den Velde is met zijn Laga op de Olympische Spelen in Helsinki.

Verslaggevers in de slaapkamer

De tweede avond, we liggen net in bed, gaat de deur open en een paar dienstFinnen brengen een bed binnen. Dat betekent een herschikking van onze bedden plus daardoor het vrijwel afsluiten van de toegankelijkheid. Wij komen tot een verbazingwekkende zitstand en vragen ons af wat voor vergissing er wordt begaan. Maar het blijkt geen vergissing te zijn. De tijdelijke “eigenaar” van het bed blijkt Robbie van Mesdag te zijn. De skiffeur. Vorig jaar in Henley holde hij met ons mee en hield hij ons op de hoogte van onze positie. Ik wist toen zeker dat ik hem zal gaan vermoorden. Maar hij blijkt  een aardige skiffeur te zijn. Hij leeft nog en hij heeft de uitzending naar de OS veroverd. Hij blijkt het gezelschap van de 2- saai te vinden en dat van ons lijkt hem in de juiste stemming te brengen. Belangrijk voor zijn conditie. Dat is voor ons de beste smoes.

We zijn maar net horizontaal of de deur gaat opnieuw open. Een deel van een horde verslaggevers en fotografen dringt naar binnen. De meeste lukt dat niet in verband met de zeer beperkte ruimte. Ze blijken totaal niet geïnteresseerd in ons te zijn. Ze komen voor Robbie. Wat denkt hij van zijn Russische tegenstander. En weet hij hoe die heet? Zonder blikken of blozen zegt hij – dat niet echt wetend –  “Soepkopf” (in ’t echt: Tjukalov). Het is mij niet bekend of het antwoord van Robbie in de krant is gekomen. En ook niet of wij ook op een foto zijn gekomen.

Onze eerste kennismaking met het ontbijt levert een soort verbijstering op. De hoeveelheid exotische en andere onbekende ingrediënten maakt een keuze vrijwel onmogelijk. Zo kort na de oorlog is in Nederland enige variatie bijna onmogelijk. Ik droom van een enorm bord met een berg heerlijk eten. In werkelijkheid blijft het bij een boterhammetje met enig beleg. Wat wel werkelijkheid is: een glas sinaasappelsap (niet eerder gezien, laat staan geproefd). En nog onbekender: tomatensap! 

De Olympische Spelen leveren behalve (wan-)prestaties ook een kennismaking met het leven van andere naties op. Tegenwoordig is men daarvan al vroeg op de hoogte. Wij leefden met veel rust tussen onze dagelijkse baantjes. Hoe kan dat? Wij hadden geen last van televisie, internet en al helemaal niet van die ellendige mobieltjes.

Enorme afgang

Bij wat varen (over de woelige baren) is de boot inderdaad lastig onder controle te houden. We hebben geen ervaring met varen op “woelig” water. In tegenstelling tot een aantal andere ploegen.

De Spelen beginnen natuurlijk met het defilé. Wij zijn gelukkig vrijgesteld omdat we de volgende dag onze eerste wedstrijd varen. Er is  altijd een ”gelukkige” die de vlag mag dragen. Enige vasthoudendheid is wel gewenst. Zeker als het waait.

Die eerste wedstrijd is een enorme afgang. In de krant:

Dat was net weer de wind die men in de trainingsdagen ook had gehad. En het gevolg was: hoge golven tussen de 500 en 1500 meter met schuimkoppen. Een aardig binnenzeetje om op te zeilen maar niet geschikt voor Olympische roeiwedstrijden. Ploegen die gewend zijn op brede meren met bewogen wateroppervlakten te roeien, gelijk de Joegoslaven en Amerikanen. konden behoorlijk met het water overweg. Maar de anderen [wij o.a.] konden onmogelijk tot normale prestaties komen. Onder de roeiers en coaches heerst dan ook grote ontstemming want men meent terecht dat onder deze omstandigheden dat van een faire strijd geen sprake kan zijn.

Joegoslavië komt als eerste aan (6’34”4) gevolgd door Finland (6’42”7) en Polen (6’43”0). Wij op een paar lengten (6’56”9) ver achter. Dat is wel even wennen. Lukt natuurlijk niet.

