Wie zijn billen brandt…

Door Kees Verweel | 20 februari 2021

Kees Verweel (1963), actief sloeproeier sinds 1980. Woont met Silke aan de Oosterschelde in Kattendijke (Zeeland). Drie volwassen kinderen. Initiator en beheerder van www.sloeproeien.nl. Bij diverse verenigingen geroeid, eind 2019 medeoprichter van de nieuwe club Sloeproeien Zeeland waar we in de 6-riemer Seelandia roeien. Lees alle bijdragen van Kees Verweel hier.


De afgelopen weken heb ik – met tegenzin – weer wat ‘rondjes’ op mijn roeitrainer gemaakt. Binnen roeien is niet mijn ding, maar je moet toch wat in deze vele lange sloeproeiloze weken! Op de trainer zit ik uiteraard op een rolbankje, en dat is een heel andere zit dan op een doft in een sloep.

Als je voor een sloeproeiwedstrijd een rondje loopt langs de sloepen, zie je een grote diversiteit aan hulpmiddelen om het zitvlak te beschermen tijdens het roeien. Want dat is hard nodig. Door de lange slag ‘rolt’ je lijf over de doft, 30-35 keer per minuut, in een boot die afhankelijk van de weersomstandigheden ook nog eens flink kan rollen en stampen… de billen krijgen het dan zwaar te verduren.

De sloep Zeehaen op 9 mei 1986, in Harlingen voor de HT-race. Rechtsboven in het wit de auteur van deze serie veelgelezen stukken: Kees Verweel

Vroeger op de zeevaartschool trainden we in spijkerbroek met daaroverheen een katoenen korte sportbroek. Deze laatste was vooral om slijtage van de spijkerbroek te voorkomen 😉 Enkelen, de meer fanatieke sportievelingen, trainden in een trainingsbroek, maar ook hier ging een korte broek overheen, zodat je enerzijds niet van je doft kon glijden met die gladde stof van de trainingsbroeken in die tijd, en anderzijds om je trainingsbroek te beschermen tegen slijtage.

Bij wedstrijden waren de meesten present in de trainingsbroek, of in het warmere seizoen de korte sportbroek. Tegenwoordig is er volop keuze uit sportkledij, en is de fietsbroek – afhankelijk van het seizoen in lange of korte uitvoering – favoriet bij vele sloeproei(st)ers maar deze broek geeft nog steeds geen enkele garantie op ongeschonden billen. Bij een uurtje trainen lukt dit misschien nog net, maar als de training langer duurt komen er blaren. Dus naast de roeibroek kiezen de meeste sloeproei(st)ers ook nog voor een extra beschermlaag tussen doft en zitvlak. Een enkeling zit op de ‘kale’ doft, maar de meesten kiezen voor een dubbelgevouwen handdoek (daar zweer ik al 40 jaar bij), een schapenvacht, een stuk schuimrubber of de laatste jaren de populaire speciale sloeproeikussens. Alles professioneel vastgemaakt aan de doft met ducttape, spanbandjes of mooie riempjes met klittenband. Er is geen beste oplossing, de één zweert bij het schuimrubber kussen of de schapenvacht terwijl de ander deze verafschuwt omdat deze veel te warm zijn of het zweet onvoldoende afvoeren. Altijd mooi om te zien als iedereen zich aan het voorbereiden is op de wedstrijd, en het hele arsenaal van beschermingsmiddelen met tape of riempjes wordt vastgeplakt en -gesjord op de doften.

Maar zelfs de combinatie van een goede roeibroek met je favoriete ondergrond is nog niet afdoende. Bij lange wedstrijden zie je bij de voorbereiding ook vele roeiers de broek omlaag trekken om een flinke lik uierzalf aan te brengen op het edele zitvlak. En zelfs met deze ultieme voorbereiding is – zeker bij pittig weer met lekkere golven – de kans groot dat er niet alleen blaren op de handen komen, maar ook op het zitvlak! Volgens het gezegde moet je eerst domme dingen doen om daarna op de blaren te zitten, maar voor sloeproei(st)ers zijn de blaren het bewijs dat de race lang en zwaar was! Oké, er zijn mensen die sloeproeiers toch een beetje gekke mensen vinden, want wie gaat nu voor de lol de handen en billen stukroeien? Alleen sloeproeiers weten waarom! Bij mijn HT-uitrusting hoorde trouwens ook altijd babyshampoo! Staat misschien niet echt stoer bij een sloeproeier maar oh wat fijn als je ’s avonds na de HT met handen en billen vol blaren onder de douche stapt 😉

Wat zou ik graag weer eens de handen en billen stukroeien! In een sloep!!