De roeisport verkleurt

Zien en gezien worden

Door Feike Tibben | 29 maart 2021

Feike Tibben is bestuurslid van de Koninklijke Nederlandse Roeibond, met als portefeuille innovatie en infrastructuur. Lees alle bijdragen – op persoonlijke titel – van Feike hier.


Als sportbestuurder zijn we vaak bezig met nieuwe zaken. ‘Wat komt er op onze sport af, wat moeten we daarmee en hoe krijgen we dat geland.’ En eerlijk is eerlijk: er komt veel op de sport af en zeker niet alles landt. Het is steeds weer een uitdaging om te selecteren welke ontwikkelingen relevant zijn, wat het juiste moment is en hoe draagvlak kan worden gekregen. En soms zijn er van die veranderingen die verrassend snel worden overgepakt. Alsof er een soort logisch/magisch momentum in de lucht hing en het alleen maar wachten was op de final push.

De zorg om zichtbaarheid lijkt zo’n onderwerp te zijn dat in de lucht leek te hangen en snel gemeengoed wordt. In andere sporten zagen we al langer een ontwikkeling naar meer aandacht voor veiligheid: hardlopers, wielrenners en motorrijders dragen fluorescerende kleding. Fietsers, skiërs en schaatsers hebben helmen op. In die sporten lijkt de aandacht voor veiligheid geruisloos en vanzelfsprekend te zijn ingevoerd. Bij roeiers leek zichtbaarheid tot voor kort geen hot topic. Bij de KNRB-commissie Veiligheid was dit best wel lang onderwerp van onderzoek en gesprek: moeten we hier landelijk wat mee of is dat een verantwoordelijkheid van de individuele roeier of de vereniging? En als we er al wat mee zouden willen, wat is dan passend? Een advies, een verplichting, een campagne? Zouden we überhaupt de discussie ‘van bovenaf’ dan wel aandurven? Verenigingen hechten immers sterk aan verenigingskleuren. En voor zover clubtradities niet heilig waren, dan hadden we nog te maken met eigenwijze roeiers die ‘al jaren…’ en ‘nog nooit….’ etc. Toch liet het niet los. We ontvingen ongevalsmeldingen, kregen filmpjes van binnenvaartschippers en in onderzoek van British Rowing zagen we dat daar 2/3 van alle roei-ongevallen zichtgerelateerd is (zie hieronder). Dat zou bij ons niet anders zijn: ook bij ons is ‘zien en gezien worden’ een dominante ongeluksfactor.

Oorzaken roeiongevallen, British Rowing, 2020

Gelukkig durf ik inmiddels bijna te zeggen dat zichtbaarheid geen hot topic leek voor roeiers… want de aandacht voor veilig varen neemt toe en die ontwikkeling gaat snel: op het roeicongres voorjaar 2021 riepen diverse verenigingen na de presentatie (bekijk ‘m HIER nog maar eens na) de landelijke bond op om duidelijkheid te verschaffen naar verenigingen en roeiers. En al een half jaar later, op de najaars-ALV van de KNRB, 20 november 2021, is de richtlijn zichtbaarheid aangenomen. Het besluit: buiten wedstrijden om wordt roeien in zichtbare kleding verplicht. Verenigingen krijgen een jaar de tijd om dit in te voeren.

Dat levert inmiddels goede acties op. Aanbieders van roeikleding hebben veilige kleuren in hun pakket opgenomen.

Je hoeft je dus niet in te pakken als een verkeersregelaar. Verenigingen als DDS, Viking, Hemus, Isala, Aross, ‘t Diep, de Compagnie en De Zwolsche, hebben hun kledingassortiment aangepast of uitgebreid, vaak gepaard met leuke kortingsacties voor leden. (tip dus voor vaderdag/ moederdag/ verjaardag/ paasbestdag etc.) Prachtig hoe verenigingen dit oppakken en hoe ‘zien en gezien worden’ de nieuw roeinorm wordt!

Sommige ploegen slaan wat door, zoals deze roeiers van RV Iris. Zij hebben fluo-geel tot dresscode voor het roeimaal verheven. Kijk ze shinen. | Foto RV Iris, Lisse

Het fijne is dat onze verbeterde zichtbaarheid ook opvalt bij anderen. Het valt op bij binnenvaartschippers en bij controlerende overheden. Steeds vaker zien ze dat de roeisport veilig verkleurt en ze laten dat ook merken. Ze hebben het er over met elkaar en wij krijgen complimenten. Ook verzekeraars blijken wakker. Ik had een kennismakingsgesprek met een nieuwe vertegenwoordiger van Raetsheren van Orden. (Voor de minder-ingewijden: ‘Raetsheren’ is de verzekeraar waar het gros van de roeiverenigingen hun boten hebben verzekerd.) Het was deze man beroepshalve opgevallen dat roeiers op het water steeds vaker ‘van die felle jackies’ dragen en vroeg zich af hoe dat kwam. ‘Het valt me ineens op, vroeger zag je niemand in veilige kleding en nu bijna iedereen, goed hoor. ’ Het is dan mooi dat ik hem kan uitleggen dat we een actieve veiligheidscommissie hebben, en dat we met elkaar hebben afgesproken dat we zichtbare kleding gaan dragen. Niet omdat het van anderen moet, maar omdat we met elkaar, alle roeiverenigingen samen, dat op de Algemene Vergadering van de KNRB hebben besloten. Omdat we veilig willen sporten.

Bovendien: als sporter vaart het ook net wat comfortabeler als je weet dat anderen je zien.


De beweegvriendelijke stad

Door Feike Tibben | 19 februari 2021

Feike Tibben is bestuurslid van de Koninklijke Nederlandse Roeibond, met als portefeuille innovatie en infrastructuur. Lees alle bijdragen – op persoonlijke titel – van Feike hier.


Foto: Hollandse Hoogte / Spaarnestadfoto

In de tijd dat ik puberde, in de jaren zeventig, kwamen ze op: trimparcoursen. Rondjes van een paar kilometer in bos of park met om de paar honderd meter lompe houten objecten en een paal met een plaatje waarop stond welke oefening men geacht werd te doen. Er moeten er honderden zijn aangelegd. Eerlijk gezegd: echt druk was het er nooit. De populariteit nam ook snel af na achterstallig onderhoud en een flink aantal ongelukken (bij zo’n oefening als op de foto ga je natuurlijk niet suf bokje springen, maar wedstrijdje doen wie het snelst staand op palen van paal naar paal kon… veel spannender).

Tegenwoordig doen we dat anders. De trimspullen zijn niet meer lomp en van hout maar hip en gekleurd, vaak voorzien van interactieve gadgets. Ze staan ook niet meer ver weg, achter wat struiken, maar vormen een prominent deel van het stedelijke landschap. De trimparcoursen van vroeger zijn heuse streetworkouts geworden en vormen een dankbaar onderdeel van het sportaanbod door bootcampers. Google maar eens op ‘workout / openbare ruimte’.

