Allemaal vergaderen

Door Feike Tibben | 13 november 2020

Feike Tibben is bestuurslid van de Koninklijke Nederlandsche Roeibond, met als portefeuille sportontwikkeling. Lees alle bijdragen van Feike hier.


Volgende week is de Algemene Vergadering van de roeibond. Alweer de tweede digitale. We zien dat een jaar van bijna niet doorgaan van evenementen door corona zijn tol eist. Typische AV-eindejaarsfeestjes zoals de verschillende uitreikingen zijn geschrapt; er is gewoon te weinig geroeid om te kunnen spreken van volwaardige klassementen. Toch jammer. Het kost tijd om goede tradities op te bouwen.

Dit jaar zien we nog een ander fenomeen: De impact van corona op financiën. De week vóór de AV komen de vragen binnen van verenigingen. Dit jaar vragen enkele verenigingen of de afdracht aan de bond niet lager kan. Op hun beurt zien we ook bij een aantal sportverenigingen dat leden opzeggen of geld terug vragen: ‘We hebben immers niet kunnen sporten? Zo krijg ik geen waar voor mijn geld’.

Aan de andere kant zullen er ook bonden zijn die bij NOC*NSF aandringen op lagere afdracht. Een aantal bonden is financieel afhankelijk van inkomsten uit competitie, en tja, als die niet doorgaat…

Zonder het recht om discussies over geld, afdrachten en verantwoorde besteding te betwisten (zeker niet, als sport zijn we gebaat bij een open en transparante besluitvorming hierover), heb ik moeite met de beweging dat leden minder willen betalen aan verenigingen, verenigingen claimen bij bonden en bonden een beroep doen op NOC*NSF. Als we als sporters vooral als consument zouden denken dan zouden we lid worden van een vereniging met de laagste prijs of de hoogste ROI.

Maar is individueel voordeel nu dé reden om lid te worden van een vereniging of een bond? Veel bepalender voor het kiezen is of je je er thuis voelt, of alle ledenbelangen tot hun recht komen. Het zijn van een gemeenschap, elkaar ontmoeten, jezelf ontwikkelen en collectieve belangenbehartiging zijn veel méér doorslaggevend. Daar hoor een zorgvuldig-kritische blik bij, maar ook solidariteit. Dat geldt voor een vereniging, maar is in essentie voor een bond of NOC*NSF niet anders.

Laten we elkaar open beoordelen, worden ledenbelangen evenwichtig gewogen, wordt het geld zorgvuldig besteed, maar laten we ervoor waken dat we tekorten naar elkaar doortoepen. Voor je het weet creëren we een piramide van vorderingen. Zie daar maar weer eens vanaf te komen. Juist nu moeten we met z’n allen de in jaren opgebouwde sportinfrastructuur overeind houden. Laten we het dáárover hebben. Roeien doe je samen.



I want a recount!

Door Feike Tibben | 6 november 2020

Feike Tibben is bestuurslid van de Koninklijke Nederlandsche Roeibond, met als portefeuille sportontwikkeling. Lees alle bijdragen van Feike hier.


In een van mijn eerste columns heb ik al eens wat geschreven over datamanagement en bondsbeleid. In de afgelopen vier regiobijeenkomsten voor verenigingen in noord, oost, zuid en west hebben we verenigingen laten zien wat een gaaf dataproduct voor verenigingen in ontwikkeling is. Was je er niet en ben je wel geïnteresseerd? Even wachten tot het roeicongres.

Vorige week schreef ik hier een bijdrage over algemene verenigingen. Ik schreef onder andere: ‘…de roeipopulatie is gewijzigd. Inmiddels zijn er zoveel oudere sporters dat het aandeel studentenleden nog ongeveer 1/3 van het totaal aantal roeiers is…. Over een paar jaar is misschien wel ¾ van de roeiers niet-student…’
‘Ja’ kwam al snel de repliek – en misschien wel geïnspireerd door verkiezingshektiek in de VS -, ‘dat kun je wel stellen, maar wij studenten roeien veel meer. Op grond daarvan zouden wij een grotere stem moeten hebben.’ Gelukkig hebben we die data ook. Verenigingen hebben de afgelopen zomer opgegeven hoe vaak er gevaren wordt. Totaal gaan we in Nederland in een jaar 610.892 keer per jaar het water op! Buiten de wedstrijden… En ja, er zijn provincies waar de studentenverenigingen vaker het water op gaan dan de roeiers bij de algemene verenigingen, zoals in de provincies Utrecht en in Groningen waar 72% resp 54 % van het aantal roeibewegingen toegeschreven kan worden aan studenten. Maar overall overstijgen de studenten de niet-studenten niet in aantallen keren sporten: 42% voor de studenten en 58% voor de niet-studenten.

De provincie waar het meest geroeid wordt: helaas Noord-Holland, jullie hebben wel het grootste aantal roeiers, nl. meer dan 10.000, maar bij de Hollandse zuiderburen wordt meer geroeid. Noord-Holland 162.335 keer, Zuid-Holland 172.159 keer per jaar. In Zuid-Holland roeit iedere roeier gemiddeld 13% meer dan in Noord-Holland. Werkers zijn het.

