Roeien, doel of middel

Door Feike Tibben | 11 september 2020

Feike Tibben is bestuurslid van de Koninklijke Nederlandsche Roeibond, met als portefeuille sportontwikkeling. Lees alle bijdragen van Feike hier.


Roeiers kennen het: verhitte, soort-van-principiële discussies op een ALV over wat nu belangrijker is: leden of boten. Vaak aan de orde als er geïnvesteerd moet worden in kachels, kleedkamers of kantine – excuus: sociëteit – terwijl de materiaalcommissaris in het botenplan nou net dat jaar ‘de-oude-heren-vier-op-zondagochtend’ of ‘de-nu-zij-wij-eens-aan-de-beurt-junioren’ nieuw vaarspul in het vooruitzicht had gesteld.

De groep die opkomt voor boten roept op zo’n vergadering om het hardst: ‘Zonder boten zouden we een breiclub zijn’. Beantwoord door de tweede met: ‘zonder leden zijn we een botenopslagbedrijf’. Vaak gaat zo’n discussie een rondje of twintig rituele dans door, afgesloten door de voorzitter die met wat zalvende woorden beide groepen gelijk geeft, iets murmelt over evenwicht, balans en belangrijk, verbonden door veel termen als ‘natuurlijk’, ‘vanzelfsprekend’ en ‘zorgvuldig’ en een conclusie trekt die, oh toeval, overeenkomt met het bestuursvoorstel dat op tafel ligt.

Roeiverenigingen worden opgericht met als doel om te roeien. Ik heb ze niet allemaal langsgelopen, maar ik kan me zo voorstellen dat in alle statuten van de roeiverenigingen zoiets staat als bij mijn eigen vereniging: ‘De vereniging heeft ten doel de roeisport te bevorderen en haar leden in de gelegenheid te stellen deze te beoefenen’. De roeisport is het doel, leden zijn het middel,.

Afgelopen week stond er een leuk stuk op deze site over de St Ayles skiff (in ‘onze’ termen geen skiff, het is een vierriems-sloep). De St Ayles-vereniging uit Woudrichem heeft de Elfstedentocht gevaren en daarvan deden ze verslag. Een roeivereniging uit Woudrichem? Kennen we die dan?

De vereniging is geen lid van de KNRB, maar ook – of misschien wel juist – zonder ons is daar iets heel leuks daar aan de gang. Zij zijn daar niet gestart met het idee ‘we gaan roeien’, maar met: ‘we gaan wat samen doen’. De oplettende lezer ziet het verschil: leden komen hier op de eerste plaats. Ze noemen het ‘community rowing’. Je koopt niet met z’n allen een boot, je bouwt er één! Samen wekenlang zagen, plakken, schuren, lakken en je ziet het schip onder je handen groeien. Het mooie is dat de gemeente Woudrichem dit community-rowinginitiatief heeft omarmd en alle plaatsen in de gemeente in de gelegenheid heeft gesteld zo’n boot te bouwen. En met succes: Woudrichem, Wijk en Aalburg, Werkendam, Giessen, Rijswijk. Samen honderden roeiers, allemaal met eigengebouwde boten waarin ze wedstrijden tegen elkaar varen om het gemeentelijk kampioenschap of om samen geld in te zamelen als onderdeel van de community building. Wat een lol en wat een community. Roeien is hierbij geen doel, maar middel.

En er zijn nog meer van dit soort groepen waarbij de roeisport niet het doel is, maar het middel. Agenten en mariniers die samen in de boot vechten tegen de PTSS-spoken in hun hoofd. Er lijkt een wereld te liggen tussen ons ‘roeien als sportdoel’ en hun ‘roeien als middel’. Ik denk dat het schijn is. Doel of middel, het is allemaal semantiek. Die ALV-voorzitters snappen dat wel.
Zo meteen ga ik maar even het water op… even de week uit m’n lijf trappen. En binnenkort maar eens naar Woudrichem. Je zult zien dat we mekaar begrijpen.



