Urban Rowing

Door Feike Tibben | 23 januari 2021

Feike Tibben is bestuurslid van de Koninklijke Nederlandse Roeibond, met als portefeuille innovatie en infrastructuur. Lees alle bijdragen – op persoonlijke titel – van Feike hier.


Afgelopen weken heb ik me, gestimuleerd door jongeren in mijn omgeving, met veel plezier verdiept in Urban Sports. Je weet wel Freerunning, skateboarding, BMX-en, of 3×3 basketbal, op straat, op een veldje, of in een hal. Voor mij als verenigingsman een leuke ontdekking. Urban Sport wordt totaal anders beleefd – ik omzeil hier bewust het woord ‘georganiseerd’ – dan wat ik gewend ben: geen vereniging met leden die op vaste tijden trainen, geen kaders, geen bestuur, ook geen bestuursvergaderingen of trainingsroosters, maar gave trucs, eigen verantwoordelijkheid, eigen creativiteit, saamhorigheid, vrijheid en heel veel plezier.  ‘Jaja..’, hoor ik jullie zeggen, ‘misschien leuk die vrijheid en speelsheid, maar niet bij ons.’ (….‘want onze sport vraagt volharding en discipline’, ‘want onze boten zijn zo duur en kwetsbaar’, ‘want zo kom je nooit tot prestaties’, ‘want zo zijn we niet’, want er moet structuur zijn’, ’want…. ‘ vul zelf maar in)

Maar toch… als we nog meer jongeren willen aantrekken is het misschien goed om eens te kijken naar de succesfactoren van deze nieuwe sporten. Daar is aanleiding voor: inmiddels zijn er in de grote steden meer urban sporters dan voetballers, en aantallen zijn growing.

‘Urban sports’, een uitgave van Arko Sports Media

Als je je verdiept in de kenmerken van Urban Sports ontdek je interessante dingen. Allereerst is Urban Sport a way of living. Het is meer dan bewegen. Er hoort kleding bij, kunst, dans, film, muziek. Een scene met diverse culturen en subculturen die om elkaar heen bewegen en allemaal een andere achtergrond hebben. Die achtergrond staat niet op zich, de heritage is belangrijk, weten waar je sport vandaan komt. Maar ja, wat is er dan zo nieuw dan een traditionele roeivereniging? Ook van roeien hoor je dat het geen sport is maar  ‘a way of living’. Om over kleding nog maar te zwijgen. Kijk ons zitten met onze jasjes. Filmcultuur? Die hebben wij ook! En de heritage? Duh,.. daar hebben we een heel Roeimuseum voor. Maar de overeenkomsten gaan verder. Net als bij traditionele verenigingen is de community is belangrijk: bij elkaar komen op basis van gedeelde waarden of een gedeelde style. Do-it-together. Samenwerken als de manier om dingen voor elkaar te krijgen. Tja ook dat herkennen we bij de traditionele verenigingen: we verenigen om samen voor elkaar te krijgen wat in ons eentje niet lukt.

Verschillen zijn er natuurlijk ook. Het belangrijkste wat mij betreft: het open karakter: Meer dan bij de traditionele sporten bepaalt de sporter zelf hoe die sport, welk nieuws die wil leren en van wie. Experimenteren, proberen en mislukken horen bij Urban Sports. De communities zijn best hecht, maar ook heel open. Iedereen doet mee en voor iedereen is er plek. Je hoeft geen lid te worden, maar je gaat gewoon naar een faciliteit toe, zoekt een peer group en doet mee: ‘laat maar zien wat je kunt’.  Spannend? Natuurlijk! Zeker spannend voor ons in de meer traditionele sport. Daar willen we juist steeds meer eisen, diploma’s, verklaringen en programma’s en is er weinig ruimte om te experimenteren of af te wijken.

Maar zou het niet leuk zijn als we meer ontdek- en fun-elementen kunnen toevoegen aan de sport. Zou het niet inspirerend zijn als we bijvoorbeeld jongeren zelf meer verantwoordelijkheid geven. Urban Sports laten zien dat het kan: jongeren bepalen zelf of ze een trick of move willen leren of durven proberen. Voorzichtige stapjes zetten we als roeibond, bijv door verenigingen te simuleren om junioren meer ruimte te geven (een eigen programma en eigen budget voor de juniorencommissie), en junioren de mogelijkheid te geven om zelf te coachen , niet via een ingewikkeld diploma-systeem maar eenvoudig, laagdrempelig en online (natuurlijk). Maar er is vast nog veel mogelijk om nog veel meer jongeren aan te spreken. Waar zijn we bang voor?

Jaloers kijk ik naar de wielerbond, de skateboardfederatie, de basketbalbond en de turnbond die elementen van Urban Sport in hun beleid hebben opgenomen. Maar zo hoog over hoeft het niet: Ga als vereniging eens een middagje kijken bij Urban-Sportaanbieders in de buurt en kijk wat daar gebeurt en wat je daarvan mee zou kunnen nemen naar de eigen vereniging.

Ik nodig jullie uit te gaan kijken bij Pier15 in Breda, Dynamo in Eindhoven, Commonground in Arnhem, Skateland in Rotterdam, of ga eens de Urbansportweek in Amsterdam bezoeken, of ga gewoon eens naar een urban aanbieder in je omgeving.

Feel the vibe!

Professionals? Vrijwilligers!

Door Feike Tibben | 14 januari 2021

Feike Tibben is bestuurslid van de Koninklijke Nederlandse Roeibond, met als portefeuille innovatie en infrastructuur. Lees alle bijdragen – op persoonlijke titel – van Feike hier.


Mijn laatste bijdrage van 2021 ging over sportvrijwilligers. Dat we in Nederland vrijwilligersland no 1 zijn, en hoe raar het is dat op het woord vrijwilliger soms negatief wordt gereageerd.

Voor ons als sport is een goed vrijwilligersleger van wezenlijk belang, dat weten we maar al te goed van onze eigen verenigingen. Het is raar dat op het woord vrijwilliger soms negatief wordt gereageerd, maar misschien zijn we wel toe aan een herijking van de term.  Het hardnekkige beeld van de eeuwige clubicoon die de hele dag rond de club hangt klopt al lang niet meer.
Een studie van het Verwey Jonker Instituut noemt vier typen vrijwilligers: de dienstverlener, de regelaar, de stimulator en de ondernemer. Ik denk dat we in deze typologie allemaal wel vrijwilligers kennen. Met ‘one size fits all’ doen we vrijwilligers te kort. De moderne vrijwilliger wil een duidelijke opdracht, heldere taken, waardering. Modern vrijwilligersmanagement vraagt meer dan alleen een oproep doen op de site of het verenigingsblaadje ‘wie wil…?’  vul maar in.

