OProeien toen – 6

Door Jan Op | 6 september 2020

Ik, Jan Op den Velde, 89 jaar, roeide voor Laga in de periode 1950-1954. De omstandigheden uit die jaren schets ik graag.

Vanaf OProeien toen – 1 is het een doorlopend verhaal. Via deze link vind je ze allemaal.


Als de winter min of meer op de terugweg is kan er weer volop worden gevaren. In de smalle tub zit Piet, onze coach, voor mij. Een kleine anekdote als OPvrolijkje:

Piet geeft met zijn hand aan hoe we de inpik moeten maken. De middelvinger daarvan kan hij niet strekken. Ik zal nooit vergeten dat ik bij dat gebaar mij afvroeg hoe je op die manier een haal kan maken. 

Piet is trouwens een goede coach die met enig inzicht en zonder het gebruikelijke luide uiten van wensen ons de fijnere kneepjes zoals hij die ziet, kan bijbrengen. Dat is overigens nog maar een benadering van hetgeen we later weten. Dan blijkt ook dat wij een haal leren maken die – ten goede – afwijkt van die van bijvoorbeeld de Oude Vier.

De eerste wedstrijd die wij / ik ga roeien is de Head. Een week daarvoor varen we een traditionele baan naar Voorburg op ca 8 km van Delft. Er zijn redelijk veel meefietsers naar de kroeg die zich op die afstand bevindt. Uiteraard geen biertje voor ons. Wel een melkje met een koekje. Zij vinden dat ze een biertje hebben verdiend. Met een “berenlul” (kroket).

‘Harde halen’ op de heenweg, ‘harde halen’ op de terugweg. En uiteraard in uniform. Alleen o.a. een zelf roodgeverfd hemd zonder mouwtjes aan. (Hemden met mouwtjes zijn een luxe en duur). Je kan daarvoor verf kopen. Die aan een emmer heet water toevoegen, witte hemd erin en roeren (of zoiets, dat weet ik niet meer). Of het door het aantal minuten roeren komt is mij niet bekend. Wel het resultaat: een mengsel van verschillende tinten rood tot roze.

Dit is onze kennismaking met de voorbereiding voor een wedstrijd. De spanning stijgt. Zaterdag in Ouderkerk aantreden. Hoe we daar zijn gekomen is mij ontschoten. Vermoedelijk per trein, tram en bus + lopen. Onze boot wordt gebracht op de vrachtboot de “Havik” van Meeuwisse.

Er blijkt een ritueel bij deze eerste wedstrijd te horen. We gaan met de hele ploeg in Ouderkerk naar de overkant. Daar staat een kerk. We moeten allemaal een dubbeltje (10 cent) offeren door die door een kier te duwen. Dit moet de goden tevreden houden en ons de overwinning doen veroveren. Maar deze goden laten het helaas afweten.



OProeien toen – 5

Door Jan Op | 31 augustus 2020

Ik, Jan Op den Velde, 89 jaar, roeide voor Laga in de periode 1950-1954. De omstandigheden uit die jaren schets ik graag.

Vanaf OProeien toen – 1 is het een doorlopend verhaal. Via deze link vind je ze allemaal.


We worden in dit nieuwe jaar (1950) redelijk serieus genomen (vind ik). Ik zit nu wel in de Jonge Acht A, maar het blijft oppassen. Een ‘klopje op de schouder’ of iets dergelijks is er niet bij. Tenslotte moet je het nog waar maken. Een indicatie dat je acceptabele halen maakt volgt uit het minder corrigeren door de coach. En het noemen van je naam bij de veertiendaagse wisseling van coach. Het programma is nu smalle tub en bakken. Dat laatste is zonder toezicht. Of wel een klein beetje. De stuurpik die toch niets anders heeft te doen, kijkt of we wel genoeg schuim (met de speciale ‘bakriem’ met gaten) produceren. Die laatste om er niet met de bak vandoor te gaan. Maar die ligt stevig afgemeerd.