Hoe commercieel wil je als vereniging zijn?

Door Feike Tibben | 4 september 2020

De afgelopen weken heb ik in mijn vakantie bijdragen geleverd over verenigingsontwikkeling. Zie Vitaal verenigd, De dagen worden korter en Roeiertjes!.
En eigenlijk had ik gedacht die vakantieoverpeinzingen daarbij te kunnen laten. Maar er was één artikel dat mijn aandacht trok en dat ik jullie niet wil onthouden: Annet Tiessen, heeft bij het Sociaal Cultureel Planbureau onderzoek gedaan naar de sociale waarde van informele en commerciële sport. Heel plat gezegd was haar onderzoeksvraag: zijn het alleen de sportverenigingen waar mensen meer doen dan alleen sporten of voeren mensen bij commerciële aanbieders ook gesprekken, gaan de mensen daar ook samen activiteiten ondernemen, ontstaan daar ook vriendschappen?

Als verenigingssporters nemen we aan dat mensen die naar de sportschool of fitnessclub gaan dat primair doen vanwege hun gezondheid en niet om sociale contacten te leggen. En natuurlijk denken vooral wij als verenigingssporters dat WIJ die unieke sociale positie hebben en mensen bij sportscholen toch vooral sportzombies zijn. Bij die mening worden we flink geholpen door columns van bijvoorbeeld Paulien Cornelisse die de komjoenetie van de kom-naar-mijn-gym-Arie-Boomsma’s onder ons zorgvuldig fileert.

Maar helaas: het is nu wetenschappelijk aangetoond, ook mensen die naar fitness gaan zijn geen aso’s, ook zij hechten aan sociale aspecten. Het blijkt een gradatie. Mensen die veel sporten én mensen die vrijwilligerswerk doen, lijken het sociale meer te waarderen en hen zien we ook vaker op verenigingen. Vice versa: mensen die wat minder vaak sporten en zich even niet willen inzetten voor de sportcommunity zien we vaker bij andere aanbieders. Duh… open deur zul je zeggen. Het SCP-onderzoek laat zien dat lidmaatschap van een vereniging, of juist inschrijving bij een sportschool gebonden lijkt aan levensfases. Anders gezegd: in een tijd dat we het druk hebben lijken we te zoeken naar betaald gemak – de sportschool – en zolang of zodra we weer tijd hebben, neigen we naar meer sociaal sporten. Een kwestie van cultuur, maar vooral van tijd. Ook een open deur.

Ineens schiet het plaatje me weer te binnen van de leeftijdsopbouw bij onze roeisport: een beetje junioren, dan heel veel studenten, dan een dip tussen 25 en 45 – de carrièrejagers – en dan weer een opbloei… verdomd: het SCP-onderzoek is één op één vertaalbaar naar ons!


Wat kunnen we met dat gegeven? Moeten we de leeftijdsdip die er nu eenmaal is bij onze sport zien als een onveranderbaar feit of zouden we hiervan kunnen leren? Zouden verenigingen bijvoorbeeld in staat moeten / kunnen zijn om ‘de drukke generatie’ binnen te houden? Zouden verenigingen het durven om voor een bepaalde leeftijdsgroep of een bepaalde periode een ‘gemaks-lidmaatschap’ te introduceren? Natuurlijk, er zijn verenigingen waar je je bar- of schoonmaakdienst kunt afkopen, maar dat bedoel ik niet. Zouden we nog een stap verder durven gaan en ‘gemaksleden’ binnen de vereniging een echt commercieel tarief in rekening brengen en hen ook die maximale service willen bieden? Houden we dan leden binnen, kan het een meerwaarde zijn voor verenigingen of is het de bijl aan de wortel van wat vereniging voor ons betekent?

