I want a recount!

Door Feike Tibben | 6 november 2020

Feike Tibben is bestuurslid van de Koninklijke Nederlandsche Roeibond, met als portefeuille sportontwikkeling. Lees alle bijdragen van Feike hier.


In een van mijn eerste columns heb ik al eens wat geschreven over datamanagement en bondsbeleid. In de afgelopen vier regiobijeenkomsten voor verenigingen in noord, oost, zuid en west hebben we verenigingen laten zien wat een gaaf dataproduct voor verenigingen in ontwikkeling is. Was je er niet en ben je wel geïnteresseerd? Even wachten tot het roeicongres.

Vorige week schreef ik hier een bijdrage over algemene verenigingen. Ik schreef onder andere: ‘…de roeipopulatie is gewijzigd. Inmiddels zijn er zoveel oudere sporters dat het aandeel studentenleden nog ongeveer 1/3 van het totaal aantal roeiers is…. Over een paar jaar is misschien wel ¾ van de roeiers niet-student…’
‘Ja’ kwam al snel de repliek – en misschien wel geïnspireerd door verkiezingshektiek in de VS -, ‘dat kun je wel stellen, maar wij studenten roeien veel meer. Op grond daarvan zouden wij een grotere stem moeten hebben.’ Gelukkig hebben we die data ook. Verenigingen hebben de afgelopen zomer opgegeven hoe vaak er gevaren wordt. Totaal gaan we in Nederland in een jaar 610.892 keer per jaar het water op! Buiten de wedstrijden… En ja, er zijn provincies waar de studentenverenigingen vaker het water op gaan dan de roeiers bij de algemene verenigingen, zoals in de provincies Utrecht en in Groningen waar 72% resp 54 % van het aantal roeibewegingen toegeschreven kan worden aan studenten. Maar overall overstijgen de studenten de niet-studenten niet in aantallen keren sporten: 42% voor de studenten en 58% voor de niet-studenten.

De provincie waar het meest geroeid wordt: helaas Noord-Holland, jullie hebben wel het grootste aantal roeiers, nl. meer dan 10.000, maar bij de Hollandse zuiderburen wordt meer geroeid. Noord-Holland 162.335 keer, Zuid-Holland 172.159 keer per jaar. In Zuid-Holland roeit iedere roeier gemiddeld 13% meer dan in Noord-Holland. Werkers zijn het.

De provincies waar het minst geroeid wordt: Drenthe en.. Zeeland. Nou ja zeg.. Zoveel water! Misschien moeten we daar eens wat meer activiteiten doen.

Is er dan misschien nog een kleine kans dat de studentenverenigingen meer boten hebben? Helaas. Dit helpt nog minder. Van de in totaal 6.184 roeiboten die er in Nederland bij verenigingen liggen zijn er maar 1.724 in bezit van studentenverenigingen. Een schamele 28%. Zelfs in het roeirijke Utrecht zijn er meer boten in bezit van algemene verenigingen dan van studentenverenigingen.
Hertellen helpt niet altijd…

Algemene roeiboten | Foto Sequana


Bye bye burger

Door Feike Tibben | 29 oktober 2020

Feike Tibben is bestuurslid van de Koninklijke Nederlandsche Roeibond, met als portefeuille sportontwikkeling. Lees alle bijdragen van Feike hier.


Oplettende roeiers is het al opgevallen… als roeibond gebruiken we het woord ‘burgervereniging’ niet meer. We spreken over algemene verenigingen. Natuurlijk zullen we ons nog wel eens verspreken en ik sluit ook en web-aanduiding hier en daar niet uit, maar lukt ons steeds beter. Steeds meer roeiers gebruiken het ook. ‘Algemene vereniging’ is the word. Natuurlijk zal ‘burgervereniging’ nog wel hier en daar voorkomen op webpagina’s, maar Wikipedia heeft ‘algemene vereniging’ al netjes overgenomen. Je zou kunnen zeggen: zo langzamerhand wordt algemene vereniging algemeen.

Maar waarom doen we dat eigenlijk? We zijn de naam burgervereniging toch zo lekker gewend, het klinkt zo vertrouwd en het bekt zo lekker.