De provincies waar het minst geroeid wordt: Drenthe en.. Zeeland. Nou ja zeg.. Zoveel water! Misschien moeten we daar eens wat meer activiteiten doen.

Is er dan misschien nog een kleine kans dat de studentenverenigingen meer boten hebben? Helaas. Dit helpt nog minder. Van de in totaal 6.184 roeiboten die er in Nederland bij verenigingen liggen zijn er maar 1.724 in bezit van studentenverenigingen. Een schamele 28%. Zelfs in het roeirijke Utrecht zijn er meer boten in bezit van algemene verenigingen dan van studentenverenigingen.
Hertellen helpt niet altijd…

Algemene roeiboten | Foto Sequana


Bye bye burger

Door Feike Tibben | 29 oktober 2020

Feike Tibben is bestuurslid van de Koninklijke Nederlandsche Roeibond, met als portefeuille sportontwikkeling. Lees alle bijdragen van Feike hier.


Oplettende roeiers is het al opgevallen… als roeibond gebruiken we het woord ‘burgervereniging’ niet meer. We spreken over algemene verenigingen. Natuurlijk zullen we ons nog wel eens verspreken en ik sluit ook en web-aanduiding hier en daar niet uit, maar lukt ons steeds beter. Steeds meer roeiers gebruiken het ook. ‘Algemene vereniging’ is the word. Natuurlijk zal ‘burgervereniging’ nog wel hier en daar voorkomen op webpagina’s, maar Wikipedia heeft ‘algemene vereniging’ al netjes overgenomen. Je zou kunnen zeggen: zo langzamerhand wordt algemene vereniging algemeen.

Maar waarom doen we dat eigenlijk? We zijn de naam burgervereniging toch zo lekker gewend, het klinkt zo vertrouwd en het bekt zo lekker.

Wie een beetje zoekt ziet dat de term burger vooral gebruikt wordt door bijzondere groepen. Bij studenten, zoals wij maar al te goed weten, maar ook in leger-, brandweer- en politiekringen en niet te vergeten de woonwagensector.
De term ‘burger’ wordt vooral gebruik om je eigen groep te onderscheiden, om aan te geven dat je samen anders bent dan de rest. ‘Burgers? Dat zijn de anderen, hullie zonder vrijheid, zij zonder sterren en strepen of woners zonder wielen, niet wij. Burgers, dat zijn de niet-studenten, de niet-geüniformeerden en zij die in gewone huizen wonen.’
en kwestie van perspectief dus.

Vroeger, toen we in de roeisport veel studentenleden hadden ten opzichte van het aantal niet-studenten, toen bovendien de niet-studentenleden vaak ex-studentleden waren, toen was het misschien wel logisch om vanuit studentenperspectief te denken. Bij die gedachte past het om de term  burgerroeivereniging te gebruiken. Burgerroeivereniging was een makkelijke term om onderscheid te maken met ‘de onzen’, de studentenroeivereniging.
Maar ja, de roeipopulatie is gewijzigd. Inmiddels zijn er zoveel oudere sporters dat het aandeel studentenleden nog ongeveer 1/3 van het totaal aantal roeiers is. En veel van de niet-studentenroeiers zijn geen terugkerende ex-studenten, maar roeiverse ‘late entries’. En die groei zet door. Over een paar jaar is misschien wel ¾ van de roeiers niet-student en is het aantal late-entries ook nog gegroeid.

Daarom is het hoog tijd om als inclusieve sport de bakens te verzetten:
Wij spreken dus voortaan van Algemene Verenigingen en Studentenverenigingen.



Dinsdagavond 13 oktober

Door Feike Tibben | 23 oktober 2020

Feike Tibben is bestuurslid van de Koninklijke Nederlandsche Roeibond, met als portefeuille sportontwikkeling. Lees alle bijdragen van Feike hier.


KNRB-bestuursvergadering. Digitaal feliciteren we elkaar met de prestaties in Poznan en bespreken we de impact van de zojuist door Rutte c.s. gehouden persconferentie over nieuwe corona-maatregelen. Opvallend snel went onze nieuwe roeistatus en al even snel worden consequenties die enkele maanden geleden nog als bijzonder en ingrijpend werden ervaren, geaccepteerd en geïmplementeerd.

Op het moment dat wij bestuurlijk vieren en vooruitkijken komt op de Oude Rijn bij Katwijk een sloep van Ferox frontaal in aanvaring met een binnenvaartschip. Een lid van de vereniging overlijdt. Wat een drama. Zoals Kees Verweel het vorige week verwoordde: Het roeiseizoen kwam die avond met een oorverdovende dreun abrupt ten einde.

In de dagen na het ongeval is er contact met Dick Borst van de Federatie Sloeproeien Nederland. We bieden als KNRB hulp aan de federatie en de vereniging. Dat gaat verder dan medeleven. Uit ervaring weten we dat al snel de schuldvraag aan de orde komt en welke impact dat weer heeft op een hechte roeigemeenschap.
Ook nog contact met Die Leythe en Njord. Roeien zij ook op de Katwijkse Rijn? Kennen ze de situatie ter plaatse? Wat zijn hun ervaringen? Moeten we misschien met de waterbeheerder overleggen?  