Modern vrijwilligersmanagement wordt steeds meer een vak. Een vak met een eigen platform (www.vrijwilligerwerk.nl met prachtige voorbeelden, kijk er eens op!) en een heuse vrijwilligershoogleraar. Goed dat we dat en die hebben want we staan best voor een stevige uitdaging: We stellen als sporters meer eisen aan onze sportieve omgeving. We willen deskundige trainers, verantwoorde begeleiding en spullen die beschikbaar en in orde zijn. We gaan sport steeds meer als een noodzakelijke voorziening zien en sportend Nederland wil het aantal sporters omhoog brengen van 50% nu naar 75% in 2030.  Bij die ambitie steekt onze bondsdoelstelling – 15.000 roeiers erbij in 2030 – maar bleekjes af. Al die groei- en verbeterontwikkelingen maken dat we er niet aan ontkomen onze verenigingen te professionaliseren. Dat betekent niet dat dat verenigingen uiteindelijk worden bestierd door betaalde krachten. Wel betekent het dat er een uitdaging ligt om deskundigheid van de ondernemende, stimulerende, regelende en dienstverlenende vrijwilligers te vergroten.

In veel vakliteratuur over sport en vrijwilligerswerk is de ontwikkeling die ik hierboven schets te lezen. Toch zie ik nog maar weinig verenigingen de professionaliseringsstap maken. Wel verklaarbaar: Als sport zijn we gewend zelf onze broek op te houden en zelf zaken te regelen. Dat is onze kracht en zo zijn we groot geworden. Kwaliteitskaders zijn er maar weinig. En als ze er zijn hebben we die vaak zelf, op onze eigen manier, vormgegeven. En wie maken over het algemeen zulke kaders? Precies: diezelfde vrijwilligers. En zo is de cirkel weer rond.

Zou het geen mooie uitdaging zijn om zonder onze geschiedenis en de kracht van verenigingen te verloochenen, de kwaliteit van ons vrijwilligerscorps en de kwaliteit van ons vrijwilligersmanagement omhoog te brengen? Veel onderzoeken laten zien dat door vrijwilligers serieus te nemen, eisen te stellen, hen de gelegenheid te bieden door bijvoorbeeld opleiding ook aan die eisen te kunnen voldoen en die te belonen en waarderen, lol en waardering toenemen en vrijwilligers niet – wat velen denken – eerder afhaken, maar juist langer betrokken blijven. 
De vrijwillige ondernemer, de  vrijwillige stimulator, de vrijwillige regelaar en de vrijwillige dienstverlener worden zo op maat bediend. Als roeibond – de vereniging van roeiverenigingen – pakken we de handschoen op. Ook wij hebben immers tal van vrijwilligers, als lid van commissies, als kamprechter, of als motorbootkapitein. Sinds de ALV van 20 november hebben we in de persoon van IJsbrand Haagsma een bestuurslid opleidingen en vrijwilligersbeleid. Er ligt een mooie opgave. Welke vereniging volgt?

Vrijwilligers

Door Feike Tibben | 31 december 2021

Feike Tibben is bestuurslid van de Koninklijke Nederlandse Roeibond, met als portefeuille sportontwikkeling. Lees alle bijdragen – op persoonlijke titel – van Feike hier.


Op de een of andere manier was het de afgelopen weken druk rond het woord ‘vrijwilliger’. Of het nu door de verkiezing vrijwilliger van het jaar kwam of dat het een soort nasleepdiscussie was van het voorstel om eisen te stellen aan coaches, maar in één keer dook het op:

‘Tss ik ben coach, geen vrijwilliger: vrijwilligers zetten koffie in de bar en vegen de loods aan’
‘Je bent lid en onderneemt… alsof het (je inzetten op de vereniging, FT) gedwongen is. Vrijwilliger klinkt sukkelig.’

Zo maar twee reacties die mondeling via de juniorencommissie en digitaal op social media langskwamen. En er waren er meer. Bottom line: ‘Ik wil geen vrijwilliger genoemd worden. Dat is suf. Ik heb meer in mijn mars.’ Ik moest er even aan wennen. Ik had het nog nooit zo gezien. In mijn perceptie zegt vrijwilliger niets over niveau, deskundigheid, betrokkenheid,  betrouwbaarheid, of organisatieniveau alleen iets over financiële vergoeding. Van een vrijwilliger verwacht ik dat deze even dedicated en deskundig is als een betaalde kracht op dezelfde plek. Voor mij is er ook geen principieel verschil in hiërarchie. Er zijn professionals die vrijwilligers aansturen, maar er zijn ook vrijwilligers verantwoordelijk zijn voor professionals. Als bestuur weten we niet anders. Wij zijn per slot ook vrijwilligers. U kent het: ‘vrijwillig, niet vrijblijvend’.

Als Nederland slaan we ons zelf graag op de borst dat we vrijwilligersland No 1 zijn. ‘Van de Nederlandse bevolking boven de 15 jaar heeft 46,7% minimaal één keer vrijwilligerswerk gedaan in 2019’ staat te lezen op de site vrijwilligerswerk.nl. Bijna de helft! Met een gemiddelde inzet van ruim 4 uur per week zijn dat over de duim ruim 40.000 voltijdbanen. Bij een modaal inkomen een loonwaarde van 1,5 miljard euro.

Generatiedingetje?

Naast deze trots op onze toppositie hoor je nog wel eens dat het zijn van vrijwilliger een generatiedingetje zou zijn. Moderne vrijwilligers zouden geen life-time commitment meer hebben, primadonnas zijn die meer verleid moeten worden met leuke, afgebakende klussen. Daar zit wat in. Het aantal vrijwilligers en ook de inzet per vrijwilliger daalt ieder jaar een klein beetje. Maar is de moderne vrijwilliger inderdaad zo veeleisend en hard-to-get? Als ik kijk naar de drie kijk die dit jaar in de roeisport genomineerd zijn voor vrijwilliger van het jaar dan valt op dat ze jong zijn. Hoezo zou vrijwilliger een generatiedingetje zijn? Verder zie ik geen dwang of hoog koffiezet- en loodsveeggehalte (wat is daar overigens mis mee). Ik zie bij Mats van Slooten van De Hunze, Janine Vermeij van Tubantia en Lotte Burgers van Skøll naast een opsomming van inhoudelijke taken als opknappen van boten, juniorenopvang of verenigingsbranding en social media strategie, teksten als: ‘gewilde stuur die zorgt voor fijne sfeer’, ‘motiveert, stimuleert en organiseert, en geeft niet op als corona het een beetje moeilijker maakt’ en ‘altijd bereid iedereen te helpen’.  De waardering die uit de nominatie spreekt gaat verder dan de kwaliteit of de hoeveelheid werk die wordt verzet. Er is ook duidelijk waardering voor de bijna onzichtbare sociale, bindende rol die zij vervullen in de vereniging. Erkenning, Herkenning, Waardering en Beloning.

Modern burgerschap

Maar dan even terug naar het ongemak met het woord vrijwilliger, waar te weinig waardering uit zou spreken. Zou een andere naam, een waar meer waardering uit spreekt, helpen? Misschien. Ik geloof er niet zo in .Maar misschien helpt het ook om het begrip vrijwilliger anders te laden. Vrijwilligerswerk gekoppeld aan modern burgerschap, je inzetten voor je omgeving, de maatschappij waar je deel van uitmaakt. Hoezo sukkelig? Vrijwilligers zijn de idealisten, de ambassadeurs en de frontsoldaten van het verenigingsleven.


Nieuwe leden zijn geen probleem, ze zijn de bron

Door Feike Tibben | 26 september 2021

Feike Tibben is bestuurslid van de Koninklijke Nederlandse Roeibond, met als portefeuille sportontwikkeling. Lees alle bijdragen – op persoonlijke titel – van Feike hier.