Ik weet dat er meningen aan beide zijden van het spectrum zijn. Maar zou het niet wat waard zijn als we dit gingen verkennen? Want wat als we nu wél die groep 25-45 meer aan ons zouden weten te binden: hoe gaaf zou dat zijn? Veel verenigingen hebben indrukwekkende indoorfaciliteiten: waarom die niet in de daluren verhuren, waarom niet ruimte bieden om commerciële bootcamps op de vereniging te houden, waarom geen kinderopvang… en wat betekent dat voor de rest van vereniging. Krijgen we scheve ogen, een tweedeling, of wordt de vereniging juist rijker en veelkleuriger?

Wie wil dit eens onderzoeken? Wie wil de kansen voor de roeigemeenschap tegen het licht houden? Kom maar opcommissarissportontwikkeling@knrb.nl


Feike Tibben is bestuurslid van de Koninklijke Nederlandsche Roeibond, met als portefeuille sportontwikkeling. Zit in z’n derde sportleven, na atletiek en wielrennen. Roeide eerst bij Hemus in Amersfoort, nu bij ‘t Diep in Steenwijk. Praat meer over sport dan dat ie zelf op het water is.
Lees alle bijdragen van Feike hier.



Roeiertjes!

Door Feike Tibben | 28 augustus 2020

roeier, roeiertje

Luierend met m’n lief aan de rivier zag ik schaatsenrijders schichtig over het water schuiven. Bloody hell, wat zijn die beesten snel als je er op gaat letten. Google erbij. Daar lees ik dat deze drijfwantsen een snelheid van meer dan 5 km/u kunnen halen. Juist ja. Die snelheid haalden de onzen beslist. Ik lees verder. Over onderzoeker Mark Denny die in 1993 met de derde wet van Newton in de hand (actie = min-reactie, nietwaar?) maar niet kon verklaren waarom deze dieren zich met een theoretisch te kleine impuls tóch kunnen verplaatsen. Grappig altijd wanneer bèta’s vastlopen in hun model. Afijn: Denny’s Paradox was geboren. Ik lees verder over de robostrider, een wat sullig ogende van een aluminiumblikje en ijzerdraadjes gefabriekte man-made schaatsenrijder. Altijd geïnteresseerd in biomimicry verdiep ik me in onderzoeken van het MIT naar de beweging van deze diertjes, tien jaar na Denny. De snelheid ontstaat, zo lees ik, niet door capillairen, maar door wervelingen dieper in het water, net als de kleine draaikolkjes die achter de bladen van een roeiriem ontstaan. De naar achteren gerichte impuls geeft het dier een voorwaarts gerichte impuls, geheel analoog aan roeien.

Bam!

Schaatsenrijders zijn helemaal geen schaatsenrijders. Het zijn roeiers! Ik heb al vaker geopperd dat roeien ‘het nieuwe schaatsen’ is. Maar daarbij dacht ik nog aan steeds zachter wordende winters en dat we daardoor steeds minder kunnen schaatsen / steeds meer kunnen roeien. Het MIT in Massachusets heeft via een heel andere benadering, namelijk dat deze schaatsenrijders eigenlijk roeiers zijn, de stelling een heel nieuwe invulling gegeven. Thank you, MIT.

Wat een middagje zwemmen niet kan veroorzaken. Nu maar wachten op de eerste club die zich ‘roeivereniging Gerridae’ noemt, zoals Wiliam Elford Leach dit dierengeslacht in 1815 betitelde of een roeiboot die ‘waterstrider’ of ‘l’araignée d’eau’ heet. Wedstrijdroeiers zullen vallen voor de eerste. Ik vind die Franse benaming werkelijk geweldig. Wat een gratie spreekt er uit.