Geslaagde herkansing

De volgende dag: herkansing. Onze enige tegenstander Moto Guzzi (Italië) die bij de vorige Spelen goud wonnen. Deze dag zijn de omstandigheden een stuk beter.  Afgesproken tactiek: start in hoog tempo, niets zeggen (ik, want ik ben de woordvoerder [beter hoorbaar] met mijn ervaring als “internatonal”!). Na 30 halen een spurt, vasthouden en indien nodig tussensprintjes. Voor het geval we op 1500 meter achter zouden liggen maken we een eindspurt in hoog tempo over de laatste 500 meter. De start lukt prima. We liggen al snel flink voor op de Italianen. Dat geeft rust. Onze afgang van gisteren heeft ons geheel opgeladen met vechtlust en ik geef één of twee keer een spurtje als afwisseling. We lopen flink uit. Ik houd onze tegenstander goed in de gaten voor een eventuele aanval. Maar de lichaamstaal spreekt boekdelen: ze hebben al begrepen dat we niet meer in te halen zijn. Ze varen met afgezakte schoudertjes achter ons aan. We passeren de 1500 meter met ongeveer 2 lengten voorsprong. Dus rustig doorvaren.  Morgen is er weer een wedstrijd…

Binnenkort verder!


Sloeproeier gaat scullen: opnieuw leren roeien


Door Kees Verweel | 1 augustus 2021

Kees Verweel (1963), actief sloeproeier sinds 1980. Woont met Silke aan de Oosterschelde in Kattendijke (Zeeland). Drie volwassen kinderen. Initiator en beheerder van www.sloeproeien.nl. Bij diverse verenigingen geroeid, eind 2019 medeoprichter van de nieuwe club Sloeproeien Zeeland waar we in de zesriemer Seelandia roeien. Lees alle bijdragen van Kees Verweel hier.


Op 22 mei schreef ik de laatste Atlantic Sixties update over ons Atlantische avontuur: de Talisker Whisky Atlantic Challenge 2023, met z’n tweetjes 5.200 km de oceaan overroeien.

Als ruim ervaren sloeproeier heb ik honderden uren doorgebracht in roeisloepen, maar ik had in al die jaren nog nooit een slag geroeid met twee riemen en op een rolbankje! En dat is juist de roeitechniek in een oceaanroeiboot.

De eerste les bij Scaldis

Dus ik heb contact opgenomen met RV Scaldis in Goes, en op zaterdag 25 juni mijn allereerste ervaring opgedaan met scullen. Na een kwartiertje droogoefenen op de roeitrainer gingen we het water op. Wat een ervaring! Nieuwe commando’s (dankjewel Feike voor de vertaaltabel!), aan tien dingen tegelijk denken, en vooral alle sloeproeitechnieken afleren…. Mijn instructeur vroeg na deze kennismaking welke overeenkomsten er zijn met sloeproeien, mijn antwoord: bakboord en stuurboord. Verder is echt alles anders!
Vanaf nu dus op woensdagavond mijn wekelijkse les scullen en op maandag mijn training sloeproeien. En dan er nog een set riemen bijgekomen, want we zijn dankzij de support van Innovaren inmiddels ook trotse eigenaar van een prachtige Liteboat LiteDUO. Een snelle en stabiele coastal boat van Franse makelij. Zolang we de oceaanboot nog niet hebben is dit een prachtige trainingsboot waarmee we samen op de Oosterschelde of vanaf het stand van Katwijk ervaring kunnen opdoen met golven en wind. Pas heb ik mijn eerste kleine rondje gemaakt en dat smaakte naar meer!
Kortom, mijn roeiervaring is zich nu heel snel aan het verbreden! Binnenkort hoop ik ook nog wat tochtjes mee te kunnen roeien in de Razende Bol van Dutch Coastal Rowing, deze Yole de Mer ligt vanaf komende week gestationeerd bij de Goese Sas, op een steenworp afstand van mijn huis! En zo komt Kees roeiend deze zomer door, heerlijk!! 😊


Dagboek Tokyo van kamprechter Tom van der Lelij | slot

Kamprechter Tom van er Lelij houdt ons in woord en beeld op de hoogte van achter de schermen van de Olympische Spelen. Hij is een van de 20 kamprechters, maar belandde na de eerste helft van de roeiwedstrijden in het quarantainehotel.
Dit is het slot van zijn verhalen. Lees alle bijdragen over Tokyo 2020 via deze link: roei.nu/category/os-tokio/