Wie een beetje zoekt ziet dat de term burger vooral gebruikt wordt door bijzondere groepen. Bij studenten, zoals wij maar al te goed weten, maar ook in leger-, brandweer- en politiekringen en niet te vergeten de woonwagensector.
De term ‘burger’ wordt vooral gebruik om je eigen groep te onderscheiden, om aan te geven dat je samen anders bent dan de rest. ‘Burgers? Dat zijn de anderen, hullie zonder vrijheid, zij zonder sterren en strepen of woners zonder wielen, niet wij. Burgers, dat zijn de niet-studenten, de niet-geüniformeerden en zij die in gewone huizen wonen.’
en kwestie van perspectief dus.

Vroeger, toen we in de roeisport veel studentenleden hadden ten opzichte van het aantal niet-studenten, toen bovendien de niet-studentenleden vaak ex-studentleden waren, toen was het misschien wel logisch om vanuit studentenperspectief te denken. Bij die gedachte past het om de term  burgerroeivereniging te gebruiken. Burgerroeivereniging was een makkelijke term om onderscheid te maken met ‘de onzen’, de studentenroeivereniging.
Maar ja, de roeipopulatie is gewijzigd. Inmiddels zijn er zoveel oudere sporters dat het aandeel studentenleden nog ongeveer 1/3 van het totaal aantal roeiers is. En veel van de niet-studentenroeiers zijn geen terugkerende ex-studenten, maar roeiverse ‘late entries’. En die groei zet door. Over een paar jaar is misschien wel ¾ van de roeiers niet-student en is het aantal late-entries ook nog gegroeid.

Daarom is het hoog tijd om als inclusieve sport de bakens te verzetten:
Wij spreken dus voortaan van Algemene Verenigingen en Studentenverenigingen.



Dinsdagavond 13 oktober

Door Feike Tibben | 23 oktober 2020

Feike Tibben is bestuurslid van de Koninklijke Nederlandsche Roeibond, met als portefeuille sportontwikkeling. Lees alle bijdragen van Feike hier.


KNRB-bestuursvergadering. Digitaal feliciteren we elkaar met de prestaties in Poznan en bespreken we de impact van de zojuist door Rutte c.s. gehouden persconferentie over nieuwe corona-maatregelen. Opvallend snel went onze nieuwe roeistatus en al even snel worden consequenties die enkele maanden geleden nog als bijzonder en ingrijpend werden ervaren, geaccepteerd en geïmplementeerd.

Op het moment dat wij bestuurlijk vieren en vooruitkijken komt op de Oude Rijn bij Katwijk een sloep van Ferox frontaal in aanvaring met een binnenvaartschip. Een lid van de vereniging overlijdt. Wat een drama. Zoals Kees Verweel het vorige week verwoordde: Het roeiseizoen kwam die avond met een oorverdovende dreun abrupt ten einde.

In de dagen na het ongeval is er contact met Dick Borst van de Federatie Sloeproeien Nederland. We bieden als KNRB hulp aan de federatie en de vereniging. Dat gaat verder dan medeleven. Uit ervaring weten we dat al snel de schuldvraag aan de orde komt en welke impact dat weer heeft op een hechte roeigemeenschap.
Ook nog contact met Die Leythe en Njord. Roeien zij ook op de Katwijkse Rijn? Kennen ze de situatie ter plaatse? Wat zijn hun ervaringen? Moeten we misschien met de waterbeheerder overleggen?  

Ik denk terug aan 12 januari 2019. Op het terrein van Avifauna in Alphen aan de Rijn ondertekenen die dag de provincie Zuid Holland, de belangenvereniging voor de beroepsvaart Koninklijke BLN Schuttevaer, de Roeibond en tien Zuidhollandse roeiverenigingen het Roeiconvenant ‘Veilig varen doe je samen!’.
We spreken die dag met schippers. We horen hun verhalen over veilig varen. Als roeiers zijn we die dag merkbaar onder de indruk van hun kundigheid en zicht op veiligheid. We maken afspraken over kennisuitwisseling, over incident-meldingen, over voorlichtingsmateriaal en kleding en zetten gewichtig onze handtekening onder de afspraken. Allemaal goede intenties die inmiddels voor een belangrijk deel ook worden nagekomen. Alfred Dijkstra liet recent zijn licht nog eens schijnen over wat we allemaal zelf kunnen om veilig te varen.

