Roei! december

Aan het begin van de coronapandemie, ruim anderhalf jaar geleden, vreesden veel roeiverenigingen een teruggang in leden en financiële problemen. Hoe is het ze sindsdien vergaan? Dat zochten we uit met de tweede Roei!-enquête over de coronacrisis.

Op de Olympische Spelen van Tokyo presteerden de grote roeilanden Duitsland, Groot-Brittannië en de Verenigde Staten dramatisch. We brachten we de achtergronden van het falen in kaart op basis van artikelen in de media.

Verder bezochten we een indoortraining in Rotterdam, roeivereniging Daventria in Deventer en namen we een Roei!kijkje langs de Linge.

Na de (ver)jaarkalender die we vorig jaar meestuurden met het decembernummer hebben we dit jaar besloten geen Roei!kalender te maken. De pandemie gooit het schema van de roeiwedstrijden nog te vaak in de war, actuele informatie over de planning en het doorgaan van wedstrijden is het best online te verkrijgen, bijvoorbeeld via de KNRB. Als alternatief komen we in 2022, bij het verschijnen van het vijftigste nummer van Roei!, met een speciale uitgave.

Bijlagen bij Roei! 46 | oktober 2021


pagina 5 | Column door Petra Sauter – De Munck en pagina 59 | Kort Roei!nieuws
De laatste lichting, een documentaire van Merijn Soeters

Petra begint haar column met:

Dankzij de documentaire ‘De laatste lichting’ was ik even terug in mijn eigen studententijd, de blauwe maandag dat ik zelf heb geroeid. Geweldig vond ik het om in deze docu ook de mentale aspecten van deze strijd op het water terug te zien. Tegelijkertijd deed het me ook stilstaan bij hoeveel er eigenlijk op dit vlak nog te bereiken valt in het roeien.

pagina 44 | New Wave vest: inklimmen ja of nee?

Onze ervaring: nee.
Dit filmpje, in een skiff zonder drukstangen: ja.


pagina 50 | De Oude IJssel: vaarkaart

Met dank aan Waterschap Rijn en IJssel


pagina 60 | Roei!kunst | Roeiend het gedicht uit

Miriam van Hee leest haar gedicht De Watersportbaan voor:

Studenten van ROC Twente verfilmden in 2014 het gedicht Echtpaar in de trein van Willem Wilmink:


De Russen komen

OProeien toen – aflevering 50
Tekst Jan Op | 19 oktober 2021

Ik, Jan Op den Velde, 90 jaar, roeide voor Laga in de periode 1950-1954. De omstandigheden uit die jaren schets ik graag.
Vanaf OProeien toen – 1 is het een doorlopend verhaal. Via deze link vind je ze allemaal.


Voor de eerste keer komen de Russen in Henley (het “Westen”) roeien. Alle Russen plus de door hen bezette landen in Oost-Europa wonen en werken achter het IJzeren Gordijn, een bijna onneembare afscheiding tussen Oost- en West-Europa. Hoe zal het met hun verblijf in het vrije West-Europa gaan? Uit de krant:

Niettemin waren de Russische ploegen in dit oude verslapte materiaal hun in uiterst modern materiaal roeiende tegenstanders veruit de baas. Hoe is dat mogelijk? (aan het bestaan/gebruik van doping werd niet gedacht. Onsportief bestempeld). Twee factoren zijn daarbij van doorslaggevende betekenis. Ik (Aad van Leeuwen) ben tot de conclusie gekomen, na de in Henley veel betere mogelijkheden in training en tijdens de race waar te nemen en in gesprekken (via tolk) met een aantal Russische roeiers en hun leider. Die factoren zijn:
1 De tot een maximum opgevoerde lichamelijke conditie van de roeiers.
2 De door de Russen ontwikkelde roeitechniek die meer dan de Engelse (..) of de Amerikaanse (..) rekening houdt met de noodzakelijke wisselwerking tussen spanning en ontspanning.
De lichamelijke conditie der roeiers was inderdaad opmerkelijk. Men had hier te doen met ploegen die reeds jaren bijeen zitten (de acht vier jaren) die in lange perioden per jaar volop gelegenheid krijgen tot conditie- en techniektraining. En wier gehele levenswijze wordt ingebouwd op het verkrijgen van een zo goed mogelijke lichaamsconditie. Die conditie maakte het de Russische roeiers mogelijk een race te roeien zonder een enkele inzinking. En bovendien zware races te roeien op drie of vier opeenvolgende dagen.

Nu is de conclusie wel anders  De Russen zijn geen amateurs (evenals andere ploegen van achter het IJzeren Gordijn, hoewel officieel