‘De’ recreatieve roeier

Door Feike Tibben | 19 februari 2021

Feike Tibben is bestuurslid van de Koninklijke Nederlandse Roeibond, met als portefeuille innovatie en infrastructuur. Lees alle bijdragen – op persoonlijke titel – van Feike hier.


‘Hoeveel recreatief roeiende roeiers zijn er eigenlijk?‘ Zomaar een vraag die langskwam in de nieuwe KNRB-commissie recreatief roeien. Die andere groepen weten we vaak wel. We kennen de wedstrijdroeiers van verslagen en van inschrijvingen, van stukjes in de media en van eigen bijdragen op de socials. Maar recreatieve roeiers? De slagen in de lucht liegen er niet om: ’60 procent’, roept de één. Een ander overtroeft: ‘Als ik kijk naar mijn club, ik denk zeker wel 80 procent’. Weer een ander toont zich voorzichtiger en claimt een voorzichtige 40%. Maar hoe zit het nou? Verenigingen categoriseren leden niet, laat staan dat die gegevens worden gedeeld. Inschrijfgegevens bieden ook geen soelaas. Gelukkig bleek er in een enquête uit 2020 ten behoeve van het Handboek Roeiaccommodaties aan de verenigingen een aantal vragen te zijn gesteld over de ledenpopulatie. De enquête is door bijna de helft van alle roeiverenigingen, studenten en algemeen, groot en kleiner, ingevuld en dus bruikbaar.

Het levert interessante uitkomsten. In één beeld hierboven is te zien hoe de roei-ambities en roeicultuur verschillen tussen algemene en studentenroeiverenigingen. Om de grootste er uit te pakken: bij studentenverenigingen doet 2/3 van de leden aan competitieroeien. Bij algemene verenigingen roeit 2/3 vooral op de eigen club en doet niet mee aan evenementen. Deelname aan (inter)nationale wedstrijden is zowel bij de studenten als de algemene verenigingen beperkt tot de meest fanatieke 10%.

Roeiers die niet meedoen aan evenementen, die dus niet een meedoen aan de Head of the River, Lingebokaal, of Amstelcup, ook niet op de NKIR of bij een coastal wedstrijd zijn. Roeien die wel? Ja hoor: het zijn veel routineroeiers die één of meer keren per week met een vaste ploeg het water op gaan. Motieven: fit blijven, voor de gezelligheid, de ‘breek in de week’, even de kop in de wind, allemaal andere vormen en motieven, met één kenmerk: er komt geen tijdmeting aan te pas.

Terug naar de vraag. Hoeveel recreatieve roeiers zijn er? Extrapolatie van de verenigingsopgaven uit de enquête 2020 naar de hele KNRB-roeipopulatie (iets minder dan 1/3 student, ruim 2/3 algemene verenigingen) levert op dat de groep die vooral, of alleen maar, op de eigen club en het eigen vaarwater roeien ruim 20.000 roeiers groot is. T w i n t i g d u i z e n d ! Onze grootste doelgroep. De zwoegende meerderheid. Mooi dat we nu een commissie recreatief roeien hebben. Deze commissie is breed samengesteld met roeiers van Pampus, De Dragt, De Hoop, Alphen, Weesp, Isala en Amycus. Er ligt met dit gegeven in de hand voor hen een mooie uitdaging om de belangen en behoeften van de recreatieve roeier te beantwoorden. Hoewel.. ‘De’ recreatieve roeier? Ik vrees dat die ook niet bestaat.

Jan Op den Velde overleden


Jan Op den Velde, chroniqueur van zijn roeicarrière bij Laga, is op 3 februari overleden, 90 jaar.

Hij had veel plezier in het op schrift stellen van zijn roeimemoires, met vaak zelf gemaakte tekeningen. Hij heeft daarmee vanaf april 2020 meer dan 50 bijdragen geleverd aan www.roei.nu.

Jan roeide van 1950 tot 1954 – ‘toen ongekend lang’ schreef hij – als student in Delft en in 1952 op de Olympische Spelen in Helsinki. Daar maakte een ploeggenoot tijdens de herkansing, terwijl ze een ruime voorsprong hadden, een snoek, ze verloren alsnog, dat was het einde van de Spelen voor Jan. Hij schreef er met veel humor over.

Zijn laatste bijdrage was van oktober vorig jaar, met de titel De Russen komen.