Afgelopen week was ik op de Driewerf, op bezoek bij de drie Utrechtse roeiverenigingen, Orca, Triton en Viking. Ik was daar nog niet zo vaak door de week en zeker niet in september. Wat een potje met pieren! In de gym, de kantines, de kleedkamers, de botenloodsen en op het water: overal roeiers! ‘blijft volle bak hè, tweeduizend roeiers bergen op één locatie’, legde ik één van de verenigingsmensen voor. ‘’Tweeduizend? Tsss, dit zijn de drukste weken. Ik denk dat we tegen de drieduizend roeiers zitten op dit moment’, overklaste hij me. Ik had ’t kunnen weten. De landelijke media schreven het al: ‘Studentenverenigingen zij ongekend populair’.

Waarom het studentenroeien zo populair is weten we wel: de combinatie van sporten en verenigingsleven, van indoor en outdoor (dat scheelt weer een sportschoolabonnement), de mogelijkheid om je de sport snel eigen te maken en succes te hebben.

Maar minstens zo interessant is: hoe doen ze dat? Hoe krijgen ze die giga-instroom ieder jaar weggezet? Want waar het de studentenverenigingen lukt om de instroommassa soepel te stroomlijnen zien we bij algemene verenigingen toch te vaak een ander beeld: een beeld van wachtlijsten, van een tekort aan coaches en tekort aan instructeurs. ‘We hebben over het algemeen een wachtlijst van zo’n 100 personen, tegen de tijd dat we die gaan bellen voor een nieuwe instructieronde blijken er 75 inmiddels een andere sport te hebben gekozen’, zei laatst een clubbestuurder tegen me. Het klonk wat beschuldigend naar de wachtlijstmensen. Alsof zij onvoldoende trouw waren aan de club waarvoor zij zich hadden aangemeld. Maar ja, wat kun je verwachten als de vereniging belangstellenden zo lang laat wachten. Als je in de winkel te lang moet wachten voor je aan de beurt bent, verkas je toch ook naar een andere rij?

Zouden we dat mechanisme kunnen doorbreken? Zouden algemene verenigingen kunnen leren van studentenroeiclubs?  Saskia Grootens van het Mulierinstituut heeft dit voor haar studie Sportbeleid en Management onderzocht[1]. En als ik haar onderzoek in mijn eigen woorden samenvat dan stelt ze dat het de kracht van de studentenverenigingen is dat nieuwe leden worden ontvangen als vertegenwoordigers van de vereniging van morgen, niet als bezoekers van de vereniging van vandaag. Of nog iets scherper: hoe beter nieuwe leden de rol van nieuwe cultuurdragers, kartrekkers en ambassadeurs van de vereniging krijgen, hoe meer ze blijven hangen en hoe beter de vereniging wordt.  Een interessante conclusie. Natuurlijk is het zo dat bij een studentenroeivereniging de omloopsnelheid veel hoger is dan bij een algemene vereniging en dus ook het belang van een tijdige opvolging veel groter is, maar ook bij een algemene vereniging is steeds meer sprake van een grotere dynamiek. Het gemiddelde verenigingslid is vandaag de dag echt korter verbonden aan de vereniging dan vroeger. 

Maar hoe doe je dat terwijl je tegelijkertijd de tradities, kwaliteit en cultuur óók wilt behouden zodat ook de bestaande leden zich thuis blijven voelen. Saskia geeft er in haar onderzoek vijf ingrediënten voor:

  1. Zorg dat nieuwe leden groepservaringen opdoen. Organiseer nieuwkomerswedstrijden, -borrels en gezamenlijke trainingsmomenten op de vereniging.
  2. Wijs een vaste mentor aan die nieuwelingen wegwijs maakt en op sleeptouw neemt.
  3. Leer nieuwkomers ook hoe de club werkt. Vertel over vrijwilligerswerk, botenonderhoud, afstellen, bestuur, of instructie en geef de nieuwelingen ook een plek hierin (geef ze ook snel positie en verantwoordelijkheid).  
  4. Neem 1 t/m 3 op in een vast nieuwkomersprogramma.
  5. Vraag feedback en evalueer.

Eerlijk gezegd weet ik niet of we het daarmee redden, of we daarmee bijvoorbeeld een tekort aan instructeurs in één keer kunnen oplossen. Maar het zien van nieuwe leden als ‘de nieuwe generatie’, of ‘de vereniging van morgen’ die zouden kunnen helpen met de uitdagingen van vandaag vind ik een interessante gedachte.

Hans Maarten van de Brink maakte in ‘Over het water’ ooit de vergelijking dat je een vereniging zou kunnen zien als een rivier: de loop verandert mondjesmaat en blijft vertrouwd en herkenbaar. Maar het water (de leden) ververst continu. Precies: nieuwe leden zijn geen probleem, ze zijn de bron.  


[1] ‘Organisatiesocialisatie in studentensportverenigingen. Een onderzoek naar bewuste en onbewuste inzet van socialisatietactieken binnen de studentensportverenigingen’, masterscriptie, Universiteit Utrecht.

Top- en breedtesport hebben elkaar nodig

Door Feike Tibben | 9 september 2021

Feike Tibben is bestuurslid van de Koninklijke Nederlandse Roeibond, met als portefeuille sportontwikkeling. Lees alle bijdragen – op persoonlijke titel – van Feike hier.


Mijn roeigedachten over impact van top- op breedtesport en vice versa van een paar weken geleden heeft wel wat in beweging gezet. Sommigen vonden me te afstandelijk: ik zou meer enthousiasme en bewondering naar de prestaties van ‘onze jongens en meiden’ moeten tonen. Anderen waren het echt oneens met de onderzoeksuitkomst – dat het Epke-, Ankie- of Dafne-effect niet bestaat – en vonden dat topsport juist wél inspireert en leidt tot meer sportdeelname en meer sportplezier.
Tegen de eerste groep zeg ik: natuurlijk is sport emotie. Graag zelfs, kom maar op! Ik kom daar binnenkort graag nog eens op terug.
En ook de tweede groep heeft een beetje gelijk: natuurlijk zijn er mensen die, geïnspireerd door sportprestaties, zelf gaan sporten. Maar ja, daartegenover staan weer anderen die geïntimideerd raken door toppers (‘dat lukt mij nooit’) en afhaken. Grosso modo, zo tonen sport-onderzoeken steeds maar weer aan, hebben prestaties van toppers weinig impact op het aantal sporters. Vice versa is ook niet waar, zei ik vorige keer al: een sterke breedtesport leidt niet per se tot meer medailles aan de top. Al met al zou dat voor sommigen leiden tot een wat kille of ontluisterende conclusie: Zijn top- en breedtesport dan gescheiden werelden, is er dan geen interactie?

Als we terug kijken in de tijd dan waren top- en breedtesport vroeger stevig aan elkaar verbonden. Topsporters, dat waren de helden op je club, die liepen in hetzelfde(!) tenue als jij, die kwamen op een clubavond vertellen van verre reizen en bijzondere prestaties. Toppers zag je af en toe ‘zomaar’ in je dorp of stad en als actief clubgenoot kreeg van hen je soms – wat een eer! – een bijzondere training.