roeier, roeiertje

Misschien ligt hier een opdracht voor ons roeiers, hoe klein en bescheiden ook. Want nu tunnels en straten andere namen zouden moeten krijgen omdat de naamgever bij nader inzien minder fraaie daden heeft verricht, nu de juridische procedures worden gevoerd omdat de namen vegetarische kipstuckjes, of vegaschnitzel misleidend zouden zijn, kortom een tijd waar het zorgvuldig benoemen van zaken gevoelig ligt: moeten wij niet zorgen dat in de nomenclatuur de benaming ‘schaatsenrijder’ wordt herschreven in: ‘roeiertje’? Deze naam lijkt me minstens even juist als sympathiek. Roeiertje past ook veel beter bij het dier: net als ons een hekel aan vorst, – meestal- een voorkeur voor glad water en ook het beeld is een beetje gelijk: dat van een romp met dunnige, zijwaartsstekende staken.

‘Roeiertje’ pas bovendien als naam prima naast ‘schrijvertjes’, die andere drijvende waterbeestjes. En ook wel zo fijn voor de roeipotigen (vogels met vliezen) dat die niet meer de enige roeiers in het dierenrijk zouden zijn. En ter inspiratie voor de diehard biologen onder ons: ‘Zilveren Roeier’ is toch een prachtige naam voor de Gerris argentatus’? En ‘Beekroeier’ een prima naam voor de Aquarius najas? En wie wil er nou niet de ‘Grote Roeier’ zeggen tegen de Aquarius paladum? Of wat te denken van de ‘Zwervende Roeier’’ als naam voor de Limnoporus rufoscutellatus? Ik zal bevooroordeeld zijn, maar ik vind het forse verbeteringen. En bovendien een prima PR voor onze sport wanneer kinderen van jongsaf roeiertjes in het water leren zien. ‘Kijk, Boris: allemaal roeiertjes op het water!’

Voel je trouwens al hoe lekker die naam ‘roeiertjes’ is na een paar keer? We spreken af: Vanaf nu blijven wij gewoon roeiertje gebruiken bij dat beest.
Schaatsenrijder.. pff, hoe hebben ze ’t kunnen bedenken.

Mocht je het willen checken: lees de artikelen achter de links!


Feike Tibben is bestuurslid van de Koninklijke Nederlandsche Roeibond, met als portefeuille sportontwikkeling. Zit in z’n derde sportleven, na atletiek en wielrennen. Roeide eerst bij Hemus in Amersfoort, nu bij ‘t Diep in Steenwijk. Praat meer over sport dan dat ie zelf op het water is.
Lees alle bijdragen van Feike hier.



De dagen worden korter

Door Feike Tibben | 21 augustus 2020

Wat me altijd opvalt als we zo eind augustus, begin september weer in ons normale ritme komen: het is net of iemand de voorbije weken stiekem de tijd heeft verdraaid. Voor de zomer hebben we oneindig lange zomeravonden, waar je rustig om acht uur of half negen nog even het water op kunt. Na de vakantie moet je opeens opletten om nog voor het donker terug te zijn. Een paar weken lang is het dan steeds meer proppen om nog aan het roeien toe te komen tussen werk en donker. En in deze coronatijden met vaste blokuren is het best lastig om nog gaatjes te vinden.

Steeds meer verenigingen lijken ervoor te kiezen om ook in het donker te varen.

Alfred Dijkstra van de commissie veiligheid van de KNRB heeft de aanpak van verschillende verenigingen op een rij gezet. Je ziet interessante verschillen die niet alleen te verklaren zijn uit verschillen in roeiwater. Ik laat er een paar de revue passeren

Er zijn heel leuke eisen. Zoals een vereniging die de meefietsende coach niet alleen verplicht tot het voeren van goede reguliere fietsverlichting (die het ook bij terugkomst in de loods moet doen!), maar deze ook opdraagt om een groen lampje mee te voeren. Ik vraag me af of er al een binnenvaartschipper hierdoor verward is geraakt en zijn schip de kade in heeft geboord.