Dan nadert de laatste vrijdag in februari. Alle roeiers worden om 18.00 op de Sociëteit verwacht. De in-trainingsborrel staat op het programma. Dat betekent de laatste borrel en/of biertje want vanaf morgenochtend zijn we ‘in training’. Dat betekent: geen sterke drank, niet roken en om 23.00 in bed. Om 08.00 opstaan en voor zover mogelijk de studie volgen en resultaten boeken. Het meest belangrijke moment is dat we vanaf volgende ochtend tot de raceroeiers behoren. We mogen een kastje in de raceroeierskamer bezitten. Maar de eerste vier bij het raam zijn altijd van de Oude Vier. En een door een vriendin of andere vrouwelijk bekende gebreide Laga-das mag nu om de nek.

Nu de Sociëteit ter sprake komt: Laga-leden behoren daar zeer frequent aanwezig te zijn. En niet alleen voor het avondmaal. Er wordt van ze verwacht dat ze opvallend gedrag vertonen. In een mate die de afwezigheid in de avond van de volgende maanden moet compenseren.

Nu begint het trainen ‘echt’. Bakken = opwarmen, tubben (afwisselend met coach of stuurpik!) (ik heb intussen begrepen dat men tegenwoordig “stuur” schrijft. Ik zal de moderne versie voortaan gebruiken. Dat wordt opletten!). Tenslotte in de acht. Dat betekent dat we tot de Hoornbrug (Rijswijk) heen en weer varen. De weekeinden zijn nu inclusief. Even naar huis (per trein en/of bus en een stuk lopen) is soms niet te doen als het afschrijven van een boot dat niet toelaat.



OProeien toen – 4

Door Jan Op | 16 augustus 2020

Ik, Jan Op den Velde, roeide voor Laga in de periode 1950-1954. De omstandigheden uit die jaren schets ik graag. De vergelijking tussen toen en nu zal, naar ik hoop, voor hetgeen nu in de roeiwereld geboden wordt (nog meer) waardering oogsten.


De opleiding is zover gevorderd dat na het kerstreces traditiegetrouw al een Jonge Acht A kan worden geformeerd. Na thuis de oliebollen te hebben genoten, met de trein naar Delft en je tegen vijven in de raceroeierskamer melden. Een inmiddels behoorlijk uitgedund gezelschap wacht in spanning af wat hen boven het hoofd hangt.

Eerst de president met zijn visie over de huidige situatie en de hoge verwachtingen die het bestuur heeft. De eerstejaars wordt voorgehouden dat zij nu weliswaar nog steeds aanwezig zijn en in het gezelschap van de ouderejaars, maar dat er geen enkele reden is tot juichen. Als je geen 150% inspanning toont kan je eventueel alsnog volgend jaar weer aantreden.

Mijn carrière tot de kerstvakantie vertoont nogal wat mankementen. Er zijn al overnaadse en gladde lichte vieren met mannen van mijn lichting geformeerd. Rond Sinterklaas zit ik nog steeds in de smalle tub. Er gebeurt wel iets bijzonders. Ik krijg als coaches zeer ouderejaars met een succesrijk verleden.

En daar sta je dan op de dag dat het laatste oordeel zal worden geveld. Zou ik nog ergens in mee mogen varen? De hoofdcoach komt aan ’t woord. Eerst de ouderejaars met aan het hoofd de Oude Vier. Hoe bereik je deze allerhoogste eer? Ze zijn zeker in staat de hardste halen te maken.

Het is winter. In die jaren nog echt koud en overal ijs. “Bakken” kan wel want met de bakriem houd je het ijs in beweging. De nabijgelegen gasfabriek levert (afval)warm water. Klein stukje water voor de deur min of meer ijsvrij. De brede tub mag varen.