Dat romantische beeld ligt ver achter ons. De moderne topsport verdraagt zich maar moeilijk met verenigingsactiviteiten. De moderne topsport vraagt faciliteiten, trainers, programma’s, hoogtestages, zorgvuldig pieken en is bovendien veel meer internationaal dan nationaal georiënteerd. Die beweging is universeel. Of het nu gaat om voetbal, tennis, wielrennen en ja ook onze eigen sport: toppers spelen op een ander speelveld dan wij.

Maar dat is maar één kant van het verhaal. Aan de breedtesportkant schuift en beweegt er ook van alles. Was vroeger het beoefenen van sport beperkt tot het veld of de zaal van de vereniging, tegenwoordig is sport overal. Overal rennen, wandelen, bootcampen mensen, in groepjes of alleen, commercieel, georganiseerd, of spontaan. En passant wordt daarbij de term ‘sport’ flink opgerekt. Wat vroeger een ommetje was heet nu workout, en termen als recreatiesport en beweegsport (eeks!) sluipen in ons taalgebruik. Breedtesport wordt zo wel heel breed.

De top wordt steeds hoger, de breedtesport steeds breder. Voeg je beide ontwikkelingen samen, dan zie je dat top- en breedtesport, die van oorsprong aan elkaar verbonden waren, van elkaar vandaan bewegen. Is dat erg? Ik hoor het antwoord al: ‘Zo lang we medailles halen is het toch goed’  of ‘Zo lang onze sport groeit kunnen we toch tevreden zijn’? Ik denk dat dat een te beperkte blik is. Bovendien behoorlijk zelfgenoegzaam en dat is altijd gevaarlijk, weten we maar al te goed uit de sport. Ik denk dat er een gevaar in schuilt wanneer we top- en breedtesport uit elkaar laten groeien. Laat ik een poging doen.

Allereerst is topsport gebaat bij breedtesport. Om de meest voor de hand liggende bate maar eerst te pakken: breedtesport is kweekvijver van nieuw talent. Dat zal iedereen herkennen. We kennen allemaal verhalen van kampioenen van nu die hun basis diep in de provincie hebben of op een of ander achteraf-knollenveld. Maar er zijn meer baten: breedtesport is ook belangrijk als vernieuwer van sport. Nieuwe sport- en spelvormen ontstaan aan de basis, waar belangen nog niet zo groot zijn en er ruimte is voor experimenteren. Kijk naar het coastal roeien, ontstaan in de luwte, verbeterd en nu op weg naar topsport-status.
En om te besluiten met twee praktische impacts: breedtesport is een grote en de meest trouwe financier van topsport. Het zijn sportende leden die de nationale equipes ondersteunen. Dat geldt heus niet alleen voor minder betaalde sporten als roeien, korfbal of turnen. Ook het Nederlands voetbalelftal wordt gefinancierd door de leden, Het echte oranjelegioen, dat zijn de 1,2 miljoen KNVB-leden: de F-jes, 5e klasse zaterdagamateurs en de voetballers van district west 1 die afdragen aan de bond. Tot slot, we vergeten het soms te gemakkelijk, is breedtesport belangrijk voor sponsoren. De andere sporters zijn de meest makkelijke en meest zichtbare doelgroep voor sponsoren. Sporters kijken immers sport, lezen over sport, gaan naar toernooien, kopen merchandise, etc.

Breedtesport op zijn beurt heeft ook topsport nodig. Het ontmoeten van toppers (topsporters, topcoaches) blijkt steeds weer een belangrijke inspiratie voor de breedtesporters van nu. Hun kennis, lol, ambitie, verhalen en voorbeelden blijven een rijke voedingsbron. Ik hoor verhalen van verenigingen waar één demonstratie van een olympische ploeg nog jaren doorgonst op de club. Ik hoor van ploegen die door een paar gerichte top-trainingen opeens next level sporten. Coaches die het stoer vinden om mee te kijken bij een topcoach (doe dat!). En van meer recenter datum: hoe prachtig was het om te zien hoe onze junioren op de DYIR groeiden, alleen al door naast een ANRT-roeier te mogen staan. En ik kan me vergissen, maar volgens mij was bij al deze voorbeelden het plezier geheel wederzijds. In zulke ontmoetingen liggen mooie kansen om onze verenigingen leuker te maken, sporters meer plezier te geven en de trots op onze sport te laten groeien. Goed voor verenigingen én voor de top.

Top- en breedtesport hebben elkaar nodig, ook in de toekomst. In het verstevigen van die binding liggen uitdagende kansen!

Nog niet uitgegroeid

Door Feike Tibben | 7 mei 2021

Feike Tibben is bestuurslid van de Koninklijke Nederlandse Roeibond, met als portefeuille sportontwikkeling. Lees alle bijdragen – op persoonlijke titel – van Feike hier.


De olympische vlam is nog niet gedoofd of de inspiratiebetogen komen weer naar boven. Sporters zouden door hun bovenmenselijke prestaties anderen inspireren om ook te gaan sporten. Ik heb niet alle huldigingen gevolgd, maar ik kan me een aantal gloedvolle toespraken voorstellen waarbij woorden van gelijke strekking zijn uitgestrooid.

Nu wil ik geen spelbederver zijn (ook ik heb genoten), maar was het maar zo simpel. De mythe van het “trickle down”, of inspiratie-effect, dat door topsport een sport groeit, is al in de jaren negentig doorgeprikt door Maarten van Bottenburg en daarna nog vaak bevestigd: het Ard en Keessie-effect, Dafne-effect, Epke-effect of Annemiek-effect, de impact van de oranjeleeuwinnen… Helaas, het is er niet. Het aantal leden van de atletiekunie daalt al bijna tien jaar en bij de wielerbond en de turnbond is het ondanks de successen niet veel beter. Soms worden na prestaties kleine effectjes gevonden, maar nooit groot of duurzaam. Het olympisch goud van Rienks en Florijn werd bijvoorbeeld gewonnen in een periode waarin onze sport groeide, maar na de titel trad geen extra groei op. Is er dan echt nooit impact? Toch wel. Een paar keer in de geschiedenis door succes een keerpunt in de sport te zien (met dank aan www.allesoversport.nl):

  • Hockey in 1928: De mannen van de Nederlandse hockeyploeg halen de olympische finale. Daarna stijgt het aantal nieuwe verenigingen in Nederland gedurende een aantal jaren met meer dan 13 per jaar.
  • Schaken in 1936: Max Euwe wint de wereldtitel. In de vijf jaar daarna groeit het aantal schaakclubs met meer dan 300.
  • Judo in de jaren zestig: Anton Geesink wint in 1961 de wereldtitel en in 1964 de olympische titel. Het aantal judoverenigingen groeit in zeven jaar tijd van 36 naar 110.
  • Darts in 1998 en 1999: Na de successen van Raymond van Barneveld verdubbelt het aantal darters in 10 jaar tijd.