Na zijn studie Civiele Techniek hield het roeien op tot hij in 1965 een ploeg coachte en met hen in de boot stapte om de Head te varen. Zo kwam hij terug in de roeiwereld en vervulde functies bij de Roeibond, in commissies, als kamprechter en wedstrijdleider.

Zijn werk voor baggermaatschappijen bracht hem over de hele wereld en waar mogelijk ging hij roeien. Na zijn pensioen woonde hij enige jaren in Noord-Spanje, niet ver van de olympische roeibaan daar. De afgelopen jaren roeide hij bij Tromp ‘niet meer in de boot maar nog wel op de koffie met de ploeg’, zoals hij het formuleerde.

Roei! gaat dit voorjaar zijn roeimemoires in boekvorm uitbrengen.

Jan in mei 2014 tijdens een interview voor Roei!

Feel the vibe, let’s row

Door Feike Tibben | 6 februari 2021

Feike Tibben is bestuurslid van de Koninklijke Nederlandse Roeibond, met als portefeuille innovatie en infrastructuur. Lees al zijn bijdragen – op persoonlijke titel – van Feike hier.


In m’n vorige bijdrage heb geschreven hoe inspirerend de urban sport kan zijn met name om het open karakter. En natuurlijk is dan je eerste gedachte: dat kan bij hun, maar ja die rommelen maar wat aan, het is geen echte sport, zoals wij roeiers.

Maar dan lees ik dat de wielerbond, de skateboardfederatie, de basketbalbond en de turnbond, Urban Sport in hun beleid hebben opgenomen. Eens even neuzen hoe die het open karakter en focus op plezier en creativiteit vorm geven.

De turnbond blijkt een pilot te doen waarbij de turners tot negen jaar geen wedstrijden meer hebben. De sporters beleven daar weinig plezier aan en het zorgde teveel voor gestreste ouders en dito coaches. De jonge kinderen krijgen meetmomenten waarbij ze hun eigen prestaties kunnen meten ten opzichte van de vorige keer, niet ten opzichte van andere kinderen. Samen sporten blijft zo plezierig. Het verplichte wedstrijdverloop is vervangen door een soort cafetariamodel waaruit kinderen zelf een wedstrijdprogramma mogen samenstellen. Nog een heel eenvoudige, die zo uit urban sport lijkt overgenomen: het omdraaien van de waardering. Tot nu toe kregen kinderen in de beoordeling aftrek voor dingen die niet goed waren in de uitvoering van een oefening. Dat is omgedraaid: er worden complimenten uitgedeeld. Bovendien is waardering geen verplichting meer. Je kunt ook zonder jury-oordeel meedoen.

In de atletiek en bij turnen worden bij de jongste kinderen vooral gekeken naar groepsprestaties , Zo wordt de nadruk op samen sporten vergroot. Bij athletic champs is het verplichte ‘3 x’ (kogelstoten, verspringen etc.) afgeschaft. Je mag zo vaak je wilt binnen een bepaalde tijd. Een minder gelukte uitvoering is dan niet zo interessant: je gaat gewoon nog een keer (en nog een keer).

Bij rugby focust de jeugd op gelijkwaardige wedstrijden. Als één team duidelijk te sterk is stopt de wedstrijd en worden teams gelijkwaardiger ingedeeld. Kinderen zouden zo minder focussen op winst of verlies en zich meer richten op goede acties en creatief spel. Het competitiesysteem is hier ook aan aangepast: het doelsaldo is tijdens de competitie niet meer zichtbaar.

Een club als Wielervereniging Ede zorgt dat je zonder dat je lid wordt met een strippenkaart bij de club fietsbeheersing kunt leren: Tricks en moves op je nieuwe bike. Als dat niet urban is! Een kind dat een nieuwe fiets koopt bij de fietsenmaker krijgt een voucher voor een eerste clinic op de vereniging. Win-win.

En zo kan ik nog wel even doorgaan. Wat een mooie bewegingen zijn er toch in de sportwereld. Ik zou de sportverenigingen willen uitdagen om zich te verdiepen in de Urban Sport-aanbieders in de buurt, kijken wat daar gebeurt en wat je daarvan mee zou kunnen nemen naar de eigen vereniging. Hé roeiers geef je vereniging een boost en ga eens kijken bij Pier15 in Breda, Dynamo in Eindhoven, Commonground in Arnhem, Skateland in Rotterdam, Waalhalla in Nijmegen, bezoek de Urbansportweek in Amsterdam , of ga gewoon eens naar een ‘urbannen’ in je omgeving.