Maar met het plaatsen van een paar van die workoutstations zijn we er niet. In de strijd tegen beweegarmoede is dat ene uurtje sporten in de week echt niet voldoende. ‘Bewegen hoort een onderdeel te zijn van ons dagelijkse doen en laten’, laat prof. Erik Scherder niet na ons steeds maar weer in te prenten. In steden en dorpen wordt er daarom hard nagedacht hoe we onze woon- en werkomgeving beweegvriendelijker kunnen maken. Dat gaat inderdaad verder dan het plaatsen van een streetworkoutstation. Dat gaat er ook om hoe je bereikbaarheid per auto iets moeilijker maakt en de bereikbaarheid op de fiets beter, of hoe je leuke ommetjes maakt. Misschien zijn in jullie stad ook wel van dit soort initiatieven. Allemaal heel sympathiek en goedbedoeld. Vanuit onze sport vallen me paar dingen op:

Land boven water

Het gaat bijna altijd over sportvoorzieningen op het land, bijna nooit wordt het water benut. Zelfs in een stad als Amsterdam, met al z’n grachten, komt het sportief gebruik van water er bekaaid vanaf en worden nauwelijks extra watervoorzieningen gepland. Kijk maar eens hier: Mooie plaatjes, maar wat het concreet oplevert voor onze sport..? Ik zie het nog niet. Dat doet Utrecht toch anders. In het convenant dat de roeiverenigingen vorige maand met de gemeente hebben gesloten erkent de gemeente dat óók watersport hoort bij een beweegvriendelijke stad. Via een Visie stadswater wil de gemeente zich inzetten voor het behoud van het roeien voor zoveel mogelijk roeiers op het Merwedekanaal. Die actieve opstelling van de gemeente is zeker te danken aan de Utrechtse verenigingen die al jaren zichtbaar en constructief vechten voor hun plek op het gemeentelijke sporttableau. Dat gaat de goede kant op.

De Utrechters zijn niet de enigen met zo’n actieve benadering. Roeivereniging De Dragt in Drachten heeft er bijvoorbeeld voor gezorgd dat in hun regio kanosteigers geschikt worden gemaakt voor roeiers. Kleine moeite, veel plezier. Nu kunnen ze langere tochten maken. Amenophis in Zeewolde gaat nog een stapje verder en heeft met de gemeente flink meegedacht over extra verbindingen. Het schijnt dat die actieve opstelling ze ook nog eens geld oplevert. Dat doen ze handig daar. Roeivereniging Aquarius in Bergen op Zoom gaat nóg een stapje verder. Zij willen bij hun roeivereniging een steiger bouwen die ook gebruikt gaat worden door dagrecreanten. Een steiger voor dagrecreanten, de meeste roeiverenigingen zouden ervan gruwen, maar Aquarius ziet het als manier om meer in the picture te komen en de vereniging te laten groeien. En jawel: de gemeente ziet dat wel zitten..

Meer dan huppelunits

Veel gemeenten lijken in hun plannen voor een beweegvriendelijke stad de nadruk te leggen op de inrichting van de openbare ruimte. Ik begrijp dat wel: de openbare ruimte is hét speelterrein van plannenmakers en hier valt snel en zichtbaar te scoren. Maar een beweegvriendelijke omgeving vraagt meer dan het plaatsen van huppel- en hangunits. Om te zorgen dat die beweegvriendelijke omgeving gebruikt wordt is ook een beweegvriendelijke sociale omgeving nodig. Als jij de enige in je omgeving bent die gebruik maakt van die spullen, hoe flashy ook, hou je het niet lang vol. Een snerende opmerking of nog weer een druilerige dag zijn genoeg om je goede voornemens te breken.

Sportverenigingen bieden zo’n sociale structuur: je sport met elkaar, je jut elkaar op, maakt plannen en belt met elkaar als een ander opeens niet meer verschijnt, ‘hé waar blijf je’. Door met elkaar te sporten, blijf je sporten. De populariteit van ons studentenroeien bewijst het ieder jaar weer en ook in andere cijfers kun je een patroon zien: van een sportschool zijn mensen zijn gemiddeld maar twee jaar lid. Voor sportverenigingen is dat bijna tien jaar. Vijf keer zo lang. En dat zie je terug: wie door de oogharen kijkt naar de kaarten hieronder over beweegnorm en verenigingslidmaatschappen dan valt op dat in gebieden met veel sportbondleden (= mensen die lid zijn van een sportvereniging) vaak beter voldaan wordt aan de beweegrichtlijn. Vergelijk bijvoorbeeld Overijssel, Gooi/noordelijke Randstad en Zuidoost Brabant maar eens met Noordoost Groningen, Zuid Limburg en de Zeeland/zuidelijke Randstad: lid zijn van een vereniging zou zomaar een factor van belang kunnen zijn voor het bereiken van een beweegrijke samenleving.

Bron: https://www.sportenbewegenincijfers.nl/kaarten

Investeren in een beweegvriendelijke omgeving vraagt dus om meer dan investeren in spullen. Het vraagt om investeren in de hele sportinfrastructuur, dus ook in verenigingen. Het is belangrijk dat onze verenigingen, de verenigingsgebouwen, maar ook de verenigingen op zich zichtbaar en uitnodigend naar nieuwe sporters zijn. Zo worden verenigingen onderdeel van de totale sportieve ruimte. Helaas zie ik in de beweeginvesteringen nog maar weinig het woord verenigingen terugkomen.

En wat voor verenigingen geldt, geldt ook voor sportroutes: het is belangrijk dat er goede routes zijn waar veilig en comfortabel gesport kan worden, dus zonder al te veel kruisingen, overstekend verkeer etc. en waar sport zichtbaar en beleefbaar is. Voor ons roeiers geldt dat de Amstel, de Rotte, de Eem, het Zwarte Water of de Vecht niet alleen mooi zijn om langs te fietsen of te wandelen: ze zijn ook dé openluchtetalage voor de roeisport. Iedere roeier kent wel de ervaring dat mensen langs de kant even samen op gaan met de ploeg. Meer dan eens zei een lid dat zich aanmeldde: ‘Ja ik zie jullie altijd roeien, dat ziet er zo mooi uit. Ik dacht, dat moet ik ook maar eens gaan doen.’ Wij roeiers zijn het uithangbord van de sport: zien roeien, doet roeien!

Dus verenigingen, dus roeiers:

De aandacht (en geld!) die er is voor een beweegvriendelijke stad lijkt nog maar weinig te landen bij de watersport en bij de sportverenigingen. Als watersport zitten we op een eiland. Water is niet top of mind bij de overheden. Een mooie kans voor verenigingen om zich in de kijker te roeien! Neem de gemeentelijke beweegdenkers een beetje op sleeptouw. De beweegcijfers laten de meerwaarde zien & de goede voorbeelden van Utrecht, Zeewolde etc tonen dat het loont: in spullen, in geld én in leden. Aan de slag!


‘De’ recreatieve roeier

Door Feike Tibben | 19 februari 2021

Feike Tibben is bestuurslid van de Koninklijke Nederlandse Roeibond, met als portefeuille innovatie en infrastructuur. Lees alle bijdragen – op persoonlijke titel – van Feike hier.


‘Hoeveel recreatief roeiende roeiers zijn er eigenlijk?‘ Zomaar een vraag die langskwam in de nieuwe KNRB-commissie recreatief roeien. Die andere groepen weten we vaak wel. We kennen de wedstrijdroeiers van verslagen en van inschrijvingen, van stukjes in de media en van eigen bijdragen op de socials. Maar recreatieve roeiers? De slagen in de lucht liegen er niet om: ’60 procent’, roept de één. Een ander overtroeft: ‘Als ik kijk naar mijn club, ik denk zeker wel 80 procent’. Weer een ander toont zich voorzichtiger en claimt een voorzichtige 40%. Maar hoe zit het nou? Verenigingen categoriseren leden niet, laat staan dat die gegevens worden gedeeld. Inschrijfgegevens bieden ook geen soelaas. Gelukkig bleek er in een enquête uit 2020 ten behoeve van het Handboek Roeiaccommodaties aan de verenigingen een aantal vragen te zijn gesteld over de ledenpopulatie. De enquête is door bijna de helft van alle roeiverenigingen, studenten en algemeen, groot en kleiner, ingevuld en dus bruikbaar.

