OProeien toen – 8

Door Jan Op | 20 september 2020

Ik, Jan Op den Velde, 89 jaar, roeide voor Laga in de periode 1950-1954. De omstandigheden uit die jaren schets ik graag.
Vanaf OProeien toen – 1 is het een doorlopend verhaal. Via deze link vind je ze allemaal.


Stapje terug naar het dak van de loods van Willem III. In die jaren zijn zowel de roeiers als hun aanhang geduchte “hooligans”. Wat op het water niet wordt behaald, wordt gecompenseerd aan de wal. Hoewel een blik ook moet worden gevierd. Een korte inleiding lijkt mij gewenst.

Hoe het eraan toegaat na de wedstrijden bij de toen deelnemende verenigingen kan ik in mijn geheugen niet terugvinden. Wij hebben een naam hoog te houden. Er kan verschillend worden gedacht over die naam en de bijbehorende hoogte. In ieder geval wordt de training opgeschort tot 24.00. En de fles wordt met beide handen aangegrepen. Na geruime tijd begint het lijf eraan te wennen. En het is de ultieme methode om weer fris helemaal opnieuw te beginnen. Het roeien moet wel “leuk” blijven. Natuurlijk zijn we in het gezelschap van bewonderaars van dezelfde kleur maar die hebben hun riem reeds aan een wilg opgehangen. (Uiteraard beeldspraak, want riemen zijn kostbaar en schaars).

Als ik nu de beelden van het gedrag van supporters zie, is ons gedrag daar een slap aftreksel van. Maar de indruk op “de bevolking” is vergelijkbaar. Het woord “student” heeft een feestelijk accent waarbij de studie secundair is.

Terug naar de roei-verleden-tijd, de Varsity 1950.

Onze Jonge (eerstejaars) Acht haalt de finish wel maar niet als eerste. De Oude Vier volgt ons voorbeeld. Maar dat is zeker niet de bedoeling. Ook de rest van de afgevaardigden oogst weinig succes.

Een belangrijk element in het leven van een (vooral succesvol) mannelijk roeier is de verplichte militaire dienstplicht (2 jaar!). Op basis van de studieresultaten kan uitstel van de plicht worden verkregen. Maar die resultaten zijn soms moeilijk haalbaar als je nogal intensief met roeien bezig bent. De minister van “Oorlog” (ja, dat is zijn titel!) is uiterst streng. Hij moet zorgen dat een groot leger aan deze kant van de Berlijnse Muur klaar staat. Hoewel roeiers tot de beste militairen kunnen worden gerekend, kan ook het deelnemen aan belangrijke wedstrijden (je verdedigt het landsbelang) tot uitstel leiden. Afgezien van studieresultaat een accent dat bij roeien niet meer bestaat gelukkig.



OProeien toen – 7

Door Jan Op | 6 september 2020

Jan Op den Velde, 89 jaar, roeide voor Laga in de periode 1950-1954. Hij neemt ons mee naar die periode. Vanaf OProeien toen – 1 is het een doorlopend verhaal. Via deze link vind je ze allemaal.


Het zal begrijpelijk zijn dat ik veel details na 70 jaren kwijt ben. Bovendien heb ik nogal veel halen gemaakt in al die jaren. Toch probeer ik uit mijn versleten geheugen te putten om mijn voornemen: de evolutie van het roeien aan te dragen, gestalte te geven. Dus terug naar Ouderkerk a/d Amstel in 1950.

Ik put plaatjes en krantenknipsels uit mijn geplastificeerde plakboek. De plaatjes worden overgezet naar deze geschriftjes waardoor de kwaliteit flink te lijden heeft. Maar dat valt dan onder “antiek”.

We hebben ongetwijfeld onze welverdiende blazers aan. In de speciale kleur rood van onze lichting. Hoe we reizen en verblijven is me totaal niet meer bekend. Mogelijk was er een busverbinding tussen het Centraal Station en Ouderkerk. En gaan we naar ons ouderlijk huis eventueel samen met een ploeggenoot om te overnachten. Hoewel de “Havik” (schip voor het boottransport, botenwagens bestaan nog niet) soms ook onderkomen biedt met stro in het ruim gespreid. Ons eigen vervoermiddel is een fiets, niemand heeft een auto. De fiets hebben we in Delft achtergelaten.