Dan de kandidaten. Twee Overnaadse Vieren. Mijn naam valt niet. Ik krimp zeker enkele centimeters. Lichte Vieren. Minder zorgelijk want mijn gewicht beperkt de toegang tot deze categorie. Jonge Vieren. Nee! Zijn ze mij vergeten? Of heb ik iets gemist toen we vorig jaar voor het laatst werden toegesproken? Dan komt de hoogste rang, de Jonge Acht A, ter sprake. De namen van de boegen zijn mij goed bekend. Wat hebben zij wel en ik niet? Dan wordt mijn naam toch nog genoemd. Ik ben bevorderd naar 6 in de Jonge Acht!! Niks Overnaadse Vier. Overgeslagen. Ik voel een soort hartritmestoornis.

Handschoenen? Trui? Lange gymbroek?  Aan watjes doen we niet. Hard worden hoort bij de opleiding. Nu niet voor te stellen!



OProeien toen ~3

Door Jan Op | 16 augustus 2020

Ik, Jan Op den Velde, roeide voor Laga in de periode 1950-1954. De omstandigheden uit die jaren schets ik graag. De vergelijking tussen toen en nu zal, naar ik hoop, voor hetgeen nu in de roeiwereld geboden wordt (nog meer) waardering oogsten.

De laatste wedstrijden in de jaren na de oorlog zijn de nationale kampioenschappen. Aan de hand van de uitslagen wordt door de Roeibond, gesteund door een bevriende commissie, besloten of er ploegen naar de Europese kampioenschappen kunnen worden afgevaardigd. Wereldkampioenschappen roeien bestaan niet. Lange reizen + materieel vrijwel onmogelijk. De Olympische Spelen wel. Alleen voor echte amateursporten. En het woord “sponsoren” is totaal onbekend. Alle deelnemers zijn amateurs. Het Olympisch Comité betaalt alles. Uiteraard niet alleen van de bescheiden contributie van de verenigingen. Allerlei inzamelingen, zoals onder andere een speciale loterij, moeten het benodigde kapitaal bijeenbrengen. Meer daarover later.

Weer terug naar de harde leerschool om de (roei-)haal perfect te kunnen uitvoeren. Uit de “brede” tub kan je worden gepromoveerd naar de “smalle”. Dan is het al november. Er zijn al veel kandidaten die het volgend jaar opnieuw mogen proberen de felbegeerde status van “raceroeier” te veroveren. Ik bevind me nog steeds in het selecte gezelschap van blijvers maar ik raak achter in de promotie. Een aantal collega’s gaat al in een overnaadse 4 te water. Met een echte stuurpik en een coach + toeter op de fiets.

Als je een “goede” coach wil zijn maak je gebruik van de “toeter”. Met luide stem aanwijzingen geven aan de leden van de bemanning betekent dat je een “goede” coach bent. Ook al begrijp je niet precies wat je wilt bereiken. Behalve dat er ”hard” moet worden getrokken. De meeste coaches hebben die boodschap meegekregen toen zij in het schuitje zaten. Veel meer dan “harde halen maken” bevat hun kennis niet.

Sommige coaches die naar Delft zijn gekomen om te studeren voelen zich genoodzaakt ook eens te bezien of er ergens een studieboek over roeien bestaat. Dat blijkt inderdaad het geval. Een oude Australiër, Fairbairn, heeft zijn inzichten over de techniek van het roeien op papier gezet. Bij gebrek aan iets anders wordt zijn leerboek een basis om de onschuldige leerlingen de fijne kneepjes bij te brengen

Een onderdeel van de haal, de inpik, krijgt nogal wat aandacht. Fairbairn vergelijkt het inpikken met het vliegen vangen. Ook de theorie dat het blad met de draairichting van een wiel-met-spaken mee contact met water moet krijgen, vindt aanhangers. Niemand lijkt zich in die tijd, voor, maar ook na de oorlog, te realiseren dat de lengte van de haal in het water dan aanmerkelijk wordt gereduceerd.



OProeien toen ~ 2

Door Jan Op | 9 augustus 2020

Ik, Jan Op den Velde, roeide vijf jaren voor Laga in de periode 1950-1954. De omstandigheden uit die jaren schets ik hier. De vergelijking tussen toen en nu zal, naar ik hoop, voor hetgeen nu in de roeiwereld geboden wordt (nog meer) waardering oogsten.
Lees alle bijdragen van Jan Op den Velde hier.