Het levert interessante uitkomsten. In één beeld hierboven is te zien hoe de roei-ambities en roeicultuur verschillen tussen algemene en studentenroeiverenigingen. Om de grootste er uit te pakken: bij studentenverenigingen doet 2/3 van de leden aan competitieroeien. Bij algemene verenigingen roeit 2/3 vooral op de eigen club en doet niet mee aan evenementen. Deelname aan (inter)nationale wedstrijden is zowel bij de studenten als de algemene verenigingen beperkt tot de meest fanatieke 10%.

Roeiers die niet meedoen aan evenementen, die dus niet een meedoen aan de Head of the River, Lingebokaal, of Amstelcup, ook niet op de NKIR of bij een coastal wedstrijd zijn. Roeien die wel? Ja hoor: het zijn veel routineroeiers die één of meer keren per week met een vaste ploeg het water op gaan. Motieven: fit blijven, voor de gezelligheid, de ‘breek in de week’, even de kop in de wind, allemaal andere vormen en motieven, met één kenmerk: er komt geen tijdmeting aan te pas.

Terug naar de vraag. Hoeveel recreatieve roeiers zijn er? Extrapolatie van de verenigingsopgaven uit de enquête 2020 naar de hele KNRB-roeipopulatie (iets minder dan 1/3 student, ruim 2/3 algemene verenigingen) levert op dat de groep die vooral, of alleen maar, op de eigen club en het eigen vaarwater roeien ruim 20.000 roeiers groot is. T w i n t i g d u i z e n d ! Onze grootste doelgroep. De zwoegende meerderheid. Mooi dat we nu een commissie recreatief roeien hebben. Deze commissie is breed samengesteld met roeiers van Pampus, De Dragt, De Hoop, Alphen, Weesp, Isala en Amycus. Er ligt met dit gegeven in de hand voor hen een mooie uitdaging om de belangen en behoeften van de recreatieve roeier te beantwoorden. Hoewel.. ‘De’ recreatieve roeier? Ik vrees dat die ook niet bestaat.

Feel the vibe, let’s row

Door Feike Tibben | 6 februari 2021

Feike Tibben is bestuurslid van de Koninklijke Nederlandse Roeibond, met als portefeuille innovatie en infrastructuur. Lees al zijn bijdragen – op persoonlijke titel – van Feike hier.


In m’n vorige bijdrage heb geschreven hoe inspirerend de urban sport kan zijn met name om het open karakter. En natuurlijk is dan je eerste gedachte: dat kan bij hun, maar ja die rommelen maar wat aan, het is geen echte sport, zoals wij roeiers.

Maar dan lees ik dat de wielerbond, de skateboardfederatie, de basketbalbond en de turnbond, Urban Sport in hun beleid hebben opgenomen. Eens even neuzen hoe die het open karakter en focus op plezier en creativiteit vorm geven.

De turnbond blijkt een pilot te doen waarbij de turners tot negen jaar geen wedstrijden meer hebben. De sporters beleven daar weinig plezier aan en het zorgde teveel voor gestreste ouders en dito coaches. De jonge kinderen krijgen meetmomenten waarbij ze hun eigen prestaties kunnen meten ten opzichte van de vorige keer, niet ten opzichte van andere kinderen. Samen sporten blijft zo plezierig. Het verplichte wedstrijdverloop is vervangen door een soort cafetariamodel waaruit kinderen zelf een wedstrijdprogramma mogen samenstellen. Nog een heel eenvoudige, die zo uit urban sport lijkt overgenomen: het omdraaien van de waardering. Tot nu toe kregen kinderen in de beoordeling aftrek voor dingen die niet goed waren in de uitvoering van een oefening. Dat is omgedraaid: er worden complimenten uitgedeeld. Bovendien is waardering geen verplichting meer. Je kunt ook zonder jury-oordeel meedoen.

In de atletiek en bij turnen worden bij de jongste kinderen vooral gekeken naar groepsprestaties , Zo wordt de nadruk op samen sporten vergroot. Bij athletic champs is het verplichte ‘3 x’ (kogelstoten, verspringen etc.) afgeschaft. Je mag zo vaak je wilt binnen een bepaalde tijd. Een minder gelukte uitvoering is dan niet zo interessant: je gaat gewoon nog een keer (en nog een keer).

Bij rugby focust de jeugd op gelijkwaardige wedstrijden. Als één team duidelijk te sterk is stopt de wedstrijd en worden teams gelijkwaardiger ingedeeld. Kinderen zouden zo minder focussen op winst of verlies en zich meer richten op goede acties en creatief spel. Het competitiesysteem is hier ook aan aangepast: het doelsaldo is tijdens de competitie niet meer zichtbaar.

Een club als Wielervereniging Ede zorgt dat je zonder dat je lid wordt met een strippenkaart bij de club fietsbeheersing kunt leren: Tricks en moves op je nieuwe bike. Als dat niet urban is! Een kind dat een nieuwe fiets koopt bij de fietsenmaker krijgt een voucher voor een eerste clinic op de vereniging. Win-win.

En zo kan ik nog wel even doorgaan. Wat een mooie bewegingen zijn er toch in de sportwereld. Ik zou de sportverenigingen willen uitdagen om zich te verdiepen in de Urban Sport-aanbieders in de buurt, kijken wat daar gebeurt en wat je daarvan mee zou kunnen nemen naar de eigen vereniging. Hé roeiers geef je vereniging een boost en ga eens kijken bij Pier15 in Breda, Dynamo in Eindhoven, Commonground in Arnhem, Skateland in Rotterdam, Waalhalla in Nijmegen, bezoek de Urbansportweek in Amsterdam , of ga gewoon eens naar een ‘urbannen’ in je omgeving.

Feel the vibe. Let’s row.


Urban Rowing

Door Feike Tibben | 23 januari 2021

Feike Tibben is bestuurslid van de Koninklijke Nederlandse Roeibond, met als portefeuille innovatie en infrastructuur. Lees alle bijdragen – op persoonlijke titel – van Feike hier.


Afgelopen weken heb ik me, gestimuleerd door jongeren in mijn omgeving, met veel plezier verdiept in Urban Sports. Je weet wel Freerunning, skateboarding, BMX-en, of 3×3 basketbal, op straat, op een veldje, of in een hal. Voor mij als verenigingsman een leuke ontdekking. Urban Sport wordt totaal anders beleefd – ik omzeil hier bewust het woord ‘georganiseerd’ – dan wat ik gewend ben: geen vereniging met leden die op vaste tijden trainen, geen kaders, geen bestuur, ook geen bestuursvergaderingen of trainingsroosters, maar gave trucs, eigen verantwoordelijkheid, eigen creativiteit, saamhorigheid, vrijheid en heel veel plezier.  ‘Jaja..’, hoor ik jullie zeggen, ‘misschien leuk die vrijheid en speelsheid, maar niet bij ons.’ (….‘want onze sport vraagt volharding en discipline’, ‘want onze boten zijn zo duur en kwetsbaar’, ‘want zo kom je nooit tot prestaties’, ‘want zo zijn we niet’, want er moet structuur zijn’, ’want…. ‘ vul zelf maar in)

Maar toch… als we nog meer jongeren willen aantrekken is het misschien goed om eens te kijken naar de succesfactoren van deze nieuwe sporten. Daar is aanleiding voor: inmiddels zijn er in de grote steden meer urban sporters dan voetballers, en aantallen zijn growing.