Ik denk terug aan 12 januari 2019. Op het terrein van Avifauna in Alphen aan de Rijn ondertekenen die dag de provincie Zuid Holland, de belangenvereniging voor de beroepsvaart Koninklijke BLN Schuttevaer, de Roeibond en tien Zuidhollandse roeiverenigingen het Roeiconvenant ‘Veilig varen doe je samen!’.
We spreken die dag met schippers. We horen hun verhalen over veilig varen. Als roeiers zijn we die dag merkbaar onder de indruk van hun kundigheid en zicht op veiligheid. We maken afspraken over kennisuitwisseling, over incident-meldingen, over voorlichtingsmateriaal en kleding en zetten gewichtig onze handtekening onder de afspraken. Allemaal goede intenties die inmiddels voor een belangrijk deel ook worden nagekomen. Alfred Dijkstra liet recent zijn licht nog eens schijnen over wat we allemaal zelf kunnen om veilig te varen.

Als roeiers zijn we gewend om met een zekere trots een boot te stappen. Met ferme halen overwinnen we wind en golven en voelen we ruimte, vrijheid en snelheid. We voelen ons sterk en machtig in ons schip.
En tegelijk zijn we oh zo kwetsbaar. We fietsen achteruit op een snelweg schreef ik eerder. En zeker in het donker lijkt er een wereld te winnen.

En dan ook nog de corona-maatregelen die alleen maar ruimte laten om ondanks het koude seizoen toch maar te varen in wankele kleine nummers, en misschien ons zelfs verleiden om als roeiers nog meer de randen van de dag op te zoeken.

Roeien en veiligheid, het blijft balanceren op een dun koord.

Het incident in Katwijk komt hard aan.



Nieuwe dingen / denkers, sjouwers en bouwers

Door Feike Tibben | 9 oktober 2020

Feike Tibben is bestuurslid van de Koninklijke Nederlandsche Roeibond, met als portefeuille sportontwikkeling. Lees alle bijdragen van Feike hier.


Je kent ze wel. Die mannen, vrouwen die op zaterdagochtend vroeg voor de sport nog de laatste voorbereidingen treffen, die doordeweeks tot laat vergaderen om de puntjes op de i te zetten. Zij zijn het die in de haarvaten van de sport zitten. Ze zijn ambassadeurs, bouwers, verkenners, diplomaten, ontwikkelaars.
Ik heb het natuurlijk over onze mensen die in commissies of werkgroepen zitten. Die niet alleen maar zelf roeien of besturen, ze zijn de fronttroepen van ideeën en afmakers van besluiten. Ze bouwen aan de basis en zorgen dat de boel draait. Geen bestuur kan zonder deze noeste denkers, sjouwers en bouwers.
Je kent ze wel uit je eigen vereniging. Bij de roeibond is dat niet anders. Geen ingewikkelde functies, maar gewoon mensen die zich samen inzetten voor de roeigemeenschap. Gewoon uit de verenigingen, en altijd weer bijzonder in hun kunde en passie. Bergen werk verzetten ze. Meestal achter de schermen, soms ervoor. Dan komen ze aan bod in een rubriek of in een interview. Mooie verhalen. Verhalen om trots op te zijn. Verhalen om door geïnspireerd te worden. Zoals de komende weken. Dan zijn er vier regiobijeenkomsten voor verenigingen, waarin op een aantal onderwerpen de laatste info gegeven wordt.

‘Tss, boeiuu, saai, ver van m’n bed show, niet voor mijn vereniging’.
Huh? Ik dacht het niet!

De commissie Roeiwateren bijvoorbeeld klinkt als titel misschien wat belegen, maar ze hebben een toffe tool in ontwikkeling waarmee je als vereniging misschien wel kunt zorgen dat die brug naast je vereniging net iets beter wordt aangelegd, dat er geen aanlegsteiger wordt gebouwd en snel weet waar je je kunt melden. Ik zeg: komt dat zien, hier heb je wat aan.
Tja, en dan coastal roeien. De afgelopen jaren is een stevige basis gelegd voor deze niet meer weg te denken roeivorm. Verenigingen hebben boten gekocht, er is een strak klassement opgezet en er is ervaring opgedaan in het organiseren van wedstrijden. Dat staat. Nu wordt het tijd om te verbreden en het niveau omhoog te brengen. Hoor uit eerste hand hoe je als vereniging hierop in kunt spelen.
Over de juniorencommissie is al veel gesproken, maar weet je ook welke resultaten al zijn bereikt, waar verenigingen geleerd hebben van elkaar, waar het lastig wordt en hoe ervaringen kunnen worden gedeeld? Krijg de meest actuele informatie uit het veld.



Poldershit

Door Feike Tibben | 2 oktober 2020

Feike Tibben is bestuurslid van de Koninklijke Nederlandsche Roeibond, met als portefeuille sportontwikkeling. Lees alle bijdragen van Feike hier.