Elke dag, behalve aanvankelijk de weekeinden, aantreden bij de “bak”. Aan beide einden van het vlot is een bak geïnstalleerd. Die was gemaakt van twee drijvers die in de oorlog door de Duitsers werden gemaakt om een anti-duikboten-net aan te hangen in en voor de haven van Rotterdam. Na de oorlog spoorslags door oud-leden naar Delft geëxporteerd. Tussen de drijvers een klein platform en aan beide einden rails met bankje en een uithouder met dol.

De kandidaten zitten ruggelings. Dus is er een stuurboord aan de ene kant en bakboord aan de andere. Bij de eerste keer instappen kom je toevallig op een onbekend boord terecht. Dat betekent wel dat achter je naam een S of een B komt te staan. Vervolgens blijf je voor eeuwig op dat boord roeien. Hoewel het voorkwam dat bij gebrek aan een stuurboorder een bakboorder werd omgeboord. (Ik heb mijn gehele roeileven, ook als veteraan, op bakboord (B) gezeten. Pas toen ik in een ver land wilde roeien, moest ik met twee riempjes leren varen. Dat was best moeilijk voor mijn linkerhand. Ik heb nooit op stuurboord gezeten).

Als je mag blijven is de volgende fase “tubben”. In een omgebouwde wherry voor boordroeien. De coach is de stuurman. De studieduur is tot 15 minuten gestegen. En de moeilijkheidsgraad gaat fors omhoog. Je moet nu echt leren “inpikken” en dat samen precies gelijk doen. Gelukkig is dat op slag, (= bakboord), niet zo lastig. Maar je blijkt ook een constant tempo te moeten kunnen varen.

Hier mag een korte beschrijving van de omstandigheden en de techniek niet ontbreken. Er is alleen bij wedstrijden contact met andere verenigingen. Afkijken komt niet voor. Iedere vereniging moet zelf maar uitvinden wat hun “stijl” zal zijn. Het aantal verenigingen is zeer beperkt. De kern bestaat uit de – toen – zes studentenroeiverenigingen. Aangevuld met een klein aantal “burgerverenigingen” waarvan een paar ook aan wedstrijden deelnemen. Maar recent opgerichte verenigingen kunnen nog geen wedstrijdploegen op het water brengen. De zeer oude burgerverenigingen, “De Maas” en “De Hoop” zijn meer een toevluchtsoord voor oud-studentenroeiers die het roeien voor bejaarden (boven 40) te gevaarlijk achten.

Een kleine toevoeging: de wedstrijdkalender 1952 omvat een zevental “echte” wedstrijden die alleen in het eerste halfjaar worden uitgeschreven.




OProeien toen ~ 1

Door Jan Op | 30 juli 2020

Ik, Jan Op den Velde, roeide toen ongekend lang, vijf jaren, voor Laga in de periode 1950-1954. De omstandigheden uit die jaren schets ik graag. De vergelijking tussen toen en nu zal, naar ik hoop, voor hetgeen nu in de roeiwereld geboden wordt (nog meer) waardering oogsten.

De wereld na de Tweede Wereldoorlog

Omdat de moffen onderwijs en studie tijdens de oorlog hebben lamgelegd en dreigen de bezittingen van onder andere (studenten)roeiverenigingen, in beslag te nemen, worden de boten elders verstopt. Dat is natuurlijk niet eenvoudig. Hoe krijg je een acht ongezien naar een daarvoor geschikte plek? Zulke ondernemingen moeten in de nacht plaats vinden, tijdens “Sperrzeit” (niemand mag ’s avonds en ’s nachts buitenshuis zijn. Daarop controleren moffenpatrouilles scherp).