De rode draad hierbij lijkt te zijn dat het plotselinge succes ervoor zorgt dat een kleine, tot dan toe weinig zichtbare sport bij het grote publiek bekend wordt en er tegelijkertijd in snel tempo een infrastructuur uit de grond wordt gestampt waardoor de sport toegankelijk en bereikbaar wordt voor een grote groep. Bij de al bekende sporten is zo’n ‘ontdekkings-effect’ er niet. Vóór Ard en Keessie kende iedereen het schaatsen, vóór Dafne zagen we al sporadische successen in de atletiek, en ook vóór Epke luisterden we al naar Hans van Zetten.

Voor de breedtesporter die nu handenwrijvend maar denkt dat we juist moeten investeren in breedtesport om topprestaties te bereiken: helaas, het “trickle-up effect” is al even beperkt. De meeste topsporters komen weliswaar voort uit de breedtesport, maar een brede basis van sportparticipatie blijkt geen garantie op sportief succes. Landen met een grote sportpopulatie zijn soms verrassend weinig succesvol zijn én andersom.

Hoe kunnen we als sport dan wel steeds succesvol zijn in aantallen en prestaties? Laat ik een poging doen: allereerst door te zorgen dat sport bereikbaar is. Goede en betaalbare voorzieningen waar je kunt sporten, dicht in de buurt. Als roeisport hebben we daarin nog wat stappen te zetten. We hebben maar 123 roeilocaties in het land.

Behalve veelheid aan accommodaties is een ook een spreiding aan aanbieders en het beschikken over meerdere sportvormen gewenst. Zorgen dat mensen een manier van sporten kunnen vinden die bij hen past. Misschien kan een commerciële sportaanbieder een uitkomst zijn voor wie een vereniging te verplichtend vindt of past bij een ander beter het iets ruigere coastal of het sloeproeien dan het aloude glijden op vlak water. Een breed aanbod draagt bij aan een grotere deelname.

Gaan we dan niet de focus op prestaties verliezen, wordt de soep dan niet te dun met al die nieuwe sportvormen, al die verschillende soorten aanbieders en ook nog eens sporten op teveel locaties?  Ik geloof het niet. Kijk bijvoorbeeld eens naar de successen van de baanwielrenners: op een paar na komen die allemaal uit de ‘Bicycle motocross’ (BMX). Wie in de jaren zeventig zou hebben gekeken naar de film On any sunday kon niet bedenken dat het raggen op kinderfietsjes vijftig jaar later zou leiden tot olympisch baansucces. Of zie eens de resultaten van onze shorttrackers of skeeleraars bij het schaatsen: beide sportvormen werden eerst vooral gezien als manier om aan je bochten te werken of de zomer te overbruggen, maar zorgen inmiddels voor interessante cross-overs en klinkende resultaten. Zomaar een paar willekeurige voorbeelden hoe sportontwikkeling bijdraagt tot prestaties. Het gaat er om dat we veel mensen aanspreken, hen de gelegenheid en plezier bieden om te sporten en tegelijkertijd een structuur hebben om de talenten die er op al die plekken zijn, te ontdekken en hen de gelegenheid geven tot rijpen. Dat is een stuk weerbarstiger en minder romantisch dan het simpele ‘inspiratie voor allen’, maar niet minder leuk en minstens zo verrassend. En hey: We zijn nog lang niet uitgegroeid.

Het jaar voorbij

Door Feike Tibben | 7 mei 2021

Feike Tibben is bestuurslid van de Koninklijke Nederlandse Roeibond, met als portefeuille sportontwikkeling. Lees alle bijdragen – op persoonlijke titel – van Feike hier.


Het afgelopen jaar heb ik wekelijks een column geleverd aan Roei.nu. Ik heb hierin geprobeerd jullie mee te nemen in wat er zoal omgaat in dat KNRB-bestuur en de diverse commissies en heb inzichten en ontwikkelingen op sportgebied met jullie gedeeld. Mijn insteek was daarbij om sporters, sportkader en sportbestuurders te motiveren en uit te dagen om nieuwe wegen in te slaan, de sport te blijven innoveren en nieuwe groepen aan te laten haken. Mijn bestuursportefeuille heet immers niet voor niets ‘sportontwikkeling’.  Soms ben ik daarbij op wat tenen gaan staan of heb ik tegen schenen aangeschopt, dat moeten jullie me maar vergeven. Alles voor de goede zaak.

We zijn nu het jaar voorbij, een periode van wekelijkse stukjes sluit ik vandaag af. Het is weer tijd om ruimte te maken voor andere roeibestuurszaken.

In deze laatste bijdrage wil ik eens een blik geven op mijn portefeuille: hoe innovatief zijn we nu eigenlijk als roeisport. Ik krijg nogal eens het verwijt – zowel van binnen als van buiten de roeisport: ‘die roeisport, jullie houden maar vast aan tradities ontwikkelen totaal niet mee’ of het wat meer gevatte ‘jullie missen de boot’. 

Nu wil ik niet zeggen dat ik helemaal tevreden ben over de ontwikkeling van de sport, ‘dat mag wel een stukje sneller, breder, innovatiever ’ zegt mijn ongedurige inborst.  Ik zie nog veel verenigingen focussen op het afdraaien van jaarlijkse riten. Verenigingen die moeilijk uit de corona-stand komen en blijven focussen op wat niet kan. Ik zie ook hoe lastig het is om nieuwe groepen te binden aan de club. Ik maak me echt zorgen om het aantal junioren. Dat gaat nog steeds niet goed. Daar moeten echt 1, 2, nou doe maar 7, tandjes bij.

Maar gelukkig zie ik ook veel verenigingen die nieuwe dingen doen, ontwikkelen, leren, samenwerken. Zo maar wat voorbeelden (en excuus voor iedereen die niet genoemd is):

Bij roeivereniging Breda lenen ze SUP-boards uit aan ouders van roei-junioren, waardoor deze actief de tijd kunnen doden en langzaam ook verbonden worden aan de vereniging. Mooie service! Bij roeivereniging Gouda gaan ze nog een stap verder met die sup’s. Daar hadden ze al edonskiffs (check ‘t filmpje, zo heb je nog nooit iemand in een roeiboot zien stappen!) maar nu gaan ze naast roeien en zeilen ook suppen aanbieden. Kijk maar!

Nieuwe verenigingen als RV Harder en Dutch Coastal Rowing introduceren nieuwe lidmaatschapsvormen, waarbij mensen die maar af en toe bij deze clubs willen roeien makkelijk kunnen instappen. Iets vergelijkbaars biedt ook RV De Waal uit Nijmegen. Zij bieden sporters van andere verenigingen indoorfaciliteiten. Die andere sporters hoeven zo niet naar een dure sportschool, RV De Waal krijgt extra inkomsten. Een win-winst-situatie.

De Amsterdamse algemene verenigingen De Hoop, Willem III, RIC en De Amstel gaan samen met steun van NOC*NSF de website ikwilroeien.amsterdam.nl opzetten. Alle verenigingen bieden via die weg junioren een maand intro aan. Wat een mooi samenwerkingsinitiatief!

Samenwerken met anderen doen ze ook in Eindhoven. Daar bieden roeivereniging Beatrix en Theta.  Beta-roeien aan: junioren worden begeleid door studenten. Zo kan de algemene vereniging héél veel nieuwe leden opvangen.