‘Urban sports’, een uitgave van Arko Sports Media

Als je je verdiept in de kenmerken van Urban Sports ontdek je interessante dingen. Allereerst is Urban Sport a way of living. Het is meer dan bewegen. Er hoort kleding bij, kunst, dans, film, muziek. Een scene met diverse culturen en subculturen die om elkaar heen bewegen en allemaal een andere achtergrond hebben. Die achtergrond staat niet op zich, de heritage is belangrijk, weten waar je sport vandaan komt. Maar ja, wat is er dan zo nieuw dan een traditionele roeivereniging? Ook van roeien hoor je dat het geen sport is maar  ‘a way of living’. Om over kleding nog maar te zwijgen. Kijk ons zitten met onze jasjes. Filmcultuur? Die hebben wij ook! En de heritage? Duh,.. daar hebben we een heel Roeimuseum voor. Maar de overeenkomsten gaan verder. Net als bij traditionele verenigingen is de community is belangrijk: bij elkaar komen op basis van gedeelde waarden of een gedeelde style. Do-it-together. Samenwerken als de manier om dingen voor elkaar te krijgen. Tja ook dat herkennen we bij de traditionele verenigingen: we verenigen om samen voor elkaar te krijgen wat in ons eentje niet lukt.

Verschillen zijn er natuurlijk ook. Het belangrijkste wat mij betreft: het open karakter: Meer dan bij de traditionele sporten bepaalt de sporter zelf hoe die sport, welk nieuws die wil leren en van wie. Experimenteren, proberen en mislukken horen bij Urban Sports. De communities zijn best hecht, maar ook heel open. Iedereen doet mee en voor iedereen is er plek. Je hoeft geen lid te worden, maar je gaat gewoon naar een faciliteit toe, zoekt een peer group en doet mee: ‘laat maar zien wat je kunt’.  Spannend? Natuurlijk! Zeker spannend voor ons in de meer traditionele sport. Daar willen we juist steeds meer eisen, diploma’s, verklaringen en programma’s en is er weinig ruimte om te experimenteren of af te wijken.

Maar zou het niet leuk zijn als we meer ontdek- en fun-elementen kunnen toevoegen aan de sport. Zou het niet inspirerend zijn als we bijvoorbeeld jongeren zelf meer verantwoordelijkheid geven. Urban Sports laten zien dat het kan: jongeren bepalen zelf of ze een trick of move willen leren of durven proberen. Voorzichtige stapjes zetten we als roeibond, bijv door verenigingen te simuleren om junioren meer ruimte te geven (een eigen programma en eigen budget voor de juniorencommissie), en junioren de mogelijkheid te geven om zelf te coachen , niet via een ingewikkeld diploma-systeem maar eenvoudig, laagdrempelig en online (natuurlijk). Maar er is vast nog veel mogelijk om nog veel meer jongeren aan te spreken. Waar zijn we bang voor?

Jaloers kijk ik naar de wielerbond, de skateboardfederatie, de basketbalbond en de turnbond die elementen van Urban Sport in hun beleid hebben opgenomen. Maar zo hoog over hoeft het niet: Ga als vereniging eens een middagje kijken bij Urban-Sportaanbieders in de buurt en kijk wat daar gebeurt en wat je daarvan mee zou kunnen nemen naar de eigen vereniging.

Ik nodig jullie uit te gaan kijken bij Pier15 in Breda, Dynamo in Eindhoven, Commonground in Arnhem, Skateland in Rotterdam, of ga eens de Urbansportweek in Amsterdam bezoeken, of ga gewoon eens naar een urban aanbieder in je omgeving.

Feel the vibe!

Professionals? Vrijwilligers!

Door Feike Tibben | 14 januari 2021

Feike Tibben is bestuurslid van de Koninklijke Nederlandse Roeibond, met als portefeuille innovatie en infrastructuur. Lees alle bijdragen – op persoonlijke titel – van Feike hier.


Mijn laatste bijdrage van 2021 ging over sportvrijwilligers. Dat we in Nederland vrijwilligersland no 1 zijn, en hoe raar het is dat op het woord vrijwilliger soms negatief wordt gereageerd.

Voor ons als sport is een goed vrijwilligersleger van wezenlijk belang, dat weten we maar al te goed van onze eigen verenigingen. Het is raar dat op het woord vrijwilliger soms negatief wordt gereageerd, maar misschien zijn we wel toe aan een herijking van de term.  Het hardnekkige beeld van de eeuwige clubicoon die de hele dag rond de club hangt klopt al lang niet meer.
Een studie van het Verwey Jonker Instituut noemt vier typen vrijwilligers: de dienstverlener, de regelaar, de stimulator en de ondernemer. Ik denk dat we in deze typologie allemaal wel vrijwilligers kennen. Met ‘one size fits all’ doen we vrijwilligers te kort. De moderne vrijwilliger wil een duidelijke opdracht, heldere taken, waardering. Modern vrijwilligersmanagement vraagt meer dan alleen een oproep doen op de site of het verenigingsblaadje ‘wie wil…?’  vul maar in.

Modern vrijwilligersmanagement wordt steeds meer een vak. Een vak met een eigen platform (www.vrijwilligerwerk.nl met prachtige voorbeelden, kijk er eens op!) en een heuse vrijwilligershoogleraar. Goed dat we dat en die hebben want we staan best voor een stevige uitdaging: We stellen als sporters meer eisen aan onze sportieve omgeving. We willen deskundige trainers, verantwoorde begeleiding en spullen die beschikbaar en in orde zijn. We gaan sport steeds meer als een noodzakelijke voorziening zien en sportend Nederland wil het aantal sporters omhoog brengen van 50% nu naar 75% in 2030.  Bij die ambitie steekt onze bondsdoelstelling – 15.000 roeiers erbij in 2030 – maar bleekjes af. Al die groei- en verbeterontwikkelingen maken dat we er niet aan ontkomen onze verenigingen te professionaliseren. Dat betekent niet dat dat verenigingen uiteindelijk worden bestierd door betaalde krachten. Wel betekent het dat er een uitdaging ligt om deskundigheid van de ondernemende, stimulerende, regelende en dienstverlenende vrijwilligers te vergroten.

In veel vakliteratuur over sport en vrijwilligerswerk is de ontwikkeling die ik hierboven schets te lezen. Toch zie ik nog maar weinig verenigingen de professionaliseringsstap maken. Wel verklaarbaar: Als sport zijn we gewend zelf onze broek op te houden en zelf zaken te regelen. Dat is onze kracht en zo zijn we groot geworden. Kwaliteitskaders zijn er maar weinig. En als ze er zijn hebben we die vaak zelf, op onze eigen manier, vormgegeven. En wie maken over het algemeen zulke kaders? Precies: diezelfde vrijwilligers. En zo is de cirkel weer rond.

Zou het geen mooie uitdaging zijn om zonder onze geschiedenis en de kracht van verenigingen te verloochenen, de kwaliteit van ons vrijwilligerscorps en de kwaliteit van ons vrijwilligersmanagement omhoog te brengen? Veel onderzoeken laten zien dat door vrijwilligers serieus te nemen, eisen te stellen, hen de gelegenheid te bieden door bijvoorbeeld opleiding ook aan die eisen te kunnen voldoen en die te belonen en waarderen, lol en waardering toenemen en vrijwilligers niet – wat velen denken – eerder afhaken, maar juist langer betrokken blijven. 
De vrijwillige ondernemer, de  vrijwillige stimulator, de vrijwillige regelaar en de vrijwillige dienstverlener worden zo op maat bediend. Als roeibond – de vereniging van roeiverenigingen – pakken we de handschoen op. Ook wij hebben immers tal van vrijwilligers, als lid van commissies, als kamprechter, of als motorbootkapitein. Sinds de ALV van 20 november hebben we in de persoon van IJsbrand Haagsma een bestuurslid opleidingen en vrijwilligersbeleid. Er ligt een mooie opgave. Welke vereniging volgt?