Tijdens de oorlog bestaat al een distributiestelsel. Toen we bevrijd zijn is er gebrek aan vrijwel alles. Voedsel, kleding, brandstof, bouwmaterialen en meer. Vrijwel alles is alleen via distributiebonnen te verkrijgen. Zelfs kinderen zoals ik krijgen een distributiekaart. Natuurlijk wordt dit systeem langzaam afgebouwd. Maar als ik in 1949 in Delft aankom met de (door een familielid ingefluisterde) verplichting om corpslid te worden en te gaan roeien, zijn boter en vlees nog steeds “op de bon”. Als je je in het corps hebt ingevochten, moeten deze bonnen worden ingeleverd. Voor de maaltijden op de sociëteit zijn deze bonnen hard nodig.

Het plaatje is de “stamkaart”. De bonnen zijn een aanhangsel. Die knipte men er per stuk af wanneer nodig om deze bij aankoop in te ruilen [als er nog iets was].

Delft

Na met succes de groentijd te hebben overleefd is het tijd om je eventueel bij één of zelfs meer onder-verenigingen te melden. “Toneel”, “Apollo”, “Odin” en “Voetbal” en veel meer trekken mij niet aan. Ik moet mij op dringend advies bij “Laga” melden. Later blijkt dat een keuze te zijn die mij in de hoogste regionen van het roeien brengt. Een paar lekkere halen en je bent verkocht. Het Roei-virus is onuitroeibaar.

Wel eerst invechten bij Laga. Op de eerste dag staat de “raceroeierskamer” vol met kandidaten. Eerst wordt iedereen gewogen. Vervolgens worden vier kandidaten geplaatst bij een “coach”, Veelal een ouderejaars roeier die vaak zelf weinig van roeien heeft opgestoken maar even helpt om de aanwas de eerste beginselen van het roeien bij te brengen. Zoals o.a. het in- en uitstappen. En te beoordelen of “het nog wat kan worden”.

Wordt vervolgd


Jan Op den Velde (89) roeit bij Tromp. Niet meer in de boot, maar wel nog op de koffie met zijn ploeg. Hij roeide als student in Delft en in 1952 op de Olympische Spelen in Helsinki. Na zijn studie Civiele Techniek hield het roeien op tot hij in 1965 een ploeg coachte en met hen in de boot stapte om de Head te varen. Zo kwam hij terug in de roeiwereld en vervulde functies bij de Roeibond, in commissies, als kamprechter en wedstrijdleider.

Lees alle bijdragen van Jan Op den Velde hier.



Onverstelbaar

Jan Op den Velde | 4 juni 2020

Ik roeide eerst in de onverstelbare tijd, de rigide uitrusting van de boten liet geen “aanpassingen” toe. Behalve de voetenplank. Die kon per 5 cm aan de lengte van de benen worden aangepast.  

Deze is uiteraard nog steeds verstelbaar. Zelfs per cm op een getande strip langs het boord. Met een bijpassend omgekeerd getand stukje aan de voetenplank. Die cm-verstelling is inderdaad mogelijk en sommigen lukt het bij de eerste dreun tegen deze constructie. Dat mijn collega’s en ik daarmee frequent te maken hebben, vindt zijn oorzaak in het gebruik van een boot door verschillende bemanningen van uiteenlopende leeftijd, sekse en (on-)handigheid. Ik ben nog steeds op zoek naar de uitvinder. Naar hij mag hopen kom ik hem niet tegen. Mijn frustratie is dodelijk.

Het houten plankje met de leren riempjes en een koperen hielstuk is vergane glorie. De plaats van het hielstuk is nu verstelbaar. Ik vraag mij af hoeveel cm dat scheelt op 2 km.

Dat de schoenen alvast vastgeschroefd aan de plank zitten is voor vaste bemanningen een luxe. Als mijn maat en ik een 2x (elders) kregen toegewezen, waarin eerst een paar kinderen hebben gevaren, moeten we andere voetenplanken vinden. Wij hebben geen verstelbare tenen.

De verstelbare kraag! Die zat indertijd spijkervast aan de riem geklonken. De plaats van de kraag wordt nu aangepast aan het weerbericht. De plaats en stand van de dolpen is nu naar wens in te stellen.

De introductie van verlengde slidings leidde tot bloederige slijtplekken op de kuiten.