Roeiverenigingen De Laak en Pelargos, nu nog geen buren, hebben samen het initiatief genomen om Roeicentrum De Binckhorst op te zetten en zo het roeien in de Haag een sprong voorwaarts bieden. En wat te denken aan al die initiatieven van verenigingen om maatschappelijk actief te zijn en zo de vereniging op de kaart zetten. Bijvoorbeeld roeiverenigingen De Grift, CornelisTromp, Hemus, Aeneas, TOR en Aross   die jaarlijks het zwerfvuil rond hun vaarwater opruimen.

Of verenigingen als Pelargos die een flink deel van de inkomsten van de Hofvijverregatta aan goede doelen schenkt, Theta dat op dit moment hartjes fietst voor de Hartstichting.

En meer voor verenigingen zelf: niet nieuw, maar wel vernieuwend: opleidingen openstellen voor andere verenigingen zoals Nautilus doet met de cursus roeien op stromend water. Misschien zijn er wel meer service-initiatieven te bedenken.

Roeivereniging De Hunze uit Groningen servicet de eigen leden door ketencoaching, iedereen leert beter roeien, en roeiers van verschillende niveaus worden aan elkaar verbonden. Een mooi initiatief om leden te verenigen. Kan zó elders worden opgepakt!

De Nederlandse sportraad roept ons op te innoveren. Andere vormen van binding te verkennen. De sporter meer centraal stellen en de sport minder’ schreef ik twee weken geleden. Een collega-bestuurslid mopperde eerder daarover ‘mag de sport ook alsjeblieft sport blijven?’
Zeker!

Ik verwacht ook niet dat we ons als sportverenigingen en masse inschrijven op het ‘steunpakket sociaal en mentaal welzijn ten behoeve van de jeugd, ontmoeting en begeleiding van kwetsbare groepen en bevordering gezonde leefstijl’. Dat is inderdaad een flinke stap te ver. Schoenmaker blijf bij je leest. Tegelijkertijd zien we echter dat behoeften van sporters veranderen en ook de positie van sport verandert. Er zijn bovendien meer aanbieders, meer sporters. Dat maakt onze omgeving anders. Het is óók aan ons om daarop in te spelen.

De tijd staat niet stil. We mogen meebewegen. We zijn een sport, geen museum.

Hoewel zo’n museum… Afgelopen week bracht ik een bezoekje aan het digitale roeimuseum.nl, en kijk: sommige zaken komen gewoon weer terug. Neem nou deze uit 1917, het oprichtingsjaar van de KNRB: er wordt gesproken gecombineerde wedstrijden voor boten met vaste bank en boten met slidings: daar praten we nu óók weer over om de werelden van het sloeproeien en van het coastalroeien wat meer bij elkaar te brengen. Dat idee is helemaal niet nieuw, maar hartstikke ouderwets.

Of dan deze: het beeld van de allereerste(!) roeiwedstrijd in Nederland in Rotterdam in 1846: dat beeld verschilt toch niet wezenlijk van een plaatjes van de worldcup beachsprint in 2019 (meer dan 150 jaar later) of wedstrijden in een heel nieuwe klasse boten: de St Ayles skiffs. Ik heb ze maar even bij elkaar gezet. Je ziet: dat beeld is niet ouderwets, maar juist hartstikke nieuw!

Sportontwikkeling is eigenlijk net als roeien: je kijkt strak achteruit, houdt in de gaten wat links en rechts van je gebeurt en ondertussen ga je doelgericht en efficiënt vooruit.

Allemaal meedoen hoor!


Babylon in de boot

Door Feike Tibben | 30 april 2021

Feike Tibben is bestuurslid van de Koninklijke Nederlandse Roeibond, met als portefeuille sportontwikkeling. Lees alle bijdragen – op persoonlijke titel – van Feike hier.


Zoals jullie wellicht weten voeren we als KNRB gesprekkken met de FSN, de Federatie Sloeproeien Nederland, om te zien waar en hoe we kunnen samenwerken. Die verkennende gesprekken zijn een direct uitvloeisel van de breedtesportvisie ‘een bond voor alle roeiers’ [waar hebben ze die titel toch vandaan? Red.] die de leden van de roeibond in 2020 hebben omarmd. De reden dat we willen samenwerken is omdat we dan bij de sportkoepels met één gezicht naar voren kunnen treden en dat we efficiënt belangen kunnen behartigen. De afgelopen twee jaar hebben Helène (secretaris KNRB) en ik al veel gesprekken gevoerd met Dick en Nanette, voorzitter en secretaris van de FSN. Opvallend hoeveel zaken we delen: coronamaatregelen, roeiwater, veiligheid, jurering, tijdmeten, ploegvorming, warmweerprotocol, slechtweerprotocol… allemaal gelijk. Zó gelijk!  Ook het botenjargon komt goed overeen.We hebben het over riemen en niet over peddels. We hebben bladen, een boeg, een kiel en natuurlijk zijn stuurboord en bakboord ook hetzelfde.

Het moment nadert dat we die verkenning een stapje verder brengen en een keer bij elkaar in de boot kruipen.  Daarom me maar eens verdiept in de roeicommando’s van het sloeproeien. Die staan netjes bij de FSN op de website.

Maar hemeltjelief! Wat een abracadabra! Ze praten in de boot heel anders als wij!  Andere boten (slaan niet om, liggen altijd al in het water en niet in de loods) en een andere geschiedenis (ik schreef daar eerder over) zorgen voor een heel andere taal: Babylon in de boot!

Daarom deze week: de vertaaltabel sloeproeien – rolbankroeien. Begrip begint met begrijpen niewaar? 

Commando’s staan onderstreept. Daar waar commando’s niet te vertalen zijn, domweg omdat deze uitvoering bij de andere groep niet bestaat (de sloeproeiers tillen bijv geen boten, de rolbankroeiers laten altijd de riemen buiten boord), heb ik dat wat vrijelijk ingevuld met ‘commentaar’. De vertaaltabel is er ook als pdf.


Een kontje voor de klup? …Tss!

Door Feike Tibben | 23 april 2021

Feike Tibben is bestuurslid van de Koninklijke Nederlandse Roeibond, met als portefeuille sportontwikkeling. Lees alle bijdragen – op persoonlijke titel – van Feike hier.


In mijn stukje vorige week schreef ik over de klubkadercoach en dat het binnenhalen van zo ’n professional bij een vereniging goed zou kunnen zijn om trainers meer bagage te geven.  ‘Plezier en professionaliteit als hét fundament voor prestatie’, schreef ik: ‘hoe leuk is dat.’ Dat was een gevoelig puntje blijkbaar want een aantal verenigingen en trainers voelden zich aangesproken en reageerden gepikeerd: Niet professioneel? Wij? Echt wel? Geen plezier? Wij? Zeker! Je zou er bang van worden.

Mijn betoog was vooral erop gericht te wijzen op het belang van, zoals dat zo mooi heet, het pedagogisch klimaat op verenigingen. Trainers ervaren meer plezier in hun trainerschap als ze zelfverzekerder zijn, beter de boodschap over kunnen brengen of meer contact hebben met de groep. Het effect: sporters hebben meer plezier, blijven langer sporten, trainers blijven langer actief trainer. Dat levert niet alleen gezonde sporters, de hele vereniging wordt zo een tikkie meer gezond. Dat vraagt om trainers die iets meer weten dan álles van roeien en iets meer kunnen dan het geven van technisch advies.