Uit het geplastificeerde album van Jan Op: gerommel met de vlag van Willem III

Zaterdag onze kennismaking met de Amstel en het bijkomende nemen van allerlei bochten. De taak van de verse “stuur” (ik heb de “pik” eraf gehaald zoals eerder beloofd). Veel “boord-best” en het aansturen van de bochten oefenen. En hoe om te gaan met de “vijand” als hij of wij in de weg varen. Dat laatste is nauwelijks te vrezen: er nemen in totaal 20 achten deel waarvan 2 in de Eerste Divisie.

Onze allereerste wedstrijd. 8 km. We zijn uitgebreid voorbereid op de start. Spannend. We varen over een onzichtbare lijn die je wel kan horen. En dan is de jacht op de ploeg voor ons begonnen. Maar ook op ons wordt gejaagd. Wij varen in ons gewone hempje van ongeveer de juiste kleur, met blote armen. Hemden met korte mouwen bestaan niet of zijn te duur. Ik herinner mij niets van de wedstrijd zelf. Mijn archief zegt dat we 3e zijn. Geen blik.

Na afloop een illegale vlaggenceremonie. We proberen de vlag van Willem III te vervangen door een eigen das met onze kleuren. We hebben van ouderejaars vernomen dat wij de naam van onze vereniging “hoog” moeten houden.  De tegenwoordige voetbalsupporters hebben hun gedrag van ons afgekeken. Onze President blijkt het resultaat van onze prestatie niet te waarderen. Ons overleven staat op het spel.

Wordt vervolgd



OProeien toen – 6

Door Jan Op | 6 september 2020

Ik, Jan Op den Velde, 89 jaar, roeide voor Laga in de periode 1950-1954. De omstandigheden uit die jaren schets ik graag.

Vanaf OProeien toen – 1 is het een doorlopend verhaal. Via deze link vind je ze allemaal.


Als de winter min of meer op de terugweg is kan er weer volop worden gevaren. In de smalle tub zit Piet, onze coach, voor mij. Een kleine anekdote als OPvrolijkje:

Piet geeft met zijn hand aan hoe we de inpik moeten maken. De middelvinger daarvan kan hij niet strekken. Ik zal nooit vergeten dat ik bij dat gebaar mij afvroeg hoe je op die manier een haal kan maken. 

Piet is trouwens een goede coach die met enig inzicht en zonder het gebruikelijke luide uiten van wensen ons de fijnere kneepjes zoals hij die ziet, kan bijbrengen. Dat is overigens nog maar een benadering van hetgeen we later weten. Dan blijkt ook dat wij een haal leren maken die – ten goede – afwijkt van die van bijvoorbeeld de Oude Vier.

De eerste wedstrijd die wij / ik ga roeien is de Head. Een week daarvoor varen we een traditionele baan naar Voorburg op ca 8 km van Delft. Er zijn redelijk veel meefietsers naar de kroeg die zich op die afstand bevindt. Uiteraard geen biertje voor ons. Wel een melkje met een koekje. Zij vinden dat ze een biertje hebben verdiend. Met een “berenlul” (kroket).

‘Harde halen’ op de heenweg, ‘harde halen’ op de terugweg. En uiteraard in uniform. Alleen o.a. een zelf roodgeverfd hemd zonder mouwtjes aan. (Hemden met mouwtjes zijn een luxe en duur). Je kan daarvoor verf kopen. Die aan een emmer heet water toevoegen, witte hemd erin en roeren (of zoiets, dat weet ik niet meer). Of het door het aantal minuten roeren komt is mij niet bekend. Wel het resultaat: een mengsel van verschillende tinten rood tot roze.

Dit is onze kennismaking met de voorbereiding voor een wedstrijd. De spanning stijgt. Zaterdag in Ouderkerk aantreden. Hoe we daar zijn gekomen is mij ontschoten. Vermoedelijk per trein, tram en bus + lopen. Onze boot wordt gebracht op de vrachtboot de “Havik” van Meeuwisse.