Feel the vibe. Let’s row.


Urban Rowing

Door Feike Tibben | 23 januari 2021

Feike Tibben is bestuurslid van de Koninklijke Nederlandse Roeibond, met als portefeuille innovatie en infrastructuur. Lees alle bijdragen – op persoonlijke titel – van Feike hier.


Afgelopen weken heb ik me, gestimuleerd door jongeren in mijn omgeving, met veel plezier verdiept in Urban Sports. Je weet wel Freerunning, skateboarding, BMX-en, of 3×3 basketbal, op straat, op een veldje, of in een hal. Voor mij als verenigingsman een leuke ontdekking. Urban Sport wordt totaal anders beleefd – ik omzeil hier bewust het woord ‘georganiseerd’ – dan wat ik gewend ben: geen vereniging met leden die op vaste tijden trainen, geen kaders, geen bestuur, ook geen bestuursvergaderingen of trainingsroosters, maar gave trucs, eigen verantwoordelijkheid, eigen creativiteit, saamhorigheid, vrijheid en heel veel plezier.  ‘Jaja..’, hoor ik jullie zeggen, ‘misschien leuk die vrijheid en speelsheid, maar niet bij ons.’ (….‘want onze sport vraagt volharding en discipline’, ‘want onze boten zijn zo duur en kwetsbaar’, ‘want zo kom je nooit tot prestaties’, ‘want zo zijn we niet’, want er moet structuur zijn’, ’want…. ‘ vul zelf maar in)

Maar toch… als we nog meer jongeren willen aantrekken is het misschien goed om eens te kijken naar de succesfactoren van deze nieuwe sporten. Daar is aanleiding voor: inmiddels zijn er in de grote steden meer urban sporters dan voetballers, en aantallen zijn growing.

‘Urban sports’, een uitgave van Arko Sports Media

Als je je verdiept in de kenmerken van Urban Sports ontdek je interessante dingen. Allereerst is Urban Sport a way of living. Het is meer dan bewegen. Er hoort kleding bij, kunst, dans, film, muziek. Een scene met diverse culturen en subculturen die om elkaar heen bewegen en allemaal een andere achtergrond hebben. Die achtergrond staat niet op zich, de heritage is belangrijk, weten waar je sport vandaan komt. Maar ja, wat is er dan zo nieuw dan een traditionele roeivereniging? Ook van roeien hoor je dat het geen sport is maar  ‘a way of living’. Om over kleding nog maar te zwijgen. Kijk ons zitten met onze jasjes. Filmcultuur? Die hebben wij ook! En de heritage? Duh,.. daar hebben we een heel Roeimuseum voor. Maar de overeenkomsten gaan verder. Net als bij traditionele verenigingen is de community is belangrijk: bij elkaar komen op basis van gedeelde waarden of een gedeelde style. Do-it-together. Samenwerken als de manier om dingen voor elkaar te krijgen. Tja ook dat herkennen we bij de traditionele verenigingen: we verenigen om samen voor elkaar te krijgen wat in ons eentje niet lukt.

Verschillen zijn er natuurlijk ook. Het belangrijkste wat mij betreft: het open karakter: Meer dan bij de traditionele sporten bepaalt de sporter zelf hoe die sport, welk nieuws die wil leren en van wie. Experimenteren, proberen en mislukken horen bij Urban Sports. De communities zijn best hecht, maar ook heel open. Iedereen doet mee en voor iedereen is er plek. Je hoeft geen lid te worden, maar je gaat gewoon naar een faciliteit toe, zoekt een peer group en doet mee: ‘laat maar zien wat je kunt’.  Spannend? Natuurlijk! Zeker spannend voor ons in de meer traditionele sport. Daar willen we juist steeds meer eisen, diploma’s, verklaringen en programma’s en is er weinig ruimte om te experimenteren of af te wijken.