Toen wij thuis ruim 10 jaar geleden onze woning wilden verbouwen, leidde dat plan ertoe dat we het grootste deel van deze voormalige boerderij gingen slopen. Alleen het oorspronkelijke woondeel was van voldoende kwaliteit om te laten staan. Naast ratio was er ook wel iets van romantiek bij die afweging: we vonden het ook wel mooi om iets van het oude te handhaven. Aangezien het niet te slopen deel van de woning te klein en niet geschikt was om tijdens de verbouwing in te blijven wonen hebben we met het hele gezin een klein jaar in mobiele units naast de bouwplaats gewoond, het huis leeg achterlatend. Nou ja leeg… Zodra wij uit de woning gingen, kwamen er andere bewoners. Opvallend hoe snel een leegstaand pand wordt ingenomen door woningzoekende mussen, marters, spinnen, torren en ander gespuis. Binnen de kortste keren is zo’n gezinswoning een heuse dierentuin.

Huize Tibben, work in progress

Ik moest daaraan denken toen ik de bijdrage van Willem van Schelven las over de Willem-Alexander Baan. Willem beklaagt zich erover dat er bij de totstandkoming van de Willem-Alexander Baan teveel functies bij elkaar gepolderd zijn waardoor de baan nu vooral een vogelparadijs is geworden. Hij baalt er van dat het poldergepoep van die beesten de roeisport belemmert. Hij pleit voor extra beheermaatregelen. Wat er precies gedaan zou moeten worden laat hij in het midden, maar hij is wel ferm: Rotterdam zou stevig met de sportvuist op de tafel moeten slaan!

Ik denk dat Willem de plank misslaat.
Want is hier, om in vogeltermen te blijven, geen sprake van een kip-ei-situatie? Die poepende vogels zitten op de WAB omdát het zo lekker rustig is. Ik durf de stelling wel aan dat als de WAB door ons roeiers net zo intensief gebruikt zou worden als de Bosbaan, zouden er veel minder vogels bivakkeren. Niet teveel vogels is het probleem; maar te weinig roeiers. Dat is het probleem. Die beesten? Ze ruiken de ruimte en pakken hun kans. Deden de roeiers dat ook maar.
Ik zal wel tegen gevoelige schenen schoppen, maar als er één kans is blijven liggen op de prachtige WAB dan is het dat is nagelaten om van de roeibaan een vitale locatie te maken waar iedere dag wordt gesport. Voorzover verenigingen nu gebruik maken van de baan is dat incidenteel of mondjesmaat en in ieder geval te weinig. Jaja.. Ik ken de argumenten.

Om van de WAB een vitale sportaccommodatie te maken zouden een of meer verenigingen zich daar moeten vestigen. Kom op Rotterdammers, kom de stad uit, bouw een prachtig 21e eeuws roeisportwalhalla waarbij je kunt varen op de Rotte én de baan, waarbij je dé topsportvereniging wordt van de regio en de WAB tot leven komt. Doe het niet alleen voor jezelf maar ook voor die nog-niet-roeiers in Zevenhuizen, Gouda, Zoetermeer en Nesselande. Doe het niet alleen voor het roeien maar ga samenwerken met omliggende roei-, kano- triatlon- en atletiekverenigingen. Zoek de langeafstandzwemmers, de kanoërs, de triatleten. Breng ze naar de WAB. Kortom: Handen uit de mouwen. Volgens mij past dat bij Rotterdam.
Sommige dingen moet je gewoon durven DOEN.



Winnen!

Door Feike Tibben | 25 september 2020 | Foto’s Marloes Miltenburg: start van de nieuwe juniorencompetitie in Breda

Feike Tibben is bestuurslid van de Koninklijke Nederlandsche Roeibond, met als portefeuille sportontwikkeling. Lees alle bijdragen van Feike hier.


‘Ik wil alleen maar wedstrijden aan meedoen die ik win’ antwoordde drie jaar geleden jeugdlid Max van mijn vereniging. Ik vroeg hem waarom ik zijn naam niet bij de deelnemers van een roei-event zag. ‘Als ik niet ga winnen, schrijf ik me ook niet in,’ vervolgde hij. Nu was hij een fijne sporter, maar niet buitengewoon getalenteerd en ook niet bovengemiddeld gemotiveerd, winst was dus niet gegarandeerd. Zijn keuze om alleen bij winst te starten resulteerde dan ook in steeds minder deelnames en – bij gebrek aan competitie – ook steeds mindere prestaties. Het was voor mij de eerste keer dat ik winnen als dominante sportmotivatie zag.

Het was in die tijd ook dat ik las van een hockeycoach die twee van zijn pupillen die na een verloren wedstrijd met z’n tweeën geinend het veld afliepen een veeg uit de pan gaf: ‘Bij verlies wil ik geen lachende gezichten zien.’ Deze coach had die focus op winnen al eerder herkend, zich volledig eigen gemaakt en droeg dat actief over op zijn sporters. Deze week nog gaf de Volkskrant een beschrijving van Ajax-voetballer Perr Schuurs, met daarbij het volgende citaat: ‘Onder vrienden en familie is hij bekend als een sociale, gezellige jongeman. Beleefd en opgeruimd ook. Toch zie je de 20-jarige Ajax-verdediger op het veld niet lachen. Dat mag niet van de assistent-coach.’ (..) Perr: ’Ik moet nu continu gefocust zijn, meedogenloos. Ik heb daar afspraken over gemaakt. Niet lachen is een van de afspraken.‘
Winst en meedogenloosheid als basis voor sportieve inzet? Ik zie nog steeds trainers, ouders, sporters voor wie winst dé sportbeleving is. Een verloren wedstrijd is in hun ogen een verloren weekend, verloren jaar of verloren sportcarrière.