Er blijkt een ritueel bij deze eerste wedstrijd te horen. We gaan met de hele ploeg in Ouderkerk naar de overkant. Daar staat een kerk. We moeten allemaal een dubbeltje (10 cent) offeren door die door een kier te duwen. Dit moet de goden tevreden houden en ons de overwinning doen veroveren. Maar deze goden laten het helaas afweten.



OProeien toen – 5

Door Jan Op | 31 augustus 2020

Ik, Jan Op den Velde, 89 jaar, roeide voor Laga in de periode 1950-1954. De omstandigheden uit die jaren schets ik graag.

Vanaf OProeien toen – 1 is het een doorlopend verhaal. Via deze link vind je ze allemaal.


We worden in dit nieuwe jaar (1950) redelijk serieus genomen (vind ik). Ik zit nu wel in de Jonge Acht A, maar het blijft oppassen. Een ‘klopje op de schouder’ of iets dergelijks is er niet bij. Tenslotte moet je het nog waar maken. Een indicatie dat je acceptabele halen maakt volgt uit het minder corrigeren door de coach. En het noemen van je naam bij de veertiendaagse wisseling van coach. Het programma is nu smalle tub en bakken. Dat laatste is zonder toezicht. Of wel een klein beetje. De stuurpik die toch niets anders heeft te doen, kijkt of we wel genoeg schuim (met de speciale ‘bakriem’ met gaten) produceren. Die laatste om er niet met de bak vandoor te gaan. Maar die ligt stevig afgemeerd.

Dan nadert de laatste vrijdag in februari. Alle roeiers worden om 18.00 op de Sociëteit verwacht. De in-trainingsborrel staat op het programma. Dat betekent de laatste borrel en/of biertje want vanaf morgenochtend zijn we ‘in training’. Dat betekent: geen sterke drank, niet roken en om 23.00 in bed. Om 08.00 opstaan en voor zover mogelijk de studie volgen en resultaten boeken. Het meest belangrijke moment is dat we vanaf volgende ochtend tot de raceroeiers behoren. We mogen een kastje in de raceroeierskamer bezitten. Maar de eerste vier bij het raam zijn altijd van de Oude Vier. En een door een vriendin of andere vrouwelijk bekende gebreide Laga-das mag nu om de nek.

Nu de Sociëteit ter sprake komt: Laga-leden behoren daar zeer frequent aanwezig te zijn. En niet alleen voor het avondmaal. Er wordt van ze verwacht dat ze opvallend gedrag vertonen. In een mate die de afwezigheid in de avond van de volgende maanden moet compenseren.

Nu begint het trainen ‘echt’. Bakken = opwarmen, tubben (afwisselend met coach of stuurpik!) (ik heb intussen begrepen dat men tegenwoordig “stuur” schrijft. Ik zal de moderne versie voortaan gebruiken. Dat wordt opletten!). Tenslotte in de acht. Dat betekent dat we tot de Hoornbrug (Rijswijk) heen en weer varen. De weekeinden zijn nu inclusief. Even naar huis (per trein en/of bus en een stuk lopen) is soms niet te doen als het afschrijven van een boot dat niet toelaat.



OProeien toen – 4

Door Jan Op | 16 augustus 2020

Ik, Jan Op den Velde, roeide voor Laga in de periode 1950-1954. De omstandigheden uit die jaren schets ik graag. De vergelijking tussen toen en nu zal, naar ik hoop, voor hetgeen nu in de roeiwereld geboden wordt (nog meer) waardering oogsten.


De opleiding is zover gevorderd dat na het kerstreces traditiegetrouw al een Jonge Acht A kan worden geformeerd. Na thuis de oliebollen te hebben genoten, met de trein naar Delft en je tegen vijven in de raceroeierskamer melden. Een inmiddels behoorlijk uitgedund gezelschap wacht in spanning af wat hen boven het hoofd hangt.

Eerst de president met zijn visie over de huidige situatie en de hoge verwachtingen die het bestuur heeft. De eerstejaars wordt voorgehouden dat zij nu weliswaar nog steeds aanwezig zijn en in het gezelschap van de ouderejaars, maar dat er geen enkele reden is tot juichen. Als je geen 150% inspanning toont kan je eventueel alsnog volgend jaar weer aantreden.