Maar zou het niet leuk zijn als we meer ontdek- en fun-elementen kunnen toevoegen aan de sport. Zou het niet inspirerend zijn als we bijvoorbeeld jongeren zelf meer verantwoordelijkheid geven. Urban Sports laten zien dat het kan: jongeren bepalen zelf of ze een trick of move willen leren of durven proberen. Voorzichtige stapjes zetten we als roeibond, bijv door verenigingen te simuleren om junioren meer ruimte te geven (een eigen programma en eigen budget voor de juniorencommissie), en junioren de mogelijkheid te geven om zelf te coachen , niet via een ingewikkeld diploma-systeem maar eenvoudig, laagdrempelig en online (natuurlijk). Maar er is vast nog veel mogelijk om nog veel meer jongeren aan te spreken. Waar zijn we bang voor?

Jaloers kijk ik naar de wielerbond, de skateboardfederatie, de basketbalbond en de turnbond die elementen van Urban Sport in hun beleid hebben opgenomen. Maar zo hoog over hoeft het niet: Ga als vereniging eens een middagje kijken bij Urban-Sportaanbieders in de buurt en kijk wat daar gebeurt en wat je daarvan mee zou kunnen nemen naar de eigen vereniging.

Ik nodig jullie uit te gaan kijken bij Pier15 in Breda, Dynamo in Eindhoven, Commonground in Arnhem, Skateland in Rotterdam, of ga eens de Urbansportweek in Amsterdam bezoeken, of ga gewoon eens naar een urban aanbieder in je omgeving.

Feel the vibe!

Professionals? Vrijwilligers!

Door Feike Tibben | 14 januari 2021

Feike Tibben is bestuurslid van de Koninklijke Nederlandse Roeibond, met als portefeuille innovatie en infrastructuur. Lees alle bijdragen – op persoonlijke titel – van Feike hier.


Mijn laatste bijdrage van 2021 ging over sportvrijwilligers. Dat we in Nederland vrijwilligersland no 1 zijn, en hoe raar het is dat op het woord vrijwilliger soms negatief wordt gereageerd.

Voor ons als sport is een goed vrijwilligersleger van wezenlijk belang, dat weten we maar al te goed van onze eigen verenigingen. Het is raar dat op het woord vrijwilliger soms negatief wordt gereageerd, maar misschien zijn we wel toe aan een herijking van de term.  Het hardnekkige beeld van de eeuwige clubicoon die de hele dag rond de club hangt klopt al lang niet meer.
Een studie van het Verwey Jonker Instituut noemt vier typen vrijwilligers: de dienstverlener, de regelaar, de stimulator en de ondernemer. Ik denk dat we in deze typologie allemaal wel vrijwilligers kennen. Met ‘one size fits all’ doen we vrijwilligers te kort. De moderne vrijwilliger wil een duidelijke opdracht, heldere taken, waardering. Modern vrijwilligersmanagement vraagt meer dan alleen een oproep doen op de site of het verenigingsblaadje ‘wie wil…?’  vul maar in.

Modern vrijwilligersmanagement wordt steeds meer een vak. Een vak met een eigen platform (www.vrijwilligerwerk.nl met prachtige voorbeelden, kijk er eens op!) en een heuse vrijwilligershoogleraar. Goed dat we dat en die hebben want we staan best voor een stevige uitdaging: We stellen als sporters meer eisen aan onze sportieve omgeving. We willen deskundige trainers, verantwoorde begeleiding en spullen die beschikbaar en in orde zijn. We gaan sport steeds meer als een noodzakelijke voorziening zien en sportend Nederland wil het aantal sporters omhoog brengen van 50% nu naar 75% in 2030.  Bij die ambitie steekt onze bondsdoelstelling – 15.000 roeiers erbij in 2030 – maar bleekjes af. Al die groei- en verbeterontwikkelingen maken dat we er niet aan ontkomen onze verenigingen te professionaliseren. Dat betekent niet dat dat verenigingen uiteindelijk worden bestierd door betaalde krachten. Wel betekent het dat er een uitdaging ligt om deskundigheid van de ondernemende, stimulerende, regelende en dienstverlenende vrijwilligers te vergroten.

In veel vakliteratuur over sport en vrijwilligerswerk is de ontwikkeling die ik hierboven schets te lezen. Toch zie ik nog maar weinig verenigingen de professionaliseringsstap maken. Wel verklaarbaar: Als sport zijn we gewend zelf onze broek op te houden en zelf zaken te regelen. Dat is onze kracht en zo zijn we groot geworden. Kwaliteitskaders zijn er maar weinig. En als ze er zijn hebben we die vaak zelf, op onze eigen manier, vormgegeven. En wie maken over het algemeen zulke kaders? Precies: diezelfde vrijwilligers. En zo is de cirkel weer rond.