Vrijwilligers

Door Feike Tibben | 31 december 2021

Feike Tibben is bestuurslid van de Koninklijke Nederlandse Roeibond, met als portefeuille sportontwikkeling. Lees alle bijdragen – op persoonlijke titel – van Feike hier.


Op de een of andere manier was het de afgelopen weken druk rond het woord ‘vrijwilliger’. Of het nu door de verkiezing vrijwilliger van het jaar kwam of dat het een soort nasleepdiscussie was van het voorstel om eisen te stellen aan coaches, maar in één keer dook het op:

‘Tss ik ben coach, geen vrijwilliger: vrijwilligers zetten koffie in de bar en vegen de loods aan’
‘Je bent lid en onderneemt… alsof het (je inzetten op de vereniging, FT) gedwongen is. Vrijwilliger klinkt sukkelig.’

Zo maar twee reacties die mondeling via de juniorencommissie en digitaal op social media langskwamen. En er waren er meer. Bottom line: ‘Ik wil geen vrijwilliger genoemd worden. Dat is suf. Ik heb meer in mijn mars.’ Ik moest er even aan wennen. Ik had het nog nooit zo gezien. In mijn perceptie zegt vrijwilliger niets over niveau, deskundigheid, betrokkenheid,  betrouwbaarheid, of organisatieniveau alleen iets over financiële vergoeding. Van een vrijwilliger verwacht ik dat deze even dedicated en deskundig is als een betaalde kracht op dezelfde plek. Voor mij is er ook geen principieel verschil in hiërarchie. Er zijn professionals die vrijwilligers aansturen, maar er zijn ook vrijwilligers verantwoordelijk zijn voor professionals. Als bestuur weten we niet anders. Wij zijn per slot ook vrijwilligers. U kent het: ‘vrijwillig, niet vrijblijvend’.

Als Nederland slaan we ons zelf graag op de borst dat we vrijwilligersland No 1 zijn. ‘Van de Nederlandse bevolking boven de 15 jaar heeft 46,7% minimaal één keer vrijwilligerswerk gedaan in 2019’ staat te lezen op de site vrijwilligerswerk.nl. Bijna de helft! Met een gemiddelde inzet van ruim 4 uur per week zijn dat over de duim ruim 40.000 voltijdbanen. Bij een modaal inkomen een loonwaarde van 1,5 miljard euro.

Generatiedingetje?

Naast deze trots op onze toppositie hoor je nog wel eens dat het zijn van vrijwilliger een generatiedingetje zou zijn. Moderne vrijwilligers zouden geen life-time commitment meer hebben, primadonnas zijn die meer verleid moeten worden met leuke, afgebakende klussen. Daar zit wat in. Het aantal vrijwilligers en ook de inzet per vrijwilliger daalt ieder jaar een klein beetje. Maar is de moderne vrijwilliger inderdaad zo veeleisend en hard-to-get? Als ik kijk naar de drie kijk die dit jaar in de roeisport genomineerd zijn voor vrijwilliger van het jaar dan valt op dat ze jong zijn. Hoezo zou vrijwilliger een generatiedingetje zijn? Verder zie ik geen dwang of hoog koffiezet- en loodsveeggehalte (wat is daar overigens mis mee). Ik zie bij Mats van Slooten van De Hunze, Janine Vermeij van Tubantia en Lotte Burgers van Skøll naast een opsomming van inhoudelijke taken als opknappen van boten, juniorenopvang of verenigingsbranding en social media strategie, teksten als: ‘gewilde stuur die zorgt voor fijne sfeer’, ‘motiveert, stimuleert en organiseert, en geeft niet op als corona het een beetje moeilijker maakt’ en ‘altijd bereid iedereen te helpen’.  De waardering die uit de nominatie spreekt gaat verder dan de kwaliteit of de hoeveelheid werk die wordt verzet. Er is ook duidelijk waardering voor de bijna onzichtbare sociale, bindende rol die zij vervullen in de vereniging. Erkenning, Herkenning, Waardering en Beloning.

Modern burgerschap

Maar dan even terug naar het ongemak met het woord vrijwilliger, waar te weinig waardering uit zou spreken. Zou een andere naam, een waar meer waardering uit spreekt, helpen? Misschien. Ik geloof er niet zo in .Maar misschien helpt het ook om het begrip vrijwilliger anders te laden. Vrijwilligerswerk gekoppeld aan modern burgerschap, je inzetten voor je omgeving, de maatschappij waar je deel van uitmaakt. Hoezo sukkelig? Vrijwilligers zijn de idealisten, de ambassadeurs en de frontsoldaten van het verenigingsleven.


Nieuwe leden zijn geen probleem, ze zijn de bron

Door Feike Tibben | 26 september 2021

Feike Tibben is bestuurslid van de Koninklijke Nederlandse Roeibond, met als portefeuille sportontwikkeling. Lees alle bijdragen – op persoonlijke titel – van Feike hier.


Afgelopen week was ik op de Driewerf, op bezoek bij de drie Utrechtse roeiverenigingen, Orca, Triton en Viking. Ik was daar nog niet zo vaak door de week en zeker niet in september. Wat een potje met pieren! In de gym, de kantines, de kleedkamers, de botenloodsen en op het water: overal roeiers! ‘blijft volle bak hè, tweeduizend roeiers bergen op één locatie’, legde ik één van de verenigingsmensen voor. ‘’Tweeduizend? Tsss, dit zijn de drukste weken. Ik denk dat we tegen de drieduizend roeiers zitten op dit moment’, overklaste hij me. Ik had ’t kunnen weten. De landelijke media schreven het al: ‘Studentenverenigingen zij ongekend populair’.

Waarom het studentenroeien zo populair is weten we wel: de combinatie van sporten en verenigingsleven, van indoor en outdoor (dat scheelt weer een sportschoolabonnement), de mogelijkheid om je de sport snel eigen te maken en succes te hebben.

Maar minstens zo interessant is: hoe doen ze dat? Hoe krijgen ze die giga-instroom ieder jaar weggezet? Want waar het de studentenverenigingen lukt om de instroommassa soepel te stroomlijnen zien we bij algemene verenigingen toch te vaak een ander beeld: een beeld van wachtlijsten, van een tekort aan coaches en tekort aan instructeurs. ‘We hebben over het algemeen een wachtlijst van zo’n 100 personen, tegen de tijd dat we die gaan bellen voor een nieuwe instructieronde blijken er 75 inmiddels een andere sport te hebben gekozen’, zei laatst een clubbestuurder tegen me. Het klonk wat beschuldigend naar de wachtlijstmensen. Alsof zij onvoldoende trouw waren aan de club waarvoor zij zich hadden aangemeld. Maar ja, wat kun je verwachten als de vereniging belangstellenden zo lang laat wachten. Als je in de winkel te lang moet wachten voor je aan de beurt bent, verkas je toch ook naar een andere rij?