Mijn carrière tot de kerstvakantie vertoont nogal wat mankementen. Er zijn al overnaadse en gladde lichte vieren met mannen van mijn lichting geformeerd. Rond Sinterklaas zit ik nog steeds in de smalle tub. Er gebeurt wel iets bijzonders. Ik krijg als coaches zeer ouderejaars met een succesrijk verleden.

En daar sta je dan op de dag dat het laatste oordeel zal worden geveld. Zou ik nog ergens in mee mogen varen? De hoofdcoach komt aan ’t woord. Eerst de ouderejaars met aan het hoofd de Oude Vier. Hoe bereik je deze allerhoogste eer? Ze zijn zeker in staat de hardste halen te maken.

Het is winter. In die jaren nog echt koud en overal ijs. “Bakken” kan wel want met de bakriem houd je het ijs in beweging. De nabijgelegen gasfabriek levert (afval)warm water. Klein stukje water voor de deur min of meer ijsvrij. De brede tub mag varen.

Dan de kandidaten. Twee Overnaadse Vieren. Mijn naam valt niet. Ik krimp zeker enkele centimeters. Lichte Vieren. Minder zorgelijk want mijn gewicht beperkt de toegang tot deze categorie. Jonge Vieren. Nee! Zijn ze mij vergeten? Of heb ik iets gemist toen we vorig jaar voor het laatst werden toegesproken? Dan komt de hoogste rang, de Jonge Acht A, ter sprake. De namen van de boegen zijn mij goed bekend. Wat hebben zij wel en ik niet? Dan wordt mijn naam toch nog genoemd. Ik ben bevorderd naar 6 in de Jonge Acht!! Niks Overnaadse Vier. Overgeslagen. Ik voel een soort hartritmestoornis.

Handschoenen? Trui? Lange gymbroek?  Aan watjes doen we niet. Hard worden hoort bij de opleiding. Nu niet voor te stellen!



OProeien toen ~3

Door Jan Op | 16 augustus 2020

Ik, Jan Op den Velde, roeide voor Laga in de periode 1950-1954. De omstandigheden uit die jaren schets ik graag. De vergelijking tussen toen en nu zal, naar ik hoop, voor hetgeen nu in de roeiwereld geboden wordt (nog meer) waardering oogsten.

De laatste wedstrijden in de jaren na de oorlog zijn de nationale kampioenschappen. Aan de hand van de uitslagen wordt door de Roeibond, gesteund door een bevriende commissie, besloten of er ploegen naar de Europese kampioenschappen kunnen worden afgevaardigd. Wereldkampioenschappen roeien bestaan niet. Lange reizen + materieel vrijwel onmogelijk. De Olympische Spelen wel. Alleen voor echte amateursporten. En het woord “sponsoren” is totaal onbekend. Alle deelnemers zijn amateurs. Het Olympisch Comité betaalt alles. Uiteraard niet alleen van de bescheiden contributie van de verenigingen. Allerlei inzamelingen, zoals onder andere een speciale loterij, moeten het benodigde kapitaal bijeenbrengen. Meer daarover later.

Weer terug naar de harde leerschool om de (roei-)haal perfect te kunnen uitvoeren. Uit de “brede” tub kan je worden gepromoveerd naar de “smalle”. Dan is het al november. Er zijn al veel kandidaten die het volgend jaar opnieuw mogen proberen de felbegeerde status van “raceroeier” te veroveren. Ik bevind me nog steeds in het selecte gezelschap van blijvers maar ik raak achter in de promotie. Een aantal collega’s gaat al in een overnaadse 4 te water. Met een echte stuurpik en een coach + toeter op de fiets.

Als je een “goede” coach wil zijn maak je gebruik van de “toeter”. Met luide stem aanwijzingen geven aan de leden van de bemanning betekent dat je een “goede” coach bent. Ook al begrijp je niet precies wat je wilt bereiken. Behalve dat er ”hard” moet worden getrokken. De meeste coaches hebben die boodschap meegekregen toen zij in het schuitje zaten. Veel meer dan “harde halen maken” bevat hun kennis niet.