De leukste? De eis dat het ‘alleen toegestaan is verlichting aan de boot te tapen met PVC (Heeres) tape’. Je gaat je toch afvragen wat de reden was van zo’n eis. Heeft iemand een keer de boel zo vastgemaakt dat de verlichting niet meer verwijderd kon worden? Is er een keer bij het lostrekken van de tape de hele huid meegetrokken? Vragen…

Wat levert zo’n vergelijking nou nog meer op? Er zijn verenigingen die eisen stellen aan roeiers. Dat mogen dan alleen scull2-roeiers, wedstrijdploegen of marathonroeiers zijn of het zijn ploegen met expliciete toestemming. Op de site is dan te lezen dat ‘Derozepekskes’, ‘Voortvarend’ en ‘Zonderdollen’ in het donker mogen varen. (Ik vermoed dat dat in Brabant zal zijn)

Andere verenigingen stellen juist eisen aan de stuur, in de vorm van een minimum-diploma

Weer andere stellen vooral eisen aan boten: alleen gestuurd, grotere nummers of alleen C-materiaal en wherry’s (dat zullen dan wel juist niet de wedstrijdploegen zijn)

Met of zonder coachboot, afhankelijk zijn van de grootte van het water en het al of niet aanwezig zijn van een fietspad

Zorgelijker is het verschil in eisen van kleding en verlichting: sommige verenigingen hebben geen kledingeisen, andere verplichten een wit of fluorescerend shirt. Op het gebied van verlichting is het echt bal. Een enkeling verwijst naar het BPR, maar veel vaker is er een eigen invulling, bijvoorbeeld: ‘rood licht op boeg, wit licht achterop’, of een simpel ‘goede verlichting is verplicht’. Huh?

Er lijkt een wereld te winnen in het donker.

Vitaal verenigd

Door Feike Tibben | 14 augustus 2020

Vorige week heb ik beschreven dat we naast de klassieke sportverenigingen nieuwe vormen van sporten zien ontstaan. Wat vakantie-overpeinzingen.

Als het gaat over de toekomst van verenigingen gaat het eigenlijk over vitaliteit. Hoe vitaal kunnen verenigingen naar de toekomst toe blijven. Toen wij in 2004 van Amersfoort naar Onna verhuisden duurde het niet lang of er belde iemand aan of onze kinderen geen lid wilden worden van de voetbalvereniging FDS (fit door sport) te Havelterberg, ‘want dan kunnen we één jeugdteam overeind houden’. Eén jeugdteam verenigingsbreed. Het team zou gemengd zijn in geslacht en leeftijd, jongens en meiden van ca 6 tot 13 jaar samen… tja. Hoewel de actieve benadering te prijzen was – welke vereniging gaat nog huis aan huis leden werven – zag ik er geen brood in.

Over vitaliteit van verenigingen zijn boeken vol geschreven en onderzoeken gedaan. In die boeken worden spanningsvelden beschreven die er zouden zijn tussen vrijblijvend lidmaatschap (de sportconsument) en verplichte kaderactiviteiten, tussen formele kaders en informeel organiseren, over het laveren tussen verschillende stakeholders, want de moderne vereniging heeft niet alleen te maken met leden, maar ook steeds meer met sponsoren en overheden. Partijen die eisen stellen aan prestaties en publiciteit, die graag willen dat verenigingen meedoen met JOGG-activiteiten of programma’s bieden voor bepaalde wijken. Over de ideale omvang van verenigingen: niet te klein want dan word je kwetsbaar, maar ook niet te groot want dan is er geen commitment meer. Over spanningsvelden tussen oude culturen die gericht zijn op hiërarchie en het in stand houden van de sportfamilie en nieuwelingen die kijken naar markt, snelheid en vernieuwing. Je zou door de bomen het bos niet meer zien.

Als je al die studies naar verenigingsvitaliteit op een hoop gooit zijn er op de keper beschouwd twee aspecten maatgevend: organisatiekracht (heb je intern de boel op orde, financieel, ledenopbouw, kader, etc.) en maatschappelijke oriëntatie (zie je wat er om je heen gebeurt en kun je daarop inspelen). Beide zijn even belangrijk. Mis je één van de twee, dan mis je de boot.