Ja maar, zal de doorgewinterde zuurpruim dan zeggen, ‘So what? Waarom zouden we? Het gaat toch goed met de roeisport? We halen medailles. We groeien nog steeds. We hebben wachtlijsten (oh ja wachtlijsten, de gelukzalige slaappil van menige vereniging). Blijkbaar doen we dan toch iets goed. Never change a winning team.

Zeker doen we iets goed. We staan als roeisport – nog net – in de top tien van snelstgroeiende sporten en doen het stukken beter dan bijvoorbeeld tennis of schaatsen. Maar laten we ons niet rijk rekenen: we blijven flink achter bij de echte stijgers als bijvoorbeeld fietsen of triatlon. En ‘t gaat zeker niet goed in de breedte: Het aantal roei-junioren blijft tot op de dag van vandaag afnemen. Dat maakt ons kwetsbaar.

En wat meer uitgezoomd: Het aantal sporters blijft bij de gezamenlijke sportverenigingen grosso modo gelijk, maar het aandeel verenigingssporters neemt af. Het aantal sporters groeit en dat kan nagenoeg volledig toegeschreven worden aan sportscholen en al die mensen die ‘s avonds een blokje om lopen, rennen of fietsen. Vergis je niet: de hoeveelheid geld die hierin omgaat is inmiddels al bijna 2x zo groot als was verenigingssporters besteden. En hoewel de sportscholen het nu even moeilijk hebben is er geen aanleiding om te denken dat dat tij keert.

De Nederlandse sportraad wil dat in 2030 het aantal sporters in Nederland is gegroeid van 50 naar 75%, oftewel 4 miljoen sporters erbij in 10 jaar tijd. Ze vragen daarvoor om 1 miljard euro om te investeren in accommodaties én in trainers.. PER JAAR.  Er wordt zwaar ingezet: een Sportwet die overheden verplicht om te investeren in sport. De reden is even simpel als zwaarwegend: bestrijden van beweegarmoede en investeren in preventieve gezondheidszorg. De lobby is stevig. Die drukken wel door. Nog meer sporters dus.

Vier miljoen sporters… het is nogal een opgave. Gaan we die nieuwe sporters allemaal naar de sportscholen sturen, vragen we ze om een eigen blokje om te lopen, te rennen of te fietsen? Of maken we ons klaar als sportverenigingen om een deel van deze nieuwe sporters welkom te heten. Er wordt ook naar ons sportverenigingen gekeken om meer sporters van buiten binnen te halen.

De sportraad roept ons op te innoveren. Andere vormen van binding te verkennen. De sporter meer centraal stellen en minder de sport.

Verenigingen krijgen de vraag of ze accommodatie openstellen voor niet-leden. Zaken om over na te denken als bond en als vereniging. Doen we mee of niet? En als we meedoen: wat betekent dat dan, waarin moeten we investeren? En hoe doen we dat?

Best veel dingen om over na te denken. Daarbij vallen een beetje aandacht voor plezier en professionaliteit van trainers in het niet. Daar maar snel mee beginnen dan? Dan is dat klaar.

 


Een kontje voor de klup

Door Feike Tibben | 16 april 2021

Feike Tibben is bestuurslid van de Koninklijke Nederlandse Roeibond, met als portefeuille sportontwikkeling. Lees alle bijdragen – op persoonlijke titel – van Feike hier.


Afgelopen twee weken ging mijn aandacht op aan kwesties over veiligheid. Was effe nodig. Niet dat ‘t nu  daarmee klaar is, maar de verenigingen en de commissie veiligheid van de Roeibond pakken het weer op. Wordt vervolgd.

Ik pak daarom mijn voornemen weer op om een aantal bespiegelingen te geven over verenigingen.  Na een bijdrage over activering, over verenigingscultuur en over vrijwilligersbeleid, deze week een stuk over de clubkadercoach.

De wat?  De clubkadercoach. Het fijne van een brede bestuursportefeuille is dat je wordt doodgegooid met allerlei studies, rapportages, documenten. Zo kreeg ik van de Vereniging Sport en Gemeenten de ‘Rapportage over de eerste tranche proeftuinen clubkadercoach toegezonden. Nou niet echt een titel waarvan je gaat watertanden, maar toch: interessant leesvoer. Eerlijk gezegd had ik het hele instrument gemist, en ik was niet de enige roeier. In de hele rapportage geen woord over watersport.

Maar goed. Interessant dus, want waar gaat het om: de clubkadercoach is een professional die het kader, dus bestuur, trainers, coaches van een sportvereniging te hulp kan schieten. En dat past wel in een bredere ontwikkeling van professionalisering. Want of je je nu verdiept in het NOC-NSF of de adviezen van de Nederlandse Sportraad leest, overal komt professionalisering om de hoek kijken als het gaat om opleidingen, kwalificaties en om governance en integriteit. En die professionalisering gaat verder dan alleen de sport zelf. Voor de sport hebben we een hele batterij opleidingen. Het is ook iets breder dan de bekende (toch?) coach-de-coach-aanpak.  De Clubkadercoach biedt trainers een aanvulling op het niet-sportspecifieke. Niet op het WAT van de sport zelf, maar op HOE breng je het over. Als ik bij mezelf naga: tja die sport, dat vond ik al moeilijk zat en als ik daarin vastloop dan pakken we een of andere manual er nog maar weer eens bij. Maar het HOE?

Ja hoor eens: ik ben geen juf of meester, ook geen opvoeder. Ze komen hier om te sporten. Ik doe het één keer voor en dan moeten ze het snappen. Zo werkt ‘t!’

Zou het? Zou het zo werken? Een studie van het Mulierinstituut laat zien dat een goed pedagogisch klimaat belangrijk is, ook en misschien wel vooral op de club. En zij staan zeker niet alleen in het onderkennen van het belang van een goed sportklimaat. Nicolette Schipper, lector aan Windesheim, liet ons in november 2020 op een KNRB-webinar (de link is van de gymnastiekbond, maar de onze was vergelijkbaar) ook al zien hoezeer plezier en prestatie met elkaar samenhangen.

Professionaliteit & plezier als hét fundament voor de prestatie, hoe leuk is dat. En wat vergeten we dat gemakkelijk. De resultaten van de proeftuinen Clubkadercoaching laten zien dat plezier vóór prestatie ook geldt voor trainers: Trainers ervaren meer plezier in hun trainerschap als ze zich zelfverzekerder voelen, als ze de boodschap beter kunnen overbrengen, als ze meer contact hebben met de groep. Ze zien dan dat sporters meer plezier hebben en langer blijven sporten. En daardoor blijven zij op hun beurt ook langer actief trainer. In de proeftuinen had 30% van de trainers na begeleiding meer plezier dan ervoor. Dat levert niet alleen gezondere sporters, de hele vereniging wordt zo een tikkie meer gezond. 

Ik zei dat ik in mijn zoektocht naar ‘hoe werkt dat nu, die clubkadercoaching’ het woord watersport niet was tegengekomen. Grumpy als ik soms ben, beklaagde ik mij daarover bij een van de leden van de juniorencommissie: ‘We worden weer eens over het hoofd gezien, grr’.