Tekening Jan Op den Velde

Niet verstelbaar zijn de bladen van de riemen. Ik ondervond de eerste verbetering toen de bladen beperkt werden verbreed en ingekort. De suggestie van het nieuwe gaf de indruk dat we een “hardere” haal konden maken. Het verbreden en verkorten werd voortgezet: “macon” tot de huidige “bijlen”. Bij mij een ervaring alsof het blad inderdaad “voor paal” zat. De grootte van het oppervlak van de bladen lijkt niet veel te verschillen (vrijwilliger om dat uit te zoeken?).

Wat een zegen om in een boot te varen die helemaal naar jouw “smaak” is ingericht.


Jan Op den Velde (89) roeit bij Tromp. Niet meer in de boot, maar wel nog op de koffie met zijn ploeg. Hij roeide als student in Delft en in 1952 op de Olympische Spelen in Helsinki. Na zijn studie Civiele Techniek hield het roeien op tot hij in 1965 een ploeg coachte en met hen in de boot stapte om de Head te varen. Zo kwam hij terug in de roeiwereld en vervulde functies bij de Roeibond, in commissies, als kamprechter en wedstrijdleider.

Lees alle bijdragen van Jan Op den Velde hier.



Verstellen

Door Jan Op den Velde | 21 mei 2020

Behalve zwakke riemen zijn er meer onderdelen aan de boot waarvan de constructie voor jongeren van nu verrassend zal zijn. De (out)riggers.

Al genoemd is de constructie met massief ijzeren staven van ca 10 mm doorsnede. Deze worden gelast aan de kop waarin de dolpen wordt geschroefd. Over de dolpen wordt de massief bronzen dol geschoven. De “vijfde poot” gaat over de top van de pen. De dol heeft een koperen overslag met schroefdraad (dat snel slijt). Nu ook een bekende constructie maar wel van ander, sterker en lichter materiaal.

Zo vlak na WO II gaat de achtergeraakte studie voor. Kennis van coachen is verloren gegaan. In Henley roeit de top van de wereld. Vooral de Amerikanen presteren. Onze latere coach ziet hoe de topploegen er roeien.

En hij ziet iets onbekends: afstellen van de dolpen. Een klus die hier alleen de bootsman mag uitvoeren. Het is hem duidelijk dat de stand van de dolpen een cruciale rol speelt. “Meten is weten”. Tegen alle regels in wordt nu door de bemanning de afstelling uitgevoerd. Maar de constructie van de rigger en de stand van de dolpen laten geen, nu normale, correcties toe. De kracht in de armen van de bemanning levert een oplossing.  

Afbeelding met water, vliegtuig, vliegen, boot

Automatisch gegenereerde beschrijving

Eerst meten. De boot wordt op z’n kiel op de schragen gelegd (streng verboden). Met latten en lijmtangen wordt de boot horizontaal gezet. De “eigenaar” drukt de riem in de dol tegen de opstaande kant. Met een lood wordt de hoek van het blad ten opzichte van de verticaal gemeten. Van alle acht dolpennen moet de stand worden gecorrigeerd. De hoek is een gok.

Met een stevige buis over de dolpen wordt getracht de juiste stand in te stellen. Dat dit geen gezonde behandeling is zal duidelijk zijn.
Onze acht roeit ook in twee vieren. Wij hebben in de vier een andere coach. Op Hollandia diept mijn riem. De dolpennen staan in deze boot nog in de “oude” stand. Ik klaag over het diepen. Deze coach heeft meteen de oplossing. In vloeiend Twents: “dan moet je maar harder trekk’n”.


Jan Op den Velde (89) roeit bij Tromp. Niet meer in de boot, maar wel nog op de koffie met zijn ploeg. Hij roeide als student in Delft en in 1952 op de Olympische Spelen in Helsinki. Na zijn studie Civiele Techniek hield het roeien op tot hij in 1965 een ploeg coachte en met hen in de boot stapte om de Head te varen. Zo kwam hij terug in de roeiwereld en vervulde functies bij de Roeibond, in commissies, als kamprechter en wedstrijdleider.