In de praktijkonderzoeken die zijn gedaan naar vitaliteit van verenigingen komen deze twee aspecten terug. Het bijzondere is dat deze onderzoeken niet gedaan zijn in opdracht van sportbonden – de vereniging van de sportverenigingen -, maar door gemeenten. Alkmaar, Roermond, Utrecht, Almere, Den Haag, Enschede, Rotterdam… allemaal deden ze onderzoek naar de kwaliteit van hun sportaanbieders alsof gemeenten hier meer aan hechten dan bonden. Die onderzoeken leveren interessante inzichten, maar zijn helaas niet vertaalbaar naar onze roeiwereld.
Ik zie ondertussen mooie dingen wel voorbij komen, bijvoorbeeld bij de inzendingen van de jaarlijkse bestuursbokaal, een wedstrijd voor besturen van studentenroeiverenigingen. Ik zie verenigingen die zich richten zich op gezond eten, op het actief zijn in de buurt, of die ambassadeur zijn voor een veilig sportklimaat. Het sporten, de sport is bij deze verenigingen veel meer onderdeel van een lifestyle en de vereniging een lifestyle-community. Er is een duidelijke blik naar buiten die gestuurd wordt door een sterke organisatiekracht. Maar helaas zijn er ook andere verenigingen. Klassieke verenigingen die stiller zijn, die zich vooral op eigen leden richten en op bestendiging van routines. Hoe verhouden die twee zich? Een totaalbeeld ontbreekt. Zou dat een vitaliteitsonderzoek iets zijn waar een bond zich op zou moeten richten? Zouden verenigingen bereid zijn die informatie te delen met elkaar? Dat zou wel mooi zijn. Ik denk dat het kansen zichtbaar maakt. We zouden ons hier als roeicommunity mee kunnen onderscheiden

FDS Havelterberg bestaat overigens nog steeds. Ze vieren dit jaar hun zestigjarig bestaan. Ze hebben nog één team, één veld en spelen reserve zesde klasse zaterdag. Sommige structuren kunnen gewoon niet stuk.


Feike Tibben is bestuurslid van de Koninklijke Nederlandsche Roeibond, met als portefeuille sportontwikkeling. Zit in z’n derde sportleven, na atletiek en wielrennen. Roeide eerst bij Hemus in Amersfoort, nu bij ‘t Diep in Steenwijk. Praat meer over sport dan dat ie zelf op het water is.
Lees alle bijdragen van Feike hier.



‘Bij padvinderij-te-water haak ik af’

Door Feike Tibben | 7 augustus 2020

Vorige week beschreef ik dat we naast de klassieke sportverenigingen nieuwe vormen van sporten zien ontstaan in de roeisport: de roeischool, de zelfsporter, de vriendengroep, de boat-share community Hoe moeten we die ontwikkelingen nu zien? Zijn dit bedreigingen voor verenigingen? Gooien we hiermee de roeisport te grabbel?

Zijn die andere sportvormen de nagel aan de doodskist zijn van onze unieke en bijzondere verenigingscultuur en -structuur? Sommigen denk van wel. Zij denken dat het recht op verenigen dat in 1848 bij wet werd toegestaan en heeft geleid tot zo’n 25.000(!) sportverenigingen zijn langste tijd heeft gehad. Men wijst dan op het dalend aantal sportverenigingen en het nog steeds toenemend aantal mensen die op een andere manier sporten, haalt misschien nog eens het boek van Sladek ‘The end of membership as we know it’ aan. Die hangt het principe van opgaan, blinken en verzinken aan. En helemaal ongelijk hebben ze niet. Dat het aandeel van verenigingssport op het totale sportaanbod afneemt zag je de afgelopen maanden ook in de media: het waren juist de commerciële sportaanbieders die stevig opkwamen voor de sportende mens, die in praatprogramma’s zaten, die met straat- of balkonsportprogramma’s de wijk in gingen. Daar konden we als verenigingen niet tegenop.