Vanuit het quarantainehotel


Vrijdag 30 juli

Vandaag nog 1 dag roeien. Daarna zit het er op. Nathalie Philips stuurt om 4.30 uur een foto van het ochtendgloren. Die is prachtig zegt ze. Ik moet zeggen, ze heeft gelijk. Ze krijgt veel positieve reacties. In de app wordt ook al vooruitgeblikt met een foto van het ochtendgloren van de olympische roeibaan van Parijs 2024. Een mens kijkt graag naar de toekomst.

ochtendparijs
ochtentokio
previous arrow
next arrow
Shadow


Dankzij Helma op ZDF te volgen

Vanaf 7.45 uur worden alle finales in de M en W skiff afgewerkt, te beginnen met finale F. Om 10.25 wordt afgesloten met het koningsnummer, de acht. Als ik de tv aan zet, zendt Eurosport geen roeien uit. Verdorie. Wat nu? Helma Neppérus lost het voor me op. Jacomine stuurt een hart-onder-de-riemberichtje van haar door en ik reageer. Helma is op voor het roeien en zit ook te zoeken. ZDF appt ze. Gelukkig. Mooi zoals je elkaar even kan helpen aan de andere kant van de wereldbol.
Als de Duitsers even wat atletiek uitzenden, laat ik haar weten dat de BBC ook roeien doet. Dank, appt ze terug. Door al dat gezoek mis ik wel de B-finale van Sophie Souwer waar ze naar een verdienstelijke 1e plaats roeit, overeenkomstig haar 7e tijd in de kwartfinale. Mooie prestatie. Henk-Jan Zwolle vraagt hoe het met me gaat. In de fairnesscommissie is de wind niet langer de uitdaging. Nu zitten er onweersbuien aan te komen. Uit de finishtoren een appje dat er een vlakbij voorbij trekt. De foto’s bevestigen dat. Ik vind dat ik nog aardig betrokken ben.

Laatste dag Olympisch roeitoernooi Tokyo 2020: nu geen wind, maar een onweersbui die vlakbij overtrekt.
De B-finale die Sophie Souwer afgetekend wint.

Ontevredenheid in Duitsland en Groot-Brittannië

Zowel in GER als in GBR is men niet tevreden met de resultaten van het roeien. Op de BBC hoor je dat ook doorklinken in de commentaren. Toch goed om overal even je oor te luisteren te leggen. Ik zie Oliver Zeidler, gedoodverfde winnaar van de M1x, commentaar geven na zijn winst in de B-finale. Hij is duidelijk teleurgesteld en geëmotioneerd en is kritisch op de baan: te veel wind, niet eerlijk. Hij mopperde ook al op de omstandigheden op de Willem-Alexander Baan bij Rotterdam tijdens de Word Cup 2019. Misschien moet hij eens een binnensport proberen?

De vrouwenskiff kent met Emma Twigg een terechte winnaar. Ik moet denken aan de World Cup in Sydney in 2014 waar ik kamprechter was en als koerier van de Holland Beker bij haar een pakketje moest afleveren. De mannenskiff wordt verrassend door de Griekse skiffeur gewonnen. Volgens mij altijd goed voor onze sport als de medailles over veel landen worden verdeeld: het maakt roeien een wereldwijde sport. De winst bij de vrouwenacht gaat naar CAN: wat roeien die goed! Leuk om te zien hoe blij de stuur is. Zij hangt ook de medailles bij alle roeisters om en geeft ze een dikke knuffel. Daarbij fluistert ze iedere roeister een persoonlijke boodschap in het oor, die zou ik graag willen horen. Mooi ook dat China zich met brons tussen de grote roeilanden wurmt: daar is vast heel Spartaans getraind, of heeft Redgrave andere methoden geïntroduceerd?