Lees alle bijdragen van Jan Op den Velde hier.



Stormboorden bij de Head van 1953

Door Jan Op den Velde | 14 mei 2020

Head 1953. Zaterdag 28 maart: storm, temperatuur net boven nul. Nu zou de wedstrijd zijn afgelast. Uiteraard gaan we een flink stuk varen om te wennen aan de omstandigheden. We stappen in Ouderkerk in nadat we de boot van de stelling haalden uit het vloeibare weiland. In de luwte van de bebouwing van het dorp was het instappen geen probleem. We varen onder de brug door en we komen de bocht om op het eerste rechte stuk. Daar staat de storm recht tegen. Behoorlijk hoge golven waarvan de toppen hoger reiken dan het boord van onze boot.

Die bovenste stukjes water vinden hun weg naar binnen. Een laagje water in de buik van de boot klotst heen en weer. Bij elke inpik schiet het water in het kruis van de stuur (George, van Indische komaf) voor mij. Dat doet mij ingehouden lachen. Maar niet lang want nog voordat we de molen bereiken staat de boot vol water en is het kruis van de hele ploeg onder water. ‘Uitstappen gelijk’ is er nu niet bij. ‘Naar de kant zwemmen’ is een nieuw commando. Braaf sleuren we boot met riemen naar de kant. Behalve de 7, geboren in Indië en alleen gewend aan warm water. Eerst zijn hachje redden. Ik moet hem dus terugroepen want het hachje van de boot gaat voor.

Aan de oever van de Amstel is het ondiep en kunnen we tot ons middel in het water staan. Dat levert bij mij een sensatie op die ik daarna nooit meer heb gevoeld. De storm boven water voelt aan als -15 graden, Onder water ‘is’ het +10 graden.

Riemen eruit, boot met een ton aan water omdraaien en leeg laten lopen. Riemen er weer in en wij er weer in. We worden door de storm de hoek om geblazen. Nog een paar halen en we zijn bij het vlot.

Na onze natte ervaring nam onze bootsman Harry meteen maatregelen. Hoe hij dat voor elkaar kreeg is een onopgehelderd raadsel. Hij voorzag de boot van stormboorden. Die verhinderden de instroom van golftoppen (op de foto goed te zien) en functioneerden dusdanig dat we op zondag redelijk droog (de boot van binnen, wij niet) over de finish kwamen.

De tekst gaat door onder de foto.

Head 1953, met stormboorden.

Maar niet ongeschonden. Onze riemen waren na de oorlog van vurenhout gemaakt. Beter hout was er toen niet. We waren tegen de storm in in het zicht van de Berlagebrug gekomen. Een hoge golf pakte het blad van de riem van nummer vier. De zwakke plek waar lange spijkers de kraag op z’n plek houden brak en het deel van de riem buiten de dol verdween. Tot de finish hebben we dus met zeven roeiers en twee passagiers verder gevaren.

Finish, met zeven roeiers en twee passagiers.

Jan Op den Velde (89) roeit bij Tromp. Niet meer in de boot, maar wel nog op de koffie met zijn ploeg. Hij roeide als student in Delft en in 1952 op de Olympische Spelen in Helsinki. Na zijn studie Civiele Techniek hield het roeien op tot hij in 1965 een ploeg coachte en met hen in de boot stapte om de Head te varen. Zo kwam hij terug in de roeiwereld en vervulde functies bij de Roeibond, in commissies, als kamprechter en wedstrijdleider.

Lees alle bijdragen van Jan Op den Velde hier.



Goeie(?) ouwe tijd

Door Jan Op de Velde | 7 mei 2020

Toen ik zo’n 80 jaar geleden op de lagere school voor ’t eerst het vak ‘geschiedenis’ kreeg geserveerd, begreep ik niet waarom ik dat moest leren. Dat is allemaal verleden tijd. Ik heb toch maar braaf de repetities gemaakt en voldoende voldoendes verzameld. Het blijkt toch wel een leuke inhoud te hebben. Zoals het paard van Troje en de slag bij Nieuwpoort en vele andere slagen. Ik werd als het ware klaargestoomd voor de gebeurtenissen in de Tweede Wereldoorlog. Het werd gaandeweg leerzaam.