Anderen zien de nieuwe organisatievormen als een aanvulling, als een mooi en laagdrempelig middel om mensen tot onze sport – of überhaupt tot sporten – te verleiden. Laat ik maar gelijk bekennen: Ik behoor tot de laatste groep. Ik geloof dat er kansen liggen voor verenigingen. Niet door de plek van ‘historisch sportaanbieder’ als een verworven recht te blijven verdedigen, maar door juist onze eigen kracht te benadrukken. Wat verenigingen onderscheidt is bijvoorbeeld het collectief: we staan er samen voor. Samen draaien we de vereniging. We gingen in de lockdown dan wel niet de wijk in, maar nagenoeg álle roeiverenigingen ruimden binnen enkele dagen na sluiting hun ergoruimte uit en stelden die spullen beschikbaar aan leden. Ik ken geen sportschool die zo zorgzaam was naar klanten. Jan Willem van der Roest zei het op het roeicongres in 2019 al dat de individualistische samenleving niet betekent dat we in ons eentje willen sporten. We willen juist graag samen sporten. De kracht van verenigen heeft in dat opzicht niet aan waarde ingeboet. Maar anders dan vroeger waar het belang van eigen leden en de sociale binding tussen hen leidend was willen we tegenwoordig vooral eigen keuzes maken, minder in een keurslijf zitten van regels en instituties. Daar ligt een uitdaging.

Wat ons ook onderscheidt is de focus op de sport. Wil je echt prestaties halen dan ga je niet naar een sportschool en download je ook niet trainingsprogramma’s van internet maar sluit je je aan bij een vereniging. Juist binnen de verenigingen is ongelofelijk veel kennis aanwezig van de sport zelf. Tegelijk is dat misschien ook wel een zwakte, want waar ga je naar toe als je gewoon lekker wilt bewegen, als je lol wilt hebben of als je die perfecte haal helemaal niet interessant vindt?

Hoe kunnen we meer plezier en gemak bieden en houden we verenigingskracht in stand en gaan we prestaties niet vergeten. Kernachtig zei iemand ‘ik wil best meedenken over vernieuwen, maar bij padvinderij-te-water haak ik af’.


Feike Tibben is bestuurslid van de Koninklijke Nederlandsche Roeibond, met als portefeuille sportontwikkeling. Zit in z’n derde sportleven, na atletiek en wielrennen. Roeide eerst bij Hemus in Amersfoort, nu bij ‘t Diep in Steenwijk. Praat meer over sport dan dat ie zelf op het water is.

Lees alle bijdragen van Feike hier.



In je eentje samen sporten

Door Feike Tibben | 31 juli 2020

Roeien is een sport waarbij een roeiboot met behulp van roeiriem vooruit gestuwd wordt. De roeiers kijken tegengesteld aan de vaarrichting. De boot levert het draaipunt voor de roeiriem’, stelt Wikipedia als definitie. Kortom: achterstevoren en met een draaipunt aan de boot, dat is essentie van de roeisport.
Maar terwijl de discussie speelt of het écht roeien niet vooral 2k in een acht, een tweezonder of skiff is (marathon-, coastal, oceaan- en sloeproeien zijn in mijn ogen allemaal volle broers en zussen, neven en nichten zo u wilt, van onze familie Achterstevoren-En-Met-Een-Hefboom) speelt zich nog wat anders af. Want voor wie goed kijkt ziet dat er in de sport- en ook in de roeiwereld meer aan de hand is dan alleen die nieuwe sportvormen. Er ontstaan ook allerlei nieuwe samensport-vormen. De belangrijkste aanbieder van de roeisport zijn de 122 roeiverenigingen in Nederland. Dat is het hart van de sport. Dit coronajaar is een zwaar jaar voor alle sport, maar in algemene zin kunnen we stellen dat het goed gaat met onze verenigingen: ze groeien in aantal en in omvang. Voorzover verenigingen voor uitdagingen staan is het: hoe houden we leden vast, hoe accommoderen we instroom en hoe zorgen we dat al die sporters in ons gebouw en de vloot passen. Er staat geen roeivereniging op omvallen, dat is bij andere sporten wel anders.