Zou het geen mooie uitdaging zijn om zonder onze geschiedenis en de kracht van verenigingen te verloochenen, de kwaliteit van ons vrijwilligerscorps en de kwaliteit van ons vrijwilligersmanagement omhoog te brengen? Veel onderzoeken laten zien dat door vrijwilligers serieus te nemen, eisen te stellen, hen de gelegenheid te bieden door bijvoorbeeld opleiding ook aan die eisen te kunnen voldoen en die te belonen en waarderen, lol en waardering toenemen en vrijwilligers niet – wat velen denken – eerder afhaken, maar juist langer betrokken blijven. 
De vrijwillige ondernemer, de  vrijwillige stimulator, de vrijwillige regelaar en de vrijwillige dienstverlener worden zo op maat bediend. Als roeibond – de vereniging van roeiverenigingen – pakken we de handschoen op. Ook wij hebben immers tal van vrijwilligers, als lid van commissies, als kamprechter, of als motorbootkapitein. Sinds de ALV van 20 november hebben we in de persoon van IJsbrand Haagsma een bestuurslid opleidingen en vrijwilligersbeleid. Er ligt een mooie opgave. Welke vereniging volgt?

Vrijwilligers

Door Feike Tibben | 31 december 2021

Feike Tibben is bestuurslid van de Koninklijke Nederlandse Roeibond, met als portefeuille sportontwikkeling. Lees alle bijdragen – op persoonlijke titel – van Feike hier.


Op de een of andere manier was het de afgelopen weken druk rond het woord ‘vrijwilliger’. Of het nu door de verkiezing vrijwilliger van het jaar kwam of dat het een soort nasleepdiscussie was van het voorstel om eisen te stellen aan coaches, maar in één keer dook het op:

‘Tss ik ben coach, geen vrijwilliger: vrijwilligers zetten koffie in de bar en vegen de loods aan’
‘Je bent lid en onderneemt… alsof het (je inzetten op de vereniging, FT) gedwongen is. Vrijwilliger klinkt sukkelig.’

Zo maar twee reacties die mondeling via de juniorencommissie en digitaal op social media langskwamen. En er waren er meer. Bottom line: ‘Ik wil geen vrijwilliger genoemd worden. Dat is suf. Ik heb meer in mijn mars.’ Ik moest er even aan wennen. Ik had het nog nooit zo gezien. In mijn perceptie zegt vrijwilliger niets over niveau, deskundigheid, betrokkenheid,  betrouwbaarheid, of organisatieniveau alleen iets over financiële vergoeding. Van een vrijwilliger verwacht ik dat deze even dedicated en deskundig is als een betaalde kracht op dezelfde plek. Voor mij is er ook geen principieel verschil in hiërarchie. Er zijn professionals die vrijwilligers aansturen, maar er zijn ook vrijwilligers verantwoordelijk zijn voor professionals. Als bestuur weten we niet anders. Wij zijn per slot ook vrijwilligers. U kent het: ‘vrijwillig, niet vrijblijvend’.

Als Nederland slaan we ons zelf graag op de borst dat we vrijwilligersland No 1 zijn. ‘Van de Nederlandse bevolking boven de 15 jaar heeft 46,7% minimaal één keer vrijwilligerswerk gedaan in 2019’ staat te lezen op de site vrijwilligerswerk.nl. Bijna de helft! Met een gemiddelde inzet van ruim 4 uur per week zijn dat over de duim ruim 40.000 voltijdbanen. Bij een modaal inkomen een loonwaarde van 1,5 miljard euro.

Generatiedingetje?