Als roeiers zijn we gewend om met een zekere trots een boot te stappen. Met ferme halen overwinnen we wind en golven en voelen we ruimte, vrijheid en snelheid. We voelen ons sterk en machtig in ons schip.
En tegelijk zijn we oh zo kwetsbaar. We fietsen achteruit op een snelweg schreef ik eerder. En zeker in het donker lijkt er een wereld te winnen.

En dan ook nog de corona-maatregelen die alleen maar ruimte laten om ondanks het koude seizoen toch maar te varen in wankele kleine nummers, en misschien ons zelfs verleiden om als roeiers nog meer de randen van de dag op te zoeken.

Roeien en veiligheid, het blijft balanceren op een dun koord.

Het incident in Katwijk komt hard aan.



Nieuwe dingen / denkers, sjouwers en bouwers

Door Feike Tibben | 9 oktober 2020

Feike Tibben is bestuurslid van de Koninklijke Nederlandsche Roeibond, met als portefeuille sportontwikkeling. Lees alle bijdragen van Feike hier.


Je kent ze wel. Die mannen, vrouwen die op zaterdagochtend vroeg voor de sport nog de laatste voorbereidingen treffen, die doordeweeks tot laat vergaderen om de puntjes op de i te zetten. Zij zijn het die in de haarvaten van de sport zitten. Ze zijn ambassadeurs, bouwers, verkenners, diplomaten, ontwikkelaars.
Ik heb het natuurlijk over onze mensen die in commissies of werkgroepen zitten. Die niet alleen maar zelf roeien of besturen, ze zijn de fronttroepen van ideeën en afmakers van besluiten. Ze bouwen aan de basis en zorgen dat de boel draait. Geen bestuur kan zonder deze noeste denkers, sjouwers en bouwers.
Je kent ze wel uit je eigen vereniging. Bij de roeibond is dat niet anders. Geen ingewikkelde functies, maar gewoon mensen die zich samen inzetten voor de roeigemeenschap. Gewoon uit de verenigingen, en altijd weer bijzonder in hun kunde en passie. Bergen werk verzetten ze. Meestal achter de schermen, soms ervoor. Dan komen ze aan bod in een rubriek of in een interview. Mooie verhalen. Verhalen om trots op te zijn. Verhalen om door geïnspireerd te worden. Zoals de komende weken. Dan zijn er vier regiobijeenkomsten voor verenigingen, waarin op een aantal onderwerpen de laatste info gegeven wordt.

‘Tss, boeiuu, saai, ver van m’n bed show, niet voor mijn vereniging’.
Huh? Ik dacht het niet!

De commissie Roeiwateren bijvoorbeeld klinkt als titel misschien wat belegen, maar ze hebben een toffe tool in ontwikkeling waarmee je als vereniging misschien wel kunt zorgen dat die brug naast je vereniging net iets beter wordt aangelegd, dat er geen aanlegsteiger wordt gebouwd en snel weet waar je je kunt melden. Ik zeg: komt dat zien, hier heb je wat aan.
Tja, en dan coastal roeien. De afgelopen jaren is een stevige basis gelegd voor deze niet meer weg te denken roeivorm. Verenigingen hebben boten gekocht, er is een strak klassement opgezet en er is ervaring opgedaan in het organiseren van wedstrijden. Dat staat. Nu wordt het tijd om te verbreden en het niveau omhoog te brengen. Hoor uit eerste hand hoe je als vereniging hierop in kunt spelen.
Over de juniorencommissie is al veel gesproken, maar weet je ook welke resultaten al zijn bereikt, waar verenigingen geleerd hebben van elkaar, waar het lastig wordt en hoe ervaringen kunnen worden gedeeld? Krijg de meest actuele informatie uit het veld.