Roeien in het verleden, in dit geval kort na de WO II, geeft mogelijk meer waardering voor wat we in het heden ter beschikking hebben. Daarom is een vergelijking van het materiaal van toen en nu van belang.

Toen: houten boten met houten spanten en vol met koperen onderdelen, zware houten riemen. De outriggers van massief staal en dollen van brons. Het op de wal verplaatsen van de boot inclusief het boven de hoofden tillen komt overeen met gewichtheffen van nu. Dus toch een kleine krachttraining van korte duur.

De boot: de spanten zijn in de vorm van een driehoek die met de punt op het kielbalkje steunt. Op de bovenkanten de slidings en een klein plankje om de eerste stap te zetten. De voetenplank beneden in een bronzen sleuf te verschuiven. Op het horizontale spant binnenboord een bronzen strip met schroefgaten. Daarop kan de voetenplank op ongeveer om de 5 cm worden vastgezet met vleugelschroeven. Alles van brons, waarin de schroefdraad snel verslijt.

De huid is van flinterdun hout, bij voorkeur spruce (spar) uit Canada, licht en zonder kwasten. Uiteraard met de vezels in de lengterichting van de boot. Een dergelijke constructie dient te worden versterkt met houten stripjes, dwars over de binnenkant van de huid bevestigd. De hele constructie wordt wel gelijmd, maar de kleefkracht was zeker niet voldoende om de constructie bij elkaar te houden. Dus worden talloze koperen spijkers van diverse afmetingen toegepast.

Manchet en kraag, de laatste een leren strip enige malen om de riem gedraaid, zijn van dun leer en met spijkers vastgezet op de riem. Ze zijn niet te verstellen.

Riemen gaan niet lang mee. Waar de kraag met lange koperen spijkers in het hout is bevestigd is een breekbare plek ontstaan. Het gevolg is dat er af en toe een passagier meevaart. Zoals in de Head van 1953. Daarover volgende week meer.

Bij Sequana in Parijs | © Merijn Soeters – www.merijnsoeters.com

Jan Op den Velde (89) roeit bij Tromp. Niet meer in de boot, maar wel nog op de koffie met zijn ploeg. Hij roeide als student in Delft en in 1952 op de Olympische Spelen in Helsinki. Na zijn studie Civiele Techniek hield het roeien op tot hij in 1965 een ploeg coachte en met hen in de boot stapte om de Head te varen. Zo kwam hij terug in de roeiwereld en vervulde functies bij de Roeibond, in commissies, als kamprechter en wedstrijdleider.



Post-corona-vier

Interview met Jan Op den Velde
in Roei! 4, oktober 2014

Jan Op den Velde (89) roeit bij Tromp. Niet meer in de boot, maar wel nog op de koffie met zijn ploeg. In oktober 2014 plaatsten wij een interview met hem. Nu stuurde hij ons dit bericht, over roeien na corona. 

“Het woord coronavirus bevat het woord “vi(e)r”. Dat bracht mij op de vraag: hoe gaan we om met de anderhalve meter als we weer mogen varen. En dat leidde weer naar een acht waarin deze tussenafstand is te realiseren voor een vier door de bankjes op anderhalve afstand van elkaar te zetten. De 7 is de slag om voldoende ver van de stuurpik te zitten. Dat vergt een enorme verbouwing waaraan geen enkele vereniging zal beginnen. Dat neemt niet weg dat de fantasie op papier is te realiseren. En dat heb ik (met enige moeite) geprobeerd.

Ik ben eigenlijk nog niet tevreden over de laatste versie, maar nu we thuis moeten blijven is het wel leuk om zo’n fantasie proberen vorm te geven.”

Reacties en variaties hierop zijn welkom! Stuur ze naar redactie@roei.nu.

Tekening Jan Op den Velde