Zouden we dat mechanisme kunnen doorbreken? Zouden algemene verenigingen kunnen leren van studentenroeiclubs?  Saskia Grootens van het Mulierinstituut heeft dit voor haar studie Sportbeleid en Management onderzocht[1]. En als ik haar onderzoek in mijn eigen woorden samenvat dan stelt ze dat het de kracht van de studentenverenigingen is dat nieuwe leden worden ontvangen als vertegenwoordigers van de vereniging van morgen, niet als bezoekers van de vereniging van vandaag. Of nog iets scherper: hoe beter nieuwe leden de rol van nieuwe cultuurdragers, kartrekkers en ambassadeurs van de vereniging krijgen, hoe meer ze blijven hangen en hoe beter de vereniging wordt.  Een interessante conclusie. Natuurlijk is het zo dat bij een studentenroeivereniging de omloopsnelheid veel hoger is dan bij een algemene vereniging en dus ook het belang van een tijdige opvolging veel groter is, maar ook bij een algemene vereniging is steeds meer sprake van een grotere dynamiek. Het gemiddelde verenigingslid is vandaag de dag echt korter verbonden aan de vereniging dan vroeger. 

Maar hoe doe je dat terwijl je tegelijkertijd de tradities, kwaliteit en cultuur óók wilt behouden zodat ook de bestaande leden zich thuis blijven voelen. Saskia geeft er in haar onderzoek vijf ingrediënten voor:

  1. Zorg dat nieuwe leden groepservaringen opdoen. Organiseer nieuwkomerswedstrijden, -borrels en gezamenlijke trainingsmomenten op de vereniging.
  2. Wijs een vaste mentor aan die nieuwelingen wegwijs maakt en op sleeptouw neemt.
  3. Leer nieuwkomers ook hoe de club werkt. Vertel over vrijwilligerswerk, botenonderhoud, afstellen, bestuur, of instructie en geef de nieuwelingen ook een plek hierin (geef ze ook snel positie en verantwoordelijkheid).  
  4. Neem 1 t/m 3 op in een vast nieuwkomersprogramma.
  5. Vraag feedback en evalueer.

Eerlijk gezegd weet ik niet of we het daarmee redden, of we daarmee bijvoorbeeld een tekort aan instructeurs in één keer kunnen oplossen. Maar het zien van nieuwe leden als ‘de nieuwe generatie’, of ‘de vereniging van morgen’ die zouden kunnen helpen met de uitdagingen van vandaag vind ik een interessante gedachte.

Hans Maarten van de Brink maakte in ‘Over het water’ ooit de vergelijking dat je een vereniging zou kunnen zien als een rivier: de loop verandert mondjesmaat en blijft vertrouwd en herkenbaar. Maar het water (de leden) ververst continu. Precies: nieuwe leden zijn geen probleem, ze zijn de bron.  


[1] ‘Organisatiesocialisatie in studentensportverenigingen. Een onderzoek naar bewuste en onbewuste inzet van socialisatietactieken binnen de studentensportverenigingen’, masterscriptie, Universiteit Utrecht.

Top- en breedtesport hebben elkaar nodig

Door Feike Tibben | 9 september 2021

Feike Tibben is bestuurslid van de Koninklijke Nederlandse Roeibond, met als portefeuille sportontwikkeling. Lees alle bijdragen – op persoonlijke titel – van Feike hier.


Mijn roeigedachten over impact van top- op breedtesport en vice versa van een paar weken geleden heeft wel wat in beweging gezet. Sommigen vonden me te afstandelijk: ik zou meer enthousiasme en bewondering naar de prestaties van ‘onze jongens en meiden’ moeten tonen. Anderen waren het echt oneens met de onderzoeksuitkomst – dat het Epke-, Ankie- of Dafne-effect niet bestaat – en vonden dat topsport juist wél inspireert en leidt tot meer sportdeelname en meer sportplezier.
Tegen de eerste groep zeg ik: natuurlijk is sport emotie. Graag zelfs, kom maar op! Ik kom daar binnenkort graag nog eens op terug.
En ook de tweede groep heeft een beetje gelijk: natuurlijk zijn er mensen die, geïnspireerd door sportprestaties, zelf gaan sporten. Maar ja, daartegenover staan weer anderen die geïntimideerd raken door toppers (‘dat lukt mij nooit’) en afhaken. Grosso modo, zo tonen sport-onderzoeken steeds maar weer aan, hebben prestaties van toppers weinig impact op het aantal sporters. Vice versa is ook niet waar, zei ik vorige keer al: een sterke breedtesport leidt niet per se tot meer medailles aan de top. Al met al zou dat voor sommigen leiden tot een wat kille of ontluisterende conclusie: Zijn top- en breedtesport dan gescheiden werelden, is er dan geen interactie?

Als we terug kijken in de tijd dan waren top- en breedtesport vroeger stevig aan elkaar verbonden. Topsporters, dat waren de helden op je club, die liepen in hetzelfde(!) tenue als jij, die kwamen op een clubavond vertellen van verre reizen en bijzondere prestaties. Toppers zag je af en toe ‘zomaar’ in je dorp of stad en als actief clubgenoot kreeg van hen je soms – wat een eer! – een bijzondere training.

Dat romantische beeld ligt ver achter ons. De moderne topsport verdraagt zich maar moeilijk met verenigingsactiviteiten. De moderne topsport vraagt faciliteiten, trainers, programma’s, hoogtestages, zorgvuldig pieken en is bovendien veel meer internationaal dan nationaal georiënteerd. Die beweging is universeel. Of het nu gaat om voetbal, tennis, wielrennen en ja ook onze eigen sport: toppers spelen op een ander speelveld dan wij.

Maar dat is maar één kant van het verhaal. Aan de breedtesportkant schuift en beweegt er ook van alles. Was vroeger het beoefenen van sport beperkt tot het veld of de zaal van de vereniging, tegenwoordig is sport overal. Overal rennen, wandelen, bootcampen mensen, in groepjes of alleen, commercieel, georganiseerd, of spontaan. En passant wordt daarbij de term ‘sport’ flink opgerekt. Wat vroeger een ommetje was heet nu workout, en termen als recreatiesport en beweegsport (eeks!) sluipen in ons taalgebruik. Breedtesport wordt zo wel heel breed.

De top wordt steeds hoger, de breedtesport steeds breder. Voeg je beide ontwikkelingen samen, dan zie je dat top- en breedtesport, die van oorsprong aan elkaar verbonden waren, van elkaar vandaan bewegen. Is dat erg? Ik hoor het antwoord al: ‘Zo lang we medailles halen is het toch goed’  of ‘Zo lang onze sport groeit kunnen we toch tevreden zijn’? Ik denk dat dat een te beperkte blik is. Bovendien behoorlijk zelfgenoegzaam en dat is altijd gevaarlijk, weten we maar al te goed uit de sport. Ik denk dat er een gevaar in schuilt wanneer we top- en breedtesport uit elkaar laten groeien. Laat ik een poging doen.

Allereerst is topsport gebaat bij breedtesport. Om de meest voor de hand liggende bate maar eerst te pakken: breedtesport is kweekvijver van nieuw talent. Dat zal iedereen herkennen. We kennen allemaal verhalen van kampioenen van nu die hun basis diep in de provincie hebben of op een of ander achteraf-knollenveld. Maar er zijn meer baten: breedtesport is ook belangrijk als vernieuwer van sport. Nieuwe sport- en spelvormen ontstaan aan de basis, waar belangen nog niet zo groot zijn en er ruimte is voor experimenteren. Kijk naar het coastal roeien, ontstaan in de luwte, verbeterd en nu op weg naar topsport-status.
En om te besluiten met twee praktische impacts: breedtesport is een grote en de meest trouwe financier van topsport. Het zijn sportende leden die de nationale equipes ondersteunen. Dat geldt heus niet alleen voor minder betaalde sporten als roeien, korfbal of turnen. Ook het Nederlands voetbalelftal wordt gefinancierd door de leden, Het echte oranjelegioen, dat zijn de 1,2 miljoen KNVB-leden: de F-jes, 5e klasse zaterdagamateurs en de voetballers van district west 1 die afdragen aan de bond. Tot slot, we vergeten het soms te gemakkelijk, is breedtesport belangrijk voor sponsoren. De andere sporters zijn de meest makkelijke en meest zichtbare doelgroep voor sponsoren. Sporters kijken immers sport, lezen over sport, gaan naar toernooien, kopen merchandise, etc.