Poldershit

Door Feike Tibben | 2 oktober 2020

Feike Tibben is bestuurslid van de Koninklijke Nederlandsche Roeibond, met als portefeuille sportontwikkeling. Lees alle bijdragen van Feike hier.


Toen wij thuis ruim 10 jaar geleden onze woning wilden verbouwen, leidde dat plan ertoe dat we het grootste deel van deze voormalige boerderij gingen slopen. Alleen het oorspronkelijke woondeel was van voldoende kwaliteit om te laten staan. Naast ratio was er ook wel iets van romantiek bij die afweging: we vonden het ook wel mooi om iets van het oude te handhaven. Aangezien het niet te slopen deel van de woning te klein en niet geschikt was om tijdens de verbouwing in te blijven wonen hebben we met het hele gezin een klein jaar in mobiele units naast de bouwplaats gewoond, het huis leeg achterlatend. Nou ja leeg… Zodra wij uit de woning gingen, kwamen er andere bewoners. Opvallend hoe snel een leegstaand pand wordt ingenomen door woningzoekende mussen, marters, spinnen, torren en ander gespuis. Binnen de kortste keren is zo’n gezinswoning een heuse dierentuin.

Huize Tibben, work in progress

Ik moest daaraan denken toen ik de bijdrage van Willem van Schelven las over de Willem-Alexander Baan. Willem beklaagt zich erover dat er bij de totstandkoming van de Willem-Alexander Baan teveel functies bij elkaar gepolderd zijn waardoor de baan nu vooral een vogelparadijs is geworden. Hij baalt er van dat het poldergepoep van die beesten de roeisport belemmert. Hij pleit voor extra beheermaatregelen. Wat er precies gedaan zou moeten worden laat hij in het midden, maar hij is wel ferm: Rotterdam zou stevig met de sportvuist op de tafel moeten slaan!

Ik denk dat Willem de plank misslaat.
Want is hier, om in vogeltermen te blijven, geen sprake van een kip-ei-situatie? Die poepende vogels zitten op de WAB omdát het zo lekker rustig is. Ik durf de stelling wel aan dat als de WAB door ons roeiers net zo intensief gebruikt zou worden als de Bosbaan, zouden er veel minder vogels bivakkeren. Niet teveel vogels is het probleem; maar te weinig roeiers. Dat is het probleem. Die beesten? Ze ruiken de ruimte en pakken hun kans. Deden de roeiers dat ook maar.
Ik zal wel tegen gevoelige schenen schoppen, maar als er één kans is blijven liggen op de prachtige WAB dan is het dat is nagelaten om van de roeibaan een vitale locatie te maken waar iedere dag wordt gesport. Voorzover verenigingen nu gebruik maken van de baan is dat incidenteel of mondjesmaat en in ieder geval te weinig. Jaja.. Ik ken de argumenten.

Om van de WAB een vitale sportaccommodatie te maken zouden een of meer verenigingen zich daar moeten vestigen. Kom op Rotterdammers, kom de stad uit, bouw een prachtig 21e eeuws roeisportwalhalla waarbij je kunt varen op de Rotte én de baan, waarbij je dé topsportvereniging wordt van de regio en de WAB tot leven komt. Doe het niet alleen voor jezelf maar ook voor die nog-niet-roeiers in Zevenhuizen, Gouda, Zoetermeer en Nesselande. Doe het niet alleen voor het roeien maar ga samenwerken met omliggende roei-, kano- triatlon- en atletiekverenigingen. Zoek de langeafstandzwemmers, de kanoërs, de triatleten. Breng ze naar de WAB. Kortom: Handen uit de mouwen. Volgens mij past dat bij Rotterdam.
Sommige dingen moet je gewoon durven DOEN.



Winnen!

Door Feike Tibben | 25 september 2020 | Foto’s Marloes Miltenburg: start van de nieuwe juniorencompetitie in Breda

Feike Tibben is bestuurslid van de Koninklijke Nederlandsche Roeibond, met als portefeuille sportontwikkeling. Lees alle bijdragen van Feike hier.