Naast deze trots op onze toppositie hoor je nog wel eens dat het zijn van vrijwilliger een generatiedingetje zou zijn. Moderne vrijwilligers zouden geen life-time commitment meer hebben, primadonnas zijn die meer verleid moeten worden met leuke, afgebakende klussen. Daar zit wat in. Het aantal vrijwilligers en ook de inzet per vrijwilliger daalt ieder jaar een klein beetje. Maar is de moderne vrijwilliger inderdaad zo veeleisend en hard-to-get? Als ik kijk naar de drie kijk die dit jaar in de roeisport genomineerd zijn voor vrijwilliger van het jaar dan valt op dat ze jong zijn. Hoezo zou vrijwilliger een generatiedingetje zijn? Verder zie ik geen dwang of hoog koffiezet- en loodsveeggehalte (wat is daar overigens mis mee). Ik zie bij Mats van Slooten van De Hunze, Janine Vermeij van Tubantia en Lotte Burgers van Skøll naast een opsomming van inhoudelijke taken als opknappen van boten, juniorenopvang of verenigingsbranding en social media strategie, teksten als: ‘gewilde stuur die zorgt voor fijne sfeer’, ‘motiveert, stimuleert en organiseert, en geeft niet op als corona het een beetje moeilijker maakt’ en ‘altijd bereid iedereen te helpen’.  De waardering die uit de nominatie spreekt gaat verder dan de kwaliteit of de hoeveelheid werk die wordt verzet. Er is ook duidelijk waardering voor de bijna onzichtbare sociale, bindende rol die zij vervullen in de vereniging. Erkenning, Herkenning, Waardering en Beloning.

Modern burgerschap

Maar dan even terug naar het ongemak met het woord vrijwilliger, waar te weinig waardering uit zou spreken. Zou een andere naam, een waar meer waardering uit spreekt, helpen? Misschien. Ik geloof er niet zo in .Maar misschien helpt het ook om het begrip vrijwilliger anders te laden. Vrijwilligerswerk gekoppeld aan modern burgerschap, je inzetten voor je omgeving, de maatschappij waar je deel van uitmaakt. Hoezo sukkelig? Vrijwilligers zijn de idealisten, de ambassadeurs en de frontsoldaten van het verenigingsleven.


Roei! december

Aan het begin van de coronapandemie, ruim anderhalf jaar geleden, vreesden veel roeiverenigingen een teruggang in leden en financiële problemen. Hoe is het ze sindsdien vergaan? Dat zochten we uit met de tweede Roei!-enquête over de coronacrisis.

Op de Olympische Spelen van Tokyo presteerden de grote roeilanden Duitsland, Groot-Brittannië en de Verenigde Staten dramatisch. We brachten we de achtergronden van het falen in kaart op basis van artikelen in de media.

Verder bezochten we een indoortraining in Rotterdam, roeivereniging Daventria in Deventer en namen we een Roei!kijkje langs de Linge.

Na de (ver)jaarkalender die we vorig jaar meestuurden met het decembernummer hebben we dit jaar besloten geen Roei!kalender te maken. De pandemie gooit het schema van de roeiwedstrijden nog te vaak in de war, actuele informatie over de planning en het doorgaan van wedstrijden is het best online te verkrijgen, bijvoorbeeld via de KNRB. Als alternatief komen we in 2022, bij het verschijnen van het vijftigste nummer van Roei!, met een speciale uitgave.

Bijlagen bij Roei! 46 | oktober 2021


pagina 5 | Column door Petra Sauter – De Munck en pagina 59 | Kort Roei!nieuws
De laatste lichting, een documentaire van Merijn Soeters

Petra begint haar column met:

Dankzij de documentaire ‘De laatste lichting’ was ik even terug in mijn eigen studententijd, de blauwe maandag dat ik zelf heb geroeid. Geweldig vond ik het om in deze docu ook de mentale aspecten van deze strijd op het water terug te zien. Tegelijkertijd deed het me ook stilstaan bij hoeveel er eigenlijk op dit vlak nog te bereiken valt in het roeien.

pagina 44 | New Wave vest: inklimmen ja of nee?

Onze ervaring: nee.
Dit filmpje, in een skiff zonder drukstangen: ja.


pagina 50 | De Oude IJssel: vaarkaart

Met dank aan Waterschap Rijn en IJssel


pagina 60 | Roei!kunst | Roeiend het gedicht uit

Miriam van Hee leest haar gedicht De Watersportbaan voor:

Studenten van ROC Twente verfilmden in 2014 het gedicht Echtpaar in de trein van Willem Wilmink:


De Russen komen

OProeien toen – aflevering 50
Tekst Jan Op | 19 oktober 2021

Ik, Jan Op den Velde, 90 jaar, roeide voor Laga in de periode 1950-1954. De omstandigheden uit die jaren schets ik graag.
Vanaf OProeien toen – 1 is het een doorlopend verhaal. Via deze link vind je ze allemaal.