Het woord sport zou afgeleid zijn van het Latijnse woord desporto, ‘in vervoering raken’ of ‘laten meeslepen’. Mensen die opgaan in een activiteit of door een activiteit worden meegevoerd, zoals bij flow of het runner’s high. Anderen stellen weer dat het woord komt van de Latijnse term disportare, zich verstrooien, zich verma­ken of zich ontspannen. Het erop lijkende Engelse werkwoord ‘to disport’ heeft de betekenis van het zichzelf afleiding geven. De oor­spronkelijke bijbedoeling was om de aandacht af te leiden van de hardheid en de druk van het dagelijkse leven door het deelnemen aan speelse, fysieke activiteiten. Sport had in het kostschool-Engeland als primair doel om jongeren te leren samenwerken, incasseren en respect te ontwikkelen langs de rituelen van het sportspel.

En al lijkt het door Max, door Perr en de hockeycoach in dit verhaal wel anders, díe functie van sport is niet veranderd. Het gros van de kinderen die gaan sporten doet niet om de Olympus te bedwingen – dat komt veel later en maar bij enkelen – maar om plezier te hebben, omdat hun vriendjes of vriendinnen ook op die sport zitten, omdat het gezellig is of om iets nieuws te leren. Laten we dat niet vergeten.

Afgelopen week is de nieuwe juniorencompetitie roeien van start gegaan. Vier regio’s doen mee: Noord-Holland, Zuid-Holland, Zuid-Nederland en Midden-Nederland. De inzet: veel deelnemers, lol hebben met elkaar, plezier op het water, elkaar leren kennen. Winnen? Zeker! Maar niet ván elkaar: mét elkaar! Mooi om op zondagavond foto’s en filmpjes te zien binnenkomen van pleziermakende peddelaars. Ik vind het top dat aan een initiatief dat pas net vóór de zomer ontstond nu al zoveel verenigingen en junioren meedoen. Daarvan raak ík weer vrolijk en in vervoering. En dat is dubbelwinst.

En mijn jeugdroeier Max? Max ging steeds minder roeien en voer uiteindelijk alleen nog maar af en toe bij de vereniging heen en weer. Twee jaar geleden is hij gestopt. Ik kwam ‘m deze zomer nog tegen. ‘Ik mis het roeien wel hoor’, vertrouwde hij me toe. We hebben dus allebei allebei verloren: Ik een pupil, hij z’n sport. En dat is pas echt verliezen.

PS: Max heet in het echt natuurlijk niet Max



Plekzat

Door Feike Tibben | 18 september 2020

Feike Tibben is bestuurslid van de Koninklijke Nederlandsche Roeibond, met als portefeuille sportontwikkeling. Lees alle bijdragen van Feike hier.

Waar ik ben opgegroeid stond in de buurt een huis, niet heel dicht aan de weg, niet goed zichtbaar met een wat vreemde naam, ‘plekzat’. Niet een bijzonder mooi of groot huis. Eigenlijk was er maar één ding bijzonder, die wat rare naam. Dat bleef intrigeren. Uitnodigend als ‘kom maar, we hebben plek zat’. Als ik langsfietste keek ik even naar binnen. Niet dat ik daar iemand kende, maar toch…
Jaren later kwam ik via via en volgens mij omdat er wat gedaan moest worden voor school, in huize Plekzat. Ik was nu ineens ín het intrigerende huis. Het huis leek van buiten al niet al te groot, maar in werkelijkheid wat het zelfs wel klein en sober. Het ‘plek zat’ was echter geen ironie. Er bleek daadwerkelijk plek zat te zijn voor iedereen. We waren die middag met veel, maar er werd geschoven met stoelen, kussen, dozen en kisten en zo hadden we allemaal plek. Aan het eind van de middag klonk het ‘jullie blijven toch eten, er is genoeg’ even uitnodigend en oprecht als logisch. Het werd nog een latertje die dag want ‘er is genoeg’, bleek ook te slaan op de nodige zaken om een avond gezellig te maken.
Het ‘plek zat’ zat m niet in de grootte van het huis, maar in het vermogen om te plooien, te schikken en te schuiven.

Ik moest daar aan denken toen ik las dat veel oudere sporters nog niet weer durven sporten uit angst voor besmetting, uit angst voor te weinig ruimte. Sportscholen schijnen 30% minder klanten te hebben, sportverenigingen hebben gemiddeld 15 -20% minder actieve sporters. Beweegarmoede neemt in ons land over de hele breedte toe.
Ik zie veel sporters en veel verenigingen creatief gebruik maken van mogelijkheden en met voldoende afstand tot elkaar actief sporten. Deze week nog in Breda: mét voldoende afstand, volle bak op de roeivereniging.
Maar ik zie ook verenigingen die niet die creativiteit laten zien, die vasthouden aan vaste formules en als consequentie voor lief nemen dat er veel minder gesport wordt. Ik zie sporters die zichzelf uit angst voor te weinig afstand het sporten ontzeggen.