‘Ik wil alleen maar wedstrijden aan meedoen die ik win’ antwoordde drie jaar geleden jeugdlid Max van mijn vereniging. Ik vroeg hem waarom ik zijn naam niet bij de deelnemers van een roei-event zag. ‘Als ik niet ga winnen, schrijf ik me ook niet in,’ vervolgde hij. Nu was hij een fijne sporter, maar niet buitengewoon getalenteerd en ook niet bovengemiddeld gemotiveerd, winst was dus niet gegarandeerd. Zijn keuze om alleen bij winst te starten resulteerde dan ook in steeds minder deelnames en – bij gebrek aan competitie – ook steeds mindere prestaties. Het was voor mij de eerste keer dat ik winnen als dominante sportmotivatie zag.

Het was in die tijd ook dat ik las van een hockeycoach die twee van zijn pupillen die na een verloren wedstrijd met z’n tweeën geinend het veld afliepen een veeg uit de pan gaf: ‘Bij verlies wil ik geen lachende gezichten zien.’ Deze coach had die focus op winnen al eerder herkend, zich volledig eigen gemaakt en droeg dat actief over op zijn sporters. Deze week nog gaf de Volkskrant een beschrijving van Ajax-voetballer Perr Schuurs, met daarbij het volgende citaat: ‘Onder vrienden en familie is hij bekend als een sociale, gezellige jongeman. Beleefd en opgeruimd ook. Toch zie je de 20-jarige Ajax-verdediger op het veld niet lachen. Dat mag niet van de assistent-coach.’ (..) Perr: ’Ik moet nu continu gefocust zijn, meedogenloos. Ik heb daar afspraken over gemaakt. Niet lachen is een van de afspraken.‘
Winst en meedogenloosheid als basis voor sportieve inzet? Ik zie nog steeds trainers, ouders, sporters voor wie winst dé sportbeleving is. Een verloren wedstrijd is in hun ogen een verloren weekend, verloren jaar of verloren sportcarrière.

Het woord sport zou afgeleid zijn van het Latijnse woord desporto, ‘in vervoering raken’ of ‘laten meeslepen’. Mensen die opgaan in een activiteit of door een activiteit worden meegevoerd, zoals bij flow of het runner’s high. Anderen stellen weer dat het woord komt van de Latijnse term disportare, zich verstrooien, zich verma­ken of zich ontspannen. Het erop lijkende Engelse werkwoord ’to disport’ heeft de betekenis van het zichzelf afleiding geven. De oor­spronkelijke bijbedoeling was om de aandacht af te leiden van de hardheid en de druk van het dagelijkse leven door het deelnemen aan speelse, fysieke activiteiten. Sport had in het kostschool-Engeland als primair doel om jongeren te leren samenwerken, incasseren en respect te ontwikkelen langs de rituelen van het sportspel.

En al lijkt het door Max, door Perr en de hockeycoach in dit verhaal wel anders, díe functie van sport is niet veranderd. Het gros van de kinderen die gaan sporten doet niet om de Olympus te bedwingen – dat komt veel later en maar bij enkelen – maar om plezier te hebben, omdat hun vriendjes of vriendinnen ook op die sport zitten, omdat het gezellig is of om iets nieuws te leren. Laten we dat niet vergeten.

Afgelopen week is de nieuwe juniorencompetitie roeien van start gegaan. Vier regio’s doen mee: Noord-Holland, Zuid-Holland, Zuid-Nederland en Midden-Nederland. De inzet: veel deelnemers, lol hebben met elkaar, plezier op het water, elkaar leren kennen. Winnen? Zeker! Maar niet ván elkaar: mét elkaar! Mooi om op zondagavond foto’s en filmpjes te zien binnenkomen van pleziermakende peddelaars. Ik vind het top dat aan een initiatief dat pas net vóór de zomer ontstond nu al zoveel verenigingen en junioren meedoen. Daarvan raak ík weer vrolijk en in vervoering. En dat is dubbelwinst.