Voor de eerste keer komen de Russen in Henley (het “Westen”) roeien. Alle Russen plus de door hen bezette landen in Oost-Europa wonen en werken achter het IJzeren Gordijn, een bijna onneembare afscheiding tussen Oost- en West-Europa. Hoe zal het met hun verblijf in het vrije West-Europa gaan? Uit de krant:

Niettemin waren de Russische ploegen in dit oude verslapte materiaal hun in uiterst modern materiaal roeiende tegenstanders veruit de baas. Hoe is dat mogelijk? (aan het bestaan/gebruik van doping werd niet gedacht. Onsportief bestempeld). Twee factoren zijn daarbij van doorslaggevende betekenis. Ik (Aad van Leeuwen) ben tot de conclusie gekomen, na de in Henley veel betere mogelijkheden in training en tijdens de race waar te nemen en in gesprekken (via tolk) met een aantal Russische roeiers en hun leider. Die factoren zijn:
1 De tot een maximum opgevoerde lichamelijke conditie van de roeiers.
2 De door de Russen ontwikkelde roeitechniek die meer dan de Engelse (..) of de Amerikaanse (..) rekening houdt met de noodzakelijke wisselwerking tussen spanning en ontspanning.
De lichamelijke conditie der roeiers was inderdaad opmerkelijk. Men had hier te doen met ploegen die reeds jaren bijeen zitten (de acht vier jaren) die in lange perioden per jaar volop gelegenheid krijgen tot conditie- en techniektraining. En wier gehele levenswijze wordt ingebouwd op het verkrijgen van een zo goed mogelijke lichaamsconditie. Die conditie maakte het de Russische roeiers mogelijk een race te roeien zonder een enkele inzinking. En bovendien zware races te roeien op drie of vier opeenvolgende dagen.

Nu is de conclusie wel anders  De Russen zijn geen amateurs (evenals andere ploegen van achter het IJzeren Gordijn, hoewel officieel verboden). Het is nu allang bekend dat gebruik van doping (toen nauwelijks bekend en nog niet verboden) tot op de dag van vandaag wordt toegepast. En vaak zijn het “militairen” die een “opleiding tot roeier” volgen. Met “soldij”.

In Henley ontstond nogal ophef over het (verboden) coachen tijdens de wedstrijd. En het feit dat de Russische ploegen geen club-ploegen waren (ook verboden). Een fenomeen waar de kamprechters geen raad mee wisten en als gastheren maar door de vingers zagen. Zeer onterecht want iedere ploeg houdt zich onvoorwaardelijk aan de regels. Die zijn in het Russisch ook van toepassing.

Zo was er ook een zeer ongebruikelijke gebeurtenis bij de prijsuitreiking. De gehele Russische afvaardiging marcheerde in gelid achter de Russische vlag naar de bekers- en blikkenuitreiking. Hier waren de Stewards helemaal niet tegen opgewassen.

Zie de Russen winnen op deze beelden van Henley 1954


Zorgeloos genieten van de Douro, mede dankzij Pedro, Pedro en Pedro


Een groep van 16 roeiers van de Maastrichtsche Watersportclub MWC heeft van 20 tot 25 september een tocht geroeid op de Douro in Portugal.  De organisatie en verzorging daar was in handen van Row for Fun, een groep ‘avid Douro valley explorers’, zoals ze zelf zeggen, ‘and rowing is our passion!’ Het relaas van de tocht door Josephine Knegtering.


Na een eerste kennismaking met Porto reden we per trein de 208 kilometer naar het beginpunt van onze roeitocht. Het spoor liep een groot deel parallel aan de meanderende Douro, zo konden we vast zien wat ons te wachten stond. We raakten niet uitgekeken op de prachtige vallei, de vier uur durende treinreis vloog om.

Bij aankomst op het pittoreske stationnetje van Pocinho werden we opgewacht door de eerste twee begeleiders van Row for Fun. Pedro 1 en Pedro 2 hadden die dag ‘dienst’ en hielpen ons installeren in het High Performance Sport Centre waar we de eerste dagen verbleven. Aan het eind van de middag, gelukkig was het toen wat minder warm, mochten we de 2 C-vieren en 1 coastal-2 in en begonnen we aan onze eerste 21 kilometer. Een rustig stukje waar we volop konden genieten van het ongerepte natuurschoon.