Breedtesport op zijn beurt heeft ook topsport nodig. Het ontmoeten van toppers (topsporters, topcoaches) blijkt steeds weer een belangrijke inspiratie voor de breedtesporters van nu. Hun kennis, lol, ambitie, verhalen en voorbeelden blijven een rijke voedingsbron. Ik hoor verhalen van verenigingen waar één demonstratie van een olympische ploeg nog jaren doorgonst op de club. Ik hoor van ploegen die door een paar gerichte top-trainingen opeens next level sporten. Coaches die het stoer vinden om mee te kijken bij een topcoach (doe dat!). En van meer recenter datum: hoe prachtig was het om te zien hoe onze junioren op de DYIR groeiden, alleen al door naast een ANRT-roeier te mogen staan. En ik kan me vergissen, maar volgens mij was bij al deze voorbeelden het plezier geheel wederzijds. In zulke ontmoetingen liggen mooie kansen om onze verenigingen leuker te maken, sporters meer plezier te geven en de trots op onze sport te laten groeien. Goed voor verenigingen én voor de top.

Top- en breedtesport hebben elkaar nodig, ook in de toekomst. In het verstevigen van die binding liggen uitdagende kansen!

Nog niet uitgegroeid

Door Feike Tibben | 7 mei 2021

Feike Tibben is bestuurslid van de Koninklijke Nederlandse Roeibond, met als portefeuille sportontwikkeling. Lees alle bijdragen – op persoonlijke titel – van Feike hier.


De olympische vlam is nog niet gedoofd of de inspiratiebetogen komen weer naar boven. Sporters zouden door hun bovenmenselijke prestaties anderen inspireren om ook te gaan sporten. Ik heb niet alle huldigingen gevolgd, maar ik kan me een aantal gloedvolle toespraken voorstellen waarbij woorden van gelijke strekking zijn uitgestrooid.

Nu wil ik geen spelbederver zijn (ook ik heb genoten), maar was het maar zo simpel. De mythe van het “trickle down”, of inspiratie-effect, dat door topsport een sport groeit, is al in de jaren negentig doorgeprikt door Maarten van Bottenburg en daarna nog vaak bevestigd: het Ard en Keessie-effect, Dafne-effect, Epke-effect of Annemiek-effect, de impact van de oranjeleeuwinnen… Helaas, het is er niet. Het aantal leden van de atletiekunie daalt al bijna tien jaar en bij de wielerbond en de turnbond is het ondanks de successen niet veel beter. Soms worden na prestaties kleine effectjes gevonden, maar nooit groot of duurzaam. Het olympisch goud van Rienks en Florijn werd bijvoorbeeld gewonnen in een periode waarin onze sport groeide, maar na de titel trad geen extra groei op. Is er dan echt nooit impact? Toch wel. Een paar keer in de geschiedenis door succes een keerpunt in de sport te zien (met dank aan www.allesoversport.nl):

  • Hockey in 1928: De mannen van de Nederlandse hockeyploeg halen de olympische finale. Daarna stijgt het aantal nieuwe verenigingen in Nederland gedurende een aantal jaren met meer dan 13 per jaar.
  • Schaken in 1936: Max Euwe wint de wereldtitel. In de vijf jaar daarna groeit het aantal schaakclubs met meer dan 300.
  • Judo in de jaren zestig: Anton Geesink wint in 1961 de wereldtitel en in 1964 de olympische titel. Het aantal judoverenigingen groeit in zeven jaar tijd van 36 naar 110.
  • Darts in 1998 en 1999: Na de successen van Raymond van Barneveld verdubbelt het aantal darters in 10 jaar tijd.

De rode draad hierbij lijkt te zijn dat het plotselinge succes ervoor zorgt dat een kleine, tot dan toe weinig zichtbare sport bij het grote publiek bekend wordt en er tegelijkertijd in snel tempo een infrastructuur uit de grond wordt gestampt waardoor de sport toegankelijk en bereikbaar wordt voor een grote groep. Bij de al bekende sporten is zo’n ‘ontdekkings-effect’ er niet. Vóór Ard en Keessie kende iedereen het schaatsen, vóór Dafne zagen we al sporadische successen in de atletiek, en ook vóór Epke luisterden we al naar Hans van Zetten.

Voor de breedtesporter die nu handenwrijvend maar denkt dat we juist moeten investeren in breedtesport om topprestaties te bereiken: helaas, het “trickle-up effect” is al even beperkt. De meeste topsporters komen weliswaar voort uit de breedtesport, maar een brede basis van sportparticipatie blijkt geen garantie op sportief succes. Landen met een grote sportpopulatie zijn soms verrassend weinig succesvol zijn én andersom.

Hoe kunnen we als sport dan wel steeds succesvol zijn in aantallen en prestaties? Laat ik een poging doen: allereerst door te zorgen dat sport bereikbaar is. Goede en betaalbare voorzieningen waar je kunt sporten, dicht in de buurt. Als roeisport hebben we daarin nog wat stappen te zetten. We hebben maar 123 roeilocaties in het land.

Behalve veelheid aan accommodaties is een ook een spreiding aan aanbieders en het beschikken over meerdere sportvormen gewenst. Zorgen dat mensen een manier van sporten kunnen vinden die bij hen past. Misschien kan een commerciële sportaanbieder een uitkomst zijn voor wie een vereniging te verplichtend vindt of past bij een ander beter het iets ruigere coastal of het sloeproeien dan het aloude glijden op vlak water. Een breed aanbod draagt bij aan een grotere deelname.

Gaan we dan niet de focus op prestaties verliezen, wordt de soep dan niet te dun met al die nieuwe sportvormen, al die verschillende soorten aanbieders en ook nog eens sporten op teveel locaties?  Ik geloof het niet. Kijk bijvoorbeeld eens naar de successen van de baanwielrenners: op een paar na komen die allemaal uit de ‘Bicycle motocross’ (BMX). Wie in de jaren zeventig zou hebben gekeken naar de film On any sunday kon niet bedenken dat het raggen op kinderfietsjes vijftig jaar later zou leiden tot olympisch baansucces. Of zie eens de resultaten van onze shorttrackers of skeeleraars bij het schaatsen: beide sportvormen werden eerst vooral gezien als manier om aan je bochten te werken of de zomer te overbruggen, maar zorgen inmiddels voor interessante cross-overs en klinkende resultaten. Zomaar een paar willekeurige voorbeelden hoe sportontwikkeling bijdraagt tot prestaties. Het gaat er om dat we veel mensen aanspreken, hen de gelegenheid en plezier bieden om te sporten en tegelijkertijd een structuur hebben om de talenten die er op al die plekken zijn, te ontdekken en hen de gelegenheid geven tot rijpen. Dat is een stuk weerbarstiger en minder romantisch dan het simpele ‘inspiratie voor allen’, maar niet minder leuk en minstens zo verrassend. En hey: We zijn nog lang niet uitgegroeid.