En mijn jeugdroeier Max? Max ging steeds minder roeien en voer uiteindelijk alleen nog maar af en toe bij de vereniging heen en weer. Twee jaar geleden is hij gestopt. Ik kwam ‘m deze zomer nog tegen. ‘Ik mis het roeien wel hoor’, vertrouwde hij me toe. We hebben dus allebei allebei verloren: Ik een pupil, hij z’n sport. En dat is pas echt verliezen.

PS: Max heet in het echt natuurlijk niet Max



Plekzat

Door Feike Tibben | 18 september 2020

Feike Tibben is bestuurslid van de Koninklijke Nederlandsche Roeibond, met als portefeuille sportontwikkeling. Lees alle bijdragen van Feike hier.

Waar ik ben opgegroeid stond in de buurt een huis, niet heel dicht aan de weg, niet goed zichtbaar met een wat vreemde naam, ‘plekzat’. Niet een bijzonder mooi of groot huis. Eigenlijk was er maar één ding bijzonder, die wat rare naam. Dat bleef intrigeren. Uitnodigend als ‘kom maar, we hebben plek zat’. Als ik langsfietste keek ik even naar binnen. Niet dat ik daar iemand kende, maar toch…
Jaren later kwam ik via via en volgens mij omdat er wat gedaan moest worden voor school, in huize Plekzat. Ik was nu ineens ín het intrigerende huis. Het huis leek van buiten al niet al te groot, maar in werkelijkheid wat het zelfs wel klein en sober. Het ‘plek zat’ was echter geen ironie. Er bleek daadwerkelijk plek zat te zijn voor iedereen. We waren die middag met veel, maar er werd geschoven met stoelen, kussen, dozen en kisten en zo hadden we allemaal plek. Aan het eind van de middag klonk het ‘jullie blijven toch eten, er is genoeg’ even uitnodigend en oprecht als logisch. Het werd nog een latertje die dag want ‘er is genoeg’, bleek ook te slaan op de nodige zaken om een avond gezellig te maken.
Het ‘plek zat’ zat m niet in de grootte van het huis, maar in het vermogen om te plooien, te schikken en te schuiven.

Ik moest daar aan denken toen ik las dat veel oudere sporters nog niet weer durven sporten uit angst voor besmetting, uit angst voor te weinig ruimte. Sportscholen schijnen 30% minder klanten te hebben, sportverenigingen hebben gemiddeld 15 -20% minder actieve sporters. Beweegarmoede neemt in ons land over de hele breedte toe.
Ik zie veel sporters en veel verenigingen creatief gebruik maken van mogelijkheden en met voldoende afstand tot elkaar actief sporten. Deze week nog in Breda: mét voldoende afstand, volle bak op de roeivereniging.
Maar ik zie ook verenigingen die niet die creativiteit laten zien, die vasthouden aan vaste formules en als consequentie voor lief nemen dat er veel minder gesport wordt. Ik zie sporters die zichzelf uit angst voor te weinig afstand het sporten ontzeggen.

Vanavond (18 september) kondigt de regering nieuwe Covid-maatregelen af. Veel mensen voorzien beperkingen en restricties. Die beperkingen moeten we serieus nemen. We houden afstand en blijven alert op onze gezondheid en die van anderen. Maar bij een goede gezondheid hoort ook in beweging blijven en te sporten. Beste mensen, er is op onze verenigingen en op het water plek zat om te bewegen en te sporten. Ja, soms met wat plooien, schikken en schuiven. Misschien met iets meer sport en met iets minder gezellig, maar het kan! Verenigingen zou ik willen uitdagen om juist nu ook nieuwe mensen uit te nodigen en ruimte te bieden. Juist wij als buitensporten hebben ruimte en kunnen een gezond perspectief bieden. Ook in de komende donkere periode. Is dat moeilijk? Zeker. Het vraagt creatief denken: Ander bootgebruik, andere programma’s, sporten op andere tijden. Is het mogelijk? Natuurlijk. ‘Plek zat’ zit ‘m niet in de grootte van het clubgebouw, het aantal boten of de beschikbare instructeurs, maar vooral in het vermogen om te plooien, te schikken en te schuiven.

Ik wens jullie allemaal een fijne nationale sportweek.