Al snel kwamen we erachter dat een team van vijf oud-wedstrijdroeiers ons steeds per tweetal, in wisselende samenstellingen, zou assisteren bij alle logistieke uitdagingen gedurende tocht. Later in de week ontmoetten we nog Pedro 3, Manuel en Louis. Stuk voor stuk sympathieke, jonge Portugezen voor wie geen moeite te veel was en die de rust wisten te bewaren op de momenten dat het wat spannender werd. Op dag 3 was er bijvoorbeeld zo’n moment. Iets met een windvlaag, een grote boei, een verbogen rigger en een los voordek en een paar pijnlijke ribben. En ondertussen ook nog panne met een van de twee bussen. Maar Pedro 1, “one problem at a time”, bleef rustig en loodste ons naar een idyllische lunchplek waar we afgeleid werden met een verrukkelijk maal met lokale specialiteiten. Ondertussen ging hij in de weer met ducttape en deelde paracetamol uit, waardoor we de roeitocht na een paar uur gelukkig konden vervolgen.

Kortom, vooral genieten en je nergens druk over maken. Elke dag een mooi stuk roeien en geschut worden in een soms best spannende sluis. Smullen van de Portugese keuken, af en toe een cultureel uitje, zoals bijvoorbeeld naar de prehistorische rotstekeningen in de Coa-vallei. En ja, we mochten ook druiven stampen.

En zo overbrugden we de 208 kilometer voor we het in de gaten hadden. Gelukkig hadden we nog een paar dagen om samen na te praten, de stad Porto en omgeving beter te leren kennen, en ook ons culinair nog eens goed te laten verwennen. We kijken terug op een onvergetelijke en vooral zorgeloze vakantie. Een aanrader!


Onvergetelijk echt roeien

OProeien toen – aflevering 49
Tekst Jan Op | 12 oktober 2021

Ik, Jan Op den Velde, 90 jaar, roeide voor Laga in de periode 1950-1954. De omstandigheden uit die jaren schets ik graag.
Vanaf OProeien toen – 1 is het een doorlopend verhaal. Via deze link vind je ze allemaal.


Naar Henley. Voor Bert, nu als coach, en mij de tweede keer. Ik herinner me eigenlijk vrijwel niets van deze reis. We zijn overgestoken uit Hoek van Holland. En uiteraard met de trein naar Henley. Hoe het transport van onze boot plaatsvond is ook uit mijn geheugen weg. We verblijven bij particulieren die gedurende voorbereidingen en tijdens de wedstrijden een (toen nog nauwelijks bekend fenomeen) B&B-onderkomen aanbieden.

Voor het eerst hebben Russische ploegen zich ingeschreven. Dat levert de nodige aandacht op. Als wij een paar dagen voor de wedstrijden ergens bij de Stewards Enclosure in onze rode hemden langs de baan zitten, komt een stelletje jochies voorzichtig dichterbij en staart ons aan. Wij moeten die Rode Russen zijn. Uit het diepste deel van onze keel: “We eat children”. Wat ze na het rennen naar huis hun ouders vertellen..?

Onze eerste wedstrijd is tegen Denen. Ze zijn per bestelwagen, met de boot op het dak (“deelbaar” bestaat nog niet) naar Henley gekomen.

Het varen hier, tweemaal per dag, is een aparte belevenis. Niet alleen door de entourage, maar ook het roeiwater. Ik móét het hier noemen: onvergetelijk écht roeien in de schemering langs de andere kant van Temple Island. Helemaal alleen. Zonder stuurman. Hoge bomen die enigszins gebukt over het water hangen. Geen geluid. Slechts het geruis van de belletjes onder de boot. En een regelmatige tik tegen de dol na het verlaten van het blad uit de bijna stille kolk. Dat zal ik nooit meer vergeten. Het “Dorado” van het Roeien. Een van de weinige keren dat ik in dat bijzondere Dorado was. Er zijn nog meer Dorado’s, maar een stuk kleiner.

Het staat gedrukt: nederlaag! Volgens de krant de “op één na sterkste” vier. Op deze baan met maar twee boeien lig je er meteen uit. Al word je in de krant bij de sterksten gerekend.

En we moeten het ook nog over de Russen hebben.