Het jaar voorbij

Door Feike Tibben | 7 mei 2021

Feike Tibben is bestuurslid van de Koninklijke Nederlandse Roeibond, met als portefeuille sportontwikkeling. Lees alle bijdragen – op persoonlijke titel – van Feike hier.


Het afgelopen jaar heb ik wekelijks een column geleverd aan Roei.nu. Ik heb hierin geprobeerd jullie mee te nemen in wat er zoal omgaat in dat KNRB-bestuur en de diverse commissies en heb inzichten en ontwikkelingen op sportgebied met jullie gedeeld. Mijn insteek was daarbij om sporters, sportkader en sportbestuurders te motiveren en uit te dagen om nieuwe wegen in te slaan, de sport te blijven innoveren en nieuwe groepen aan te laten haken. Mijn bestuursportefeuille heet immers niet voor niets ‘sportontwikkeling’.  Soms ben ik daarbij op wat tenen gaan staan of heb ik tegen schenen aangeschopt, dat moeten jullie me maar vergeven. Alles voor de goede zaak.

We zijn nu het jaar voorbij, een periode van wekelijkse stukjes sluit ik vandaag af. Het is weer tijd om ruimte te maken voor andere roeibestuurszaken.

In deze laatste bijdrage wil ik eens een blik geven op mijn portefeuille: hoe innovatief zijn we nu eigenlijk als roeisport. Ik krijg nogal eens het verwijt – zowel van binnen als van buiten de roeisport: ‘die roeisport, jullie houden maar vast aan tradities ontwikkelen totaal niet mee’ of het wat meer gevatte ‘jullie missen de boot’. 

Nu wil ik niet zeggen dat ik helemaal tevreden ben over de ontwikkeling van de sport, ‘dat mag wel een stukje sneller, breder, innovatiever ’ zegt mijn ongedurige inborst.  Ik zie nog veel verenigingen focussen op het afdraaien van jaarlijkse riten. Verenigingen die moeilijk uit de corona-stand komen en blijven focussen op wat niet kan. Ik zie ook hoe lastig het is om nieuwe groepen te binden aan de club. Ik maak me echt zorgen om het aantal junioren. Dat gaat nog steeds niet goed. Daar moeten echt 1, 2, nou doe maar 7, tandjes bij.

Maar gelukkig zie ik ook veel verenigingen die nieuwe dingen doen, ontwikkelen, leren, samenwerken. Zo maar wat voorbeelden (en excuus voor iedereen die niet genoemd is):

Bij roeivereniging Breda lenen ze SUP-boards uit aan ouders van roei-junioren, waardoor deze actief de tijd kunnen doden en langzaam ook verbonden worden aan de vereniging. Mooie service! Bij roeivereniging Gouda gaan ze nog een stap verder met die sup’s. Daar hadden ze al edonskiffs (check ‘t filmpje, zo heb je nog nooit iemand in een roeiboot zien stappen!) maar nu gaan ze naast roeien en zeilen ook suppen aanbieden. Kijk maar!

Nieuwe verenigingen als RV Harder en Dutch Coastal Rowing introduceren nieuwe lidmaatschapsvormen, waarbij mensen die maar af en toe bij deze clubs willen roeien makkelijk kunnen instappen. Iets vergelijkbaars biedt ook RV De Waal uit Nijmegen. Zij bieden sporters van andere verenigingen indoorfaciliteiten. Die andere sporters hoeven zo niet naar een dure sportschool, RV De Waal krijgt extra inkomsten. Een win-winst-situatie.

De Amsterdamse algemene verenigingen De Hoop, Willem III, RIC en De Amstel gaan samen met steun van NOC*NSF de website ikwilroeien.amsterdam.nl opzetten. Alle verenigingen bieden via die weg junioren een maand intro aan. Wat een mooi samenwerkingsinitiatief!

Samenwerken met anderen doen ze ook in Eindhoven. Daar bieden roeivereniging Beatrix en Theta.  Beta-roeien aan: junioren worden begeleid door studenten. Zo kan de algemene vereniging héél veel nieuwe leden opvangen.

Roeiverenigingen De Laak en Pelargos, nu nog geen buren, hebben samen het initiatief genomen om Roeicentrum De Binckhorst op te zetten en zo het roeien in de Haag een sprong voorwaarts bieden. En wat te denken aan al die initiatieven van verenigingen om maatschappelijk actief te zijn en zo de vereniging op de kaart zetten. Bijvoorbeeld roeiverenigingen De Grift, CornelisTromp, Hemus, Aeneas, TOR en Aross   die jaarlijks het zwerfvuil rond hun vaarwater opruimen.

Of verenigingen als Pelargos die een flink deel van de inkomsten van de Hofvijverregatta aan goede doelen schenkt, Theta dat op dit moment hartjes fietst voor de Hartstichting.

En meer voor verenigingen zelf: niet nieuw, maar wel vernieuwend: opleidingen openstellen voor andere verenigingen zoals Nautilus doet met de cursus roeien op stromend water. Misschien zijn er wel meer service-initiatieven te bedenken.

Roeivereniging De Hunze uit Groningen servicet de eigen leden door ketencoaching, iedereen leert beter roeien, en roeiers van verschillende niveaus worden aan elkaar verbonden. Een mooi initiatief om leden te verenigen. Kan zó elders worden opgepakt!

De Nederlandse sportraad roept ons op te innoveren. Andere vormen van binding te verkennen. De sporter meer centraal stellen en de sport minder’ schreef ik twee weken geleden. Een collega-bestuurslid mopperde eerder daarover ‘mag de sport ook alsjeblieft sport blijven?’
Zeker!

Ik verwacht ook niet dat we ons als sportverenigingen en masse inschrijven op het ‘steunpakket sociaal en mentaal welzijn ten behoeve van de jeugd, ontmoeting en begeleiding van kwetsbare groepen en bevordering gezonde leefstijl’. Dat is inderdaad een flinke stap te ver. Schoenmaker blijf bij je leest. Tegelijkertijd zien we echter dat behoeften van sporters veranderen en ook de positie van sport verandert. Er zijn bovendien meer aanbieders, meer sporters. Dat maakt onze omgeving anders. Het is óók aan ons om daarop in te spelen.

De tijd staat niet stil. We mogen meebewegen. We zijn een sport, geen museum.

Hoewel zo’n museum… Afgelopen week bracht ik een bezoekje aan het digitale roeimuseum.nl, en kijk: sommige zaken komen gewoon weer terug. Neem nou deze uit 1917, het oprichtingsjaar van de KNRB: er wordt gesproken gecombineerde wedstrijden voor boten met vaste bank en boten met slidings: daar praten we nu óók weer over om de werelden van het sloeproeien en van het coastalroeien wat meer bij elkaar te brengen. Dat idee is helemaal niet nieuw, maar hartstikke ouderwets.

Of dan deze: het beeld van de allereerste(!) roeiwedstrijd in Nederland in Rotterdam in 1846: dat beeld verschilt toch niet wezenlijk van een plaatjes van de worldcup beachsprint in 2019 (meer dan 150 jaar later) of wedstrijden in een heel nieuwe klasse boten: de St Ayles skiffs. Ik heb ze maar even bij elkaar gezet. Je ziet: dat beeld is niet ouderwets, maar juist hartstikke nieuw!

Sportontwikkeling is eigenlijk net als roeien: je kijkt strak achteruit, houdt in de gaten wat links en rechts van je gebeurt en ondertussen ga je doelgericht en efficiënt vooruit.

Allemaal meedoen hoor!