Ik werd er fijntjes op gewezen het bij het verkeerde eind te hebben: ‘Maar Feike wist je niet dat we een clubkadercoach in eigen gelederen hebben, die heeft dan wel een hockeyclub begeleid, maar toch. En wat denk je: Wij met z’n tweeën ontwikkelen met die ervaringen nu een juniorcoach I-opleiding’. Lekker dan. Sta ik weer in mijn hemd. Ik krijg de opzet om mijn oren geslingerd: eenvoudig, praktisch, onderbouwd, buddy, certificaten, goud/zilver/brons, junioren zijn eigenaar. Prachtig. Hier ligt goud!

Het leek of ‘t gras bij de proeftuin van de buren groener was, maar ik zag niet dat onze eigen roeituin al langzaam ontkiemt en straks prachtig gaat bloeien. Dat wordt straks dubbel genieten. En ook dat is plezier.

PS: wil jij als vereniging ook hulp van een clubkadercoach (of vergelijkbaar)? Meld je dan bij je gemeente. Onder de vlag van het Sportakkoord kan er veel! 

Zorgen om veiligheid II

Door Feike Tibben | 12 april 2021

Feike Tibben is bestuurslid van de Koninklijke Nederlandse Roeibond, met als portefeuille sportontwikkeling. Lees alle bijdragen van Feike hier.


Vorige week schreef ik al dat ik zorgen heb om de veiligheid van roeiers. Het aantal incidenten is dit jaar ongemeen hoog en helaas vaak te herleiden tot een gebrek aan ervaring, inzicht en kennis.

Het webinar begint hier bij het roei-deel, maar bekijk de hele webinar een keer!

Die veiligheidszorgen zijn er niet alleen bij mij, maar worden breed gedeeld in het bestuur. Niet voor niets deed Rutger Arisz op de KNRB-ALV deze week een klemmend beroep op de verenigingen om hieraan meer aandacht te besteden.

Een klemmend beroep kwam er ook van BLN-Schuttevaer (de bond van beroepsschippers)-bestuurslid Andries de Weerd op het webinar ‘vaar mee met de binnenvaart’. Hij geeft hij een aantal concrete adviezen aan roeiers. Kijk die hele webinar eens na.
Een van de concrete zaken die hij aangeeft is: probeer niet een binnenvaartschip in te halen en blijf er zeker niet vóór hangen. Om in te halen moet je door de zuiging van het schip heen roeien en lukt je dat dan moet je nog helemaal voorbij de dode hoek om weer te kunnen invoegen. Een binnenvaartschip heeft een dode hoek van max 350 meter… dat is een heel eind om in te halen. Daar doe je zomaar 2 à 3 km over. Weet je zeker dat je zoveel vrij water hebt?

Ik snap het wel hoor, die behoefte om ervoor te blijven. Ook ik vaar liever vóór een schip dan erachter in het vuile water. Maar kijk eens op onderstaande foto’s, genomen afgelopen week. Een boordviertje krijgt van de coach de opdracht om snel nog even te vertrekken vóór het aankomende schip. De boot blijft echter hangen in de dode hoek. Op een waarschuwingssignaal wordt niet gereageerd. De eerste foto laat zien wat de schipper ziet vanuit de stuurhut.. helemaal niets. Geen roeiboot te zien. De tweede foto toont het beeld van de boegcamera aan boord van de binnenvaarder. Hierop is de roeiploeg wél te zien. Moet de schipper dan vooral niet zeuren en maar op de camera kijken? Nee. Denk je eens in hoe onveilig dit voelt te weten dat er een boot voor je vaart die je wél op camera maar niet met eigen ogen ziet. Denk daarbij ook aan de remweg – stopweg heet dat in schipperstermen – van zo’n schip. Zo’n boot leg je niet zomaar stil.

Helaas bleef het ook deze week niet bij onoverzichtelijke situaties zoals hierboven of op knrb.nl gemelde near-misses.  
Helaas ging het deze week bij Saurus in Maastricht écht mis.
Helaas zien we ook te vaak onveilige situaties. Bij werkzaamheden wordt maar al te vaak te weinig rekening gehouden met veiligheid op het water en al helemaal met de belangen van de kleine watersport: We zien gemeenten die graag huizen met ligplaatsen willen verkopen en zo roeiers in de knel brengen zoals in Lisse. We zien provincies die bruggen aanpassen om het wegverkeer veiliger te maken zoals bij Cruquius.
Dat soort ingrepen noodzaken de roeiverenigingen om alleen of samen met de KNRB in het geweer te komen. Soms op tijd, maar al te vaak te laat en moeten we achteraf zaken proberen te repareren..

Deze week was er op initiatief van de KNRB overleg met provincie Zuid-Holland, BLN-Schuttevaer en de Federatie Sloeproeien Nederland over de onveilige situatie van de Joop van der Reijdenbrug in Katwijk. Daar was vorig jaar een fataal ongeval tussen een sloep van roeivereniging Ferox en een binnenvaarder <>.

Als je leest hoe de brug is ontworpen: ‘Een sculptuur. Letterlijk goed gebalanceerd, rank en slank. De architectuur is zowel helder als enigmatisch. De rijzige pyloon en de remmingwerken in de rivier tonen onmiskenbaar dat het hier een beweegbare brug betreft. Tegelijk is de horizontale draaiing verrassend, in gesloten situatie vrijwel onzichtbaar’, dan leest dat als een klok maar lees ik niets over veiligheid. 
Terwijl ‘m daar nu wel de kneep zit. Want wie legt er nu een brug aan midden in een scherpe bocht, met een pyloon aan de binnenkant waardoor het doorzicht wordt ontnomen en wie plant er nu ook nog eens een keer een jachthaven (het witte vlekje op de foto) direct bij de brug… Dit lijkt vragen om ellende.

Het oplossen van deze onveilige situatie lijkt nu niet eenvoudig: er is weinig ruimte en afhankelijkheid van borden, toeters, lichtsignalen of camera’s is te kwetsbaar. De mogelijkheden voor intrinsieke veiligheid lijken beperkt. Het toont maar weer aan hoe belangrijk het is om in een vroeg stadium aan tafel te zitten om mee te denken met een ontwerp.

Gelukkig zijn steeds meer roeiverenigingen alert. Bij de Cruquius lijkt het Spaarne bediend te worden en wordt de vaarsituatie aangepast. Roeivereniging Iris moet nog even vechten. Ze maken stampij via de gemeenteraad en eisen dat stukken openbaar worden gemaakt. Goedzo, laat van je horen!

Als verenigingen en als bond zetten we ons in voor een veiliger vaarwater. Maar dat is niet genoeg. Het is belangrijk dat iedere roeier zich veilig gedraagt. Ik zei vorige week al dat ik me zorgen maak om onze veiligheid. Ik zie teveel filmpjes, krijg teveel signalen en teveel berichten van onhandige en ondeskundige acties van roeiers. Helaas was het deze week weer raak. Zie het verhaal van Saurus.

In essentie is het zorgen voor je eigen veiligheid en die van je ploeg zo simpel. je hoeft maar tot tien te te kunnen tellen. Doe dat.