Dan is het tijd voor de mannenacht. Ik neem een paar foto’s van de presentatie en de start en voel de spanning stijgen. Ik herken mijn Zwitserse collega Patrick: roll call, attention en de startpiep. Weg zijn ze. De telefoon gaat: tijd voor mijn dagelijkse gezondheidscheck. Ik neem wel op, je weet maar nooit wat de gevolgen anders zijn, en meld dat ik naar een Olympische roeifinale zit te kijken. Kan het over 20 minuten? Het is goed. Zouden ze dat in de gevangenis ook goed hebben gevonden? Als ik weer kijk ligt de NED acht een halve lengte achter: wat is er gebeurd? Ik hoop dat ze terugkomen, maar het lukt niet. Het is teleurstellend. Een olympische droom gaat als een nachtkaars uit. Maar ja, daar hebben meer mensen last van. Om winnaars te hebben moeten er ook verliezers zijn.


Nieuw Zeeland doet het op de laatste dag weer ontzettend goed. Met goud in de W1x , M8+ en W2-winnen ze het medailleklassement van het roeien. Nederland is derde, het beste medailleresultaat ooit. Toch vind ik dat de kleur van de medailles iets gouder had gemogen: wat is een mens toch snel ontevreden.

Geregel

Ik word teruggebeld. Alle vragen worden in het Engels gesteld en vertaald voor de medisch deskundige. Die Japanners hebben het allemaal goed georganiseerd. Mijn gezondheid is oké en ik vraag bevestiging of ik er 5 augustus (mijn dag 10) uit mag. Dat klopt. Jacomine belt met KLM en zonder problemen wordt mijn ticket omgezet. Ik ben in ieder geval vrijdag 6 augustus weer in Nederland.

Ondertussen probeer ik ook op dag 6 en 7 getest te worden. Na zoeken en vragen is het duidelijk hoe het zit: ik val onder het playbook voor de Internationale Federaties (IF), de nationale teams onder een ander playbook. In beide playbooks staat een beschrijving wat er gebeurt als je besmet raakt. De beschrijving is identiek, maar bij de nationale teams wordt nu wel bij wijze van uitzondering op dag 6 en 7 getest. Ben je twee keer negatief, dan mag je naar huis. Ik word dus niet getest. Ik kaart het aan bij de ambassade, NOC-NSF en bij World Rowing. De zaak begint te bewegen. Is het op tijd? Zondag moet ik dan mijn eerste test krijgen. Ik stuur een mail waarin ik het probleem uitleg en ook Jacomine doet een duit in het zakje. Het wordt opgepakt. De medische commissie van het IOC overlegt hierover met Tokyo 2020. Ik heb nog geen uitsluitsel. Ik Wapp Josy of er al mensen naar huis zijn wegens twee negatieve tests. Hij reageert direct: bijna iedereen moet 10 dagen brommen.

Het kamprechtersbotenflottielje

In de Wapp verschijnen foto’s met het traditionele flottielje van de kamprechtersboten. Ook de vlaggen worden daarbij geïnaugureerd, want volgens mij zijn ze niet gebruikt. Een andere traditie, de juryfoto, ontvang ik ook. Ik sta er helaas niet op. Ik begin al een beetje terug te blikken. Vooral het ontbreken van publiek was bijzonder. De muur van geluid van 30.000 toeschouwers als de verdeling van de medailles aanstaande is in de laatste 500 meter van een race: dat had ik graag willen meemaken. Wat ook anders was is het ontbreken van de ontmoeting. Dit soort internationale evenementen staat bol van de uitwisseling tussen mensen. Een diner, een borrel en bezoek aan een culturele of historische plek: door corona ontbreekt dat volledig. Als sociale wezens missen we dat misschien nog wel het meest.

De juryfoto


Zaterdag 31 juli

Zaterdag stroomt de Wapp vol met bedank- en afscheidsberichten. Velen blijven tot zondag omdat zaterdag de reservedag van het roeien is. Toch beginnen de eersten nu al te vertrekken. Er verschijnen foto’s van de Tokyo 2020 winkel op de luchthaven. Door COVID zijn vluchten geannuleerd en moest men een nieuwe vlucht boeken. Voor sommigen is dat de zaterdag geworden. Ik zwaai gezellig mee vanuit mijn quarantainehotel. De gouden regel is: wij gaan elkaar allemaal weer ergens op een roeibaan tegenkomen.


Afsluiting

Nu het roeien klaar is, zit mijn dagboek er ook op. Dat kon ik wel netjes afronden, corona of niet. Iedereen wenst elkaar een veilige reis. Ik zeg dat ik bij vertrek als laatste de deur netjes op slot zal doen.