Vanavond (18 september) kondigt de regering nieuwe Covid-maatregelen af. Veel mensen voorzien beperkingen en restricties. Die beperkingen moeten we serieus nemen. We houden afstand en blijven alert op onze gezondheid en die van anderen. Maar bij een goede gezondheid hoort ook in beweging blijven en te sporten. Beste mensen, er is op onze verenigingen en op het water plek zat om te bewegen en te sporten. Ja, soms met wat plooien, schikken en schuiven. Misschien met iets meer sport en met iets minder gezellig, maar het kan! Verenigingen zou ik willen uitdagen om juist nu ook nieuwe mensen uit te nodigen en ruimte te bieden. Juist wij als buitensporten hebben ruimte en kunnen een gezond perspectief bieden. Ook in de komende donkere periode. Is dat moeilijk? Zeker. Het vraagt creatief denken: Ander bootgebruik, andere programma’s, sporten op andere tijden. Is het mogelijk? Natuurlijk. ‘Plek zat’ zit ‘m niet in de grootte van het clubgebouw, het aantal boten of de beschikbare instructeurs, maar vooral in het vermogen om te plooien, te schikken en te schuiven.

Ik wens jullie allemaal een fijne nationale sportweek.



Roeien, doel of middel

Door Feike Tibben | 11 september 2020

Feike Tibben is bestuurslid van de Koninklijke Nederlandsche Roeibond, met als portefeuille sportontwikkeling. Lees alle bijdragen van Feike hier.


Roeiers kennen het: verhitte, soort-van-principiële discussies op een ALV over wat nu belangrijker is: leden of boten. Vaak aan de orde als er geïnvesteerd moet worden in kachels, kleedkamers of kantine – excuus: sociëteit – terwijl de materiaalcommissaris in het botenplan nou net dat jaar ‘de-oude-heren-vier-op-zondagochtend’ of ‘de-nu-zij-wij-eens-aan-de-beurt-junioren’ nieuw vaarspul in het vooruitzicht had gesteld.

De groep die opkomt voor boten roept op zo’n vergadering om het hardst: ‘Zonder boten zouden we een breiclub zijn’. Beantwoord door de tweede met: ‘zonder leden zijn we een botenopslagbedrijf’. Vaak gaat zo’n discussie een rondje of twintig rituele dans door, afgesloten door de voorzitter die met wat zalvende woorden beide groepen gelijk geeft, iets murmelt over evenwicht, balans en belangrijk, verbonden door veel termen als ‘natuurlijk’, ‘vanzelfsprekend’ en ‘zorgvuldig’ en een conclusie trekt die, oh toeval, overeenkomt met het bestuursvoorstel dat op tafel ligt.

Roeiverenigingen worden opgericht met als doel om te roeien. Ik heb ze niet allemaal langsgelopen, maar ik kan me zo voorstellen dat in alle statuten van de roeiverenigingen zoiets staat als bij mijn eigen vereniging: ‘De vereniging heeft ten doel de roeisport te bevorderen en haar leden in de gelegenheid te stellen deze te beoefenen’. De roeisport is het doel, leden zijn het middel,.

Afgelopen week stond er een leuk stuk op deze site over de St Ayles skiff (in ‘onze’ termen geen skiff, het is een vierriems-sloep). De St Ayles-vereniging uit Woudrichem heeft de Elfstedentocht gevaren en daarvan deden ze verslag. Een roeivereniging uit Woudrichem? Kennen we die dan?

De vereniging is geen lid van de KNRB, maar ook – of misschien wel juist – zonder ons is daar iets heel leuks daar aan de gang. Zij zijn daar niet gestart met het idee ‘we gaan roeien’, maar met: ‘we gaan wat samen doen’. De oplettende lezer ziet het verschil: leden komen hier op de eerste plaats. Ze noemen het ‘community rowing’. Je koopt niet met z’n allen een boot, je bouwt er één! Samen wekenlang zagen, plakken, schuren, lakken en je ziet het schip onder je handen groeien. Het mooie is dat de gemeente Woudrichem dit community-rowinginitiatief heeft omarmd en alle plaatsen in de gemeente in de gelegenheid heeft gesteld zo’n boot te bouwen. En met succes: Woudrichem, Wijk en Aalburg, Werkendam, Giessen, Rijswijk. Samen honderden roeiers, allemaal met eigengebouwde boten waarin ze wedstrijden tegen elkaar varen om het gemeentelijk kampioenschap of om samen geld in te zamelen als onderdeel van de community building. Wat een lol en wat een community. Roeien is hierbij geen doel, maar middel.

En er zijn nog meer van dit soort groepen waarbij de roeisport niet het doel is, maar het middel. Agenten en mariniers die samen in de boot vechten tegen de PTSS-spoken in hun hoofd. Er lijkt een wereld te liggen tussen ons ‘roeien als sportdoel’ en hun ‘roeien als middel’. Ik denk dat het schijn is. Doel of middel, het is allemaal semantiek. Die ALV-voorzitters snappen dat wel.
Zo meteen ga ik maar even het water op… even de week uit m’n lijf trappen. En binnenkort maar eens naar Woudrichem. Je zult zien dat we mekaar begrijpen.



Hoe commercieel wil je als vereniging zijn?

Door Feike Tibben | 4 september 2020

De afgelopen weken heb ik in mijn vakantie bijdragen geleverd over verenigingsontwikkeling. Zie Vitaal verenigd, De dagen worden korter en Roeiertjes!.
En eigenlijk had ik gedacht die vakantieoverpeinzingen daarbij te kunnen laten. Maar er was één artikel dat mijn aandacht trok en dat ik jullie niet wil onthouden: Annet Tiessen, heeft bij het Sociaal Cultureel Planbureau onderzoek gedaan naar de sociale waarde van informele en commerciële sport. Heel plat gezegd was haar onderzoeksvraag: zijn het alleen de sportverenigingen waar mensen meer doen dan alleen sporten of voeren mensen bij commerciële aanbieders ook gesprekken, gaan de mensen daar ook samen activiteiten ondernemen, ontstaan daar ook vriendschappen?

Als verenigingssporters nemen we aan dat mensen die naar de sportschool of fitnessclub gaan dat primair doen vanwege hun gezondheid en niet om sociale contacten te leggen. En natuurlijk denken vooral wij als verenigingssporters dat WIJ die unieke sociale positie hebben en mensen bij sportscholen toch vooral sportzombies zijn. Bij die mening worden we flink geholpen door columns van bijvoorbeeld Paulien Cornelisse die de komjoenetie van de kom-naar-mijn-gym-Arie-Boomsma’s onder ons zorgvuldig fileert.

Maar helaas: het is nu wetenschappelijk aangetoond, ook mensen die naar fitness gaan zijn geen aso’s, ook zij hechten aan sociale aspecten. Het blijkt een gradatie. Mensen die veel sporten én mensen die vrijwilligerswerk doen, lijken het sociale meer te waarderen en hen zien we ook vaker op verenigingen. Vice versa: mensen die wat minder vaak sporten en zich even niet willen inzetten voor de sportcommunity zien we vaker bij andere aanbieders. Duh… open deur zul je zeggen. Het SCP-onderzoek laat zien dat lidmaatschap van een vereniging, of juist inschrijving bij een sportschool gebonden lijkt aan levensfases. Anders gezegd: in een tijd dat we het druk hebben lijken we te zoeken naar betaald gemak – de sportschool – en zolang of zodra we weer tijd hebben, neigen we naar meer sociaal sporten. Een kwestie van cultuur, maar vooral van tijd. Ook een open deur.

Ineens schiet het plaatje me weer te binnen van de leeftijdsopbouw bij onze roeisport: een beetje junioren, dan heel veel studenten, dan een dip tussen 25 en 45 – de carrièrejagers – en dan weer een opbloei… verdomd: het SCP-onderzoek is één op één vertaalbaar naar ons!


Wat kunnen we met dat gegeven? Moeten we de leeftijdsdip die er nu eenmaal is bij onze sport zien als een onveranderbaar feit of zouden we hiervan kunnen leren? Zouden verenigingen bijvoorbeeld in staat moeten / kunnen zijn om ‘de drukke generatie’ binnen te houden? Zouden verenigingen het durven om voor een bepaalde leeftijdsgroep of een bepaalde periode een ‘gemaks-lidmaatschap’ te introduceren? Natuurlijk, er zijn verenigingen waar je je bar- of schoonmaakdienst kunt afkopen, maar dat bedoel ik niet. Zouden we nog een stap verder durven gaan en ‘gemaksleden’ binnen de vereniging een echt commercieel tarief in rekening brengen en hen ook die maximale service willen bieden? Houden we dan leden binnen, kan het een meerwaarde zijn voor verenigingen of is het de bijl aan de wortel van wat vereniging voor ons betekent?

Ik weet dat er meningen aan beide zijden van het spectrum zijn. Maar zou het niet wat waard zijn als we dit gingen verkennen? Want wat als we nu wél die groep 25-45 meer aan ons zouden weten te binden: hoe gaaf zou dat zijn? Veel verenigingen hebben indrukwekkende indoorfaciliteiten: waarom die niet in de daluren verhuren, waarom niet ruimte bieden om commerciële bootcamps op de vereniging te houden, waarom geen kinderopvang… en wat betekent dat voor de rest van vereniging. Krijgen we scheve ogen, een tweedeling, of wordt de vereniging juist rijker en veelkleuriger?

Wie wil dit eens onderzoeken? Wie wil de kansen voor de roeigemeenschap tegen het licht houden? Kom maar opcommissarissportontwikkeling@knrb.nl


Feike Tibben is bestuurslid van de Koninklijke Nederlandsche Roeibond, met als portefeuille sportontwikkeling. Zit in z’n derde sportleven, na atletiek en wielrennen. Roeide eerst bij Hemus in Amersfoort, nu bij ‘t Diep in Steenwijk. Praat meer over sport dan dat ie zelf op het water is.
Lees alle bijdragen van Feike hier.



Roeiertjes!

Door Feike Tibben | 28 augustus 2020

roeier, roeiertje

Luierend met m’n lief aan de rivier zag ik schaatsenrijders schichtig over het water schuiven. Bloody hell, wat zijn die beesten snel als je er op gaat letten. Google erbij. Daar lees ik dat deze drijfwantsen een snelheid van meer dan 5 km/u kunnen halen. Juist ja. Die snelheid haalden de onzen beslist. Ik lees verder. Over onderzoeker Mark Denny die in 1993 met de derde wet van Newton in de hand (actie = min-reactie, nietwaar?) maar niet kon verklaren waarom deze dieren zich met een theoretisch te kleine impuls tóch kunnen verplaatsen. Grappig altijd wanneer bèta’s vastlopen in hun model. Afijn: Denny’s Paradox was geboren. Ik lees verder over de robostrider, een wat sullig ogende van een aluminiumblikje en ijzerdraadjes gefabriekte man-made schaatsenrijder. Altijd geïnteresseerd in biomimicry verdiep ik me in onderzoeken van het MIT naar de beweging van deze diertjes, tien jaar na Denny. De snelheid ontstaat, zo lees ik, niet door capillairen, maar door wervelingen dieper in het water, net als de kleine draaikolkjes die achter de bladen van een roeiriem ontstaan. De naar achteren gerichte impuls geeft het dier een voorwaarts gerichte impuls, geheel analoog aan roeien.

Bam!

Schaatsenrijders zijn helemaal geen schaatsenrijders. Het zijn roeiers! Ik heb al vaker geopperd dat roeien ‘het nieuwe schaatsen’ is. Maar daarbij dacht ik nog aan steeds zachter wordende winters en dat we daardoor steeds minder kunnen schaatsen / steeds meer kunnen roeien. Het MIT in Massachusets heeft via een heel andere benadering, namelijk dat deze schaatsenrijders eigenlijk roeiers zijn, de stelling een heel nieuwe invulling gegeven. Thank you, MIT.

Wat een middagje zwemmen niet kan veroorzaken. Nu maar wachten op de eerste club die zich ‘roeivereniging Gerridae’ noemt, zoals Wiliam Elford Leach dit dierengeslacht in 1815 betitelde of een roeiboot die ‘waterstrider’ of ‘l’araignée d’eau’ heet. Wedstrijdroeiers zullen vallen voor de eerste. Ik vind die Franse benaming werkelijk geweldig. Wat een gratie spreekt er uit.

roeier, roeiertje

Misschien ligt hier een opdracht voor ons roeiers, hoe klein en bescheiden ook. Want nu tunnels en straten andere namen zouden moeten krijgen omdat de naamgever bij nader inzien minder fraaie daden heeft verricht, nu de juridische procedures worden gevoerd omdat de namen vegetarische kipstuckjes, of vegaschnitzel misleidend zouden zijn, kortom een tijd waar het zorgvuldig benoemen van zaken gevoelig ligt: moeten wij niet zorgen dat in de nomenclatuur de benaming ‘schaatsenrijder’ wordt herschreven in: ‘roeiertje’? Deze naam lijkt me minstens even juist als sympathiek. Roeiertje past ook veel beter bij het dier: net als ons een hekel aan vorst, – meestal- een voorkeur voor glad water en ook het beeld is een beetje gelijk: dat van een romp met dunnige, zijwaartsstekende staken.

‘Roeiertje’ pas bovendien als naam prima naast ‘schrijvertjes’, die andere drijvende waterbeestjes. En ook wel zo fijn voor de roeipotigen (vogels met vliezen) dat die niet meer de enige roeiers in het dierenrijk zouden zijn. En ter inspiratie voor de diehard biologen onder ons: ‘Zilveren Roeier’ is toch een prachtige naam voor de Gerris argentatus’? En ‘Beekroeier’ een prima naam voor de Aquarius najas? En wie wil er nou niet de ‘Grote Roeier’ zeggen tegen de Aquarius paladum? Of wat te denken van de ‘Zwervende Roeier’’ als naam voor de Limnoporus rufoscutellatus? Ik zal bevooroordeeld zijn, maar ik vind het forse verbeteringen. En bovendien een prima PR voor onze sport wanneer kinderen van jongsaf roeiertjes in het water leren zien. ‘Kijk, Boris: allemaal roeiertjes op het water!’

Voel je trouwens al hoe lekker die naam ‘roeiertjes’ is na een paar keer? We spreken af: Vanaf nu blijven wij gewoon roeiertje gebruiken bij dat beest.
Schaatsenrijder.. pff, hoe hebben ze ’t kunnen bedenken.

Mocht je het willen checken: lees de artikelen achter de links!


Feike Tibben is bestuurslid van de Koninklijke Nederlandsche Roeibond, met als portefeuille sportontwikkeling. Zit in z’n derde sportleven, na atletiek en wielrennen. Roeide eerst bij Hemus in Amersfoort, nu bij ‘t Diep in Steenwijk. Praat meer over sport dan dat ie zelf op het water is.
Lees alle bijdragen van Feike hier.