Naast die verenigingen ontstaan nieuwe vormen: de roeischool, de zelfsporter, de vriendengroep, de boat-share community. Commerciële roeischolen als TopRow spreken een steeds groter wordende groep sporters aan en op steeds meer plekken. Mensen die gewoon lekker willen sporten, misschien zelf maar tijdelijk (‘ik doe een roeicursus’), en zich niet willen binden aan de verplichtingen van een groep of van een club, maar wel willen genieten van samen sporten.

En dan hebben we de zelfsporter, degene die op zolder een ergometer heeft staan en zich daar op uitleeft. Die wil nog minder verplichtingen maar sporten op een manier en een tijdstip dat hem/haar uitkomt. Als we de leveranciers van coastal boten mogen geloven is er de afgelopen maanden een nieuwe groep zelfsporters opgestaan, namelijk mensen die een eigen coastal skiff hebben gekocht en zichzelf, zonder vereniging of instructeur, de roeisport eigen maken. Die willen niet de ellende van jarenlang oefenen, die pakken een iets stabielere boot, kijken een filmpje, en leren zichzelf.

Dan hebben we de vriendengroep. In de atletiek kent men het fenomeen ‘loopgroep’: mensen die regelmatig met elkaar afspreken om een eind te gaan rennen (niet zelden met prozaïsche namen als gRunn!, Droméas, ‘03’ of de Zandloper). Geen klassieke atletiekvereniging met een tartanbaan, kogelbak en discusring, maar gewoon lichtvoetig met gelijkgestemden elke week bij een café of parkeerplaats afspreken en van daar gaan rennen. In andere sporten als de voetballerij zie je ook zulke vriendenteams, geen vereniging, geen faciliteiten of ambitie behalve gewoon lekker sporten. In de roeisport zien we voorzichtige bewegingen deze kant op: Op Roei.nu lazen over de roei-nomaden aan de Rotte en op de Vecht en ook rond Coevorden roeit een groepje. Deze groepen hebben nog geen naam en presenteren zich nog niet als collectief, maar interessant genoeg om eens te volgen.

En dan is er nog het fenomeen boat-share community. Een andere naam kon ik er niet voor bedenken, want zo zie ik Dutch Coastal Rowing. Als je lid wordt van DCR heb je geen clubhuis of eigen water en ook geen roeivereniging in de klassieke zin. De DCR-boten liggen in Harlingen en Alphen aan den Rijn en varen vooral op zee. Via een soort hotelreserveringssysteem kun je de boot reserveren. Veel meer dan in het clubhuis of de soos delen zij hun passie, het open water, via activiteiten en social media.

Hoe moeten we die ontwikkelingen nu zien? Zijn dit bedreiging voor verenigingen? Gooien we met deze ontwikkelingen uiteindelijk de roeisport of de verenigingssport te grabbel?

Als vakantielectuur lever ik de komende weken een paar beschouwingen over vitale verenigingen.

Wordt vervolgd

Regel 1 bij Dutch Coastal Rowing: reddingsvesten aan

Feike Tibben is bestuurslid van de Koninklijke Nederlandsche Roeibond, met als portefeuille sportontwikkeling. Zit in z’n derde sportleven, na atletiek en wielrennen. Roeide eerst bij Hemus in Amersfoort, nu bij ‘t Diep in Steenwijk. Praat meer over sport dan dat ie zelf op het water is.

Lees alle bijdragen van Feike hier.