Sommige coaches die naar Delft zijn gekomen om te studeren voelen zich genoodzaakt ook eens te bezien of er ergens een studieboek over roeien bestaat. Dat blijkt inderdaad het geval. Een oude Australiër, Fairbairn, heeft zijn inzichten over de techniek van het roeien op papier gezet. Bij gebrek aan iets anders wordt zijn leerboek een basis om de onschuldige leerlingen de fijne kneepjes bij te brengen

Een onderdeel van de haal, de inpik, krijgt nogal wat aandacht. Fairbairn vergelijkt het inpikken met het vliegen vangen. Ook de theorie dat het blad met de draairichting van een wiel-met-spaken mee contact met water moet krijgen, vindt aanhangers. Niemand lijkt zich in die tijd, voor, maar ook na de oorlog, te realiseren dat de lengte van de haal in het water dan aanmerkelijk wordt gereduceerd.



OProeien toen ~ 2

Door Jan Op | 9 augustus 2020

Ik, Jan Op den Velde, roeide vijf jaren voor Laga in de periode 1950-1954. De omstandigheden uit die jaren schets ik hier. De vergelijking tussen toen en nu zal, naar ik hoop, voor hetgeen nu in de roeiwereld geboden wordt (nog meer) waardering oogsten.
Lees alle bijdragen van Jan Op den Velde hier.


Elke dag, behalve aanvankelijk de weekeinden, aantreden bij de “bak”. Aan beide einden van het vlot is een bak geïnstalleerd. Die was gemaakt van twee drijvers die in de oorlog door de Duitsers werden gemaakt om een anti-duikboten-net aan te hangen in en voor de haven van Rotterdam. Na de oorlog spoorslags door oud-leden naar Delft geëxporteerd. Tussen de drijvers een klein platform en aan beide einden rails met bankje en een uithouder met dol.

De kandidaten zitten ruggelings. Dus is er een stuurboord aan de ene kant en bakboord aan de andere. Bij de eerste keer instappen kom je toevallig op een onbekend boord terecht. Dat betekent wel dat achter je naam een S of een B komt te staan. Vervolgens blijf je voor eeuwig op dat boord roeien. Hoewel het voorkwam dat bij gebrek aan een stuurboorder een bakboorder werd omgeboord. (Ik heb mijn gehele roeileven, ook als veteraan, op bakboord (B) gezeten. Pas toen ik in een ver land wilde roeien, moest ik met twee riempjes leren varen. Dat was best moeilijk voor mijn linkerhand. Ik heb nooit op stuurboord gezeten).

Als je mag blijven is de volgende fase “tubben”. In een omgebouwde wherry voor boordroeien. De coach is de stuurman. De studieduur is tot 15 minuten gestegen. En de moeilijkheidsgraad gaat fors omhoog. Je moet nu echt leren “inpikken” en dat samen precies gelijk doen. Gelukkig is dat op slag, (= bakboord), niet zo lastig. Maar je blijkt ook een constant tempo te moeten kunnen varen.

Hier mag een korte beschrijving van de omstandigheden en de techniek niet ontbreken. Er is alleen bij wedstrijden contact met andere verenigingen. Afkijken komt niet voor. Iedere vereniging moet zelf maar uitvinden wat hun “stijl” zal zijn. Het aantal verenigingen is zeer beperkt. De kern bestaat uit de – toen – zes studentenroeiverenigingen. Aangevuld met een klein aantal “burgerverenigingen” waarvan een paar ook aan wedstrijden deelnemen. Maar recent opgerichte verenigingen kunnen nog geen wedstrijdploegen op het water brengen. De zeer oude burgerverenigingen, “De Maas” en “De Hoop” zijn meer een toevluchtsoord voor oud-studentenroeiers die het roeien voor bejaarden (boven 40) te gevaarlijk achten.

Een kleine toevoeging: de wedstrijdkalender 1952 omvat een zevental “echte” wedstrijden die alleen in het eerste halfjaar worden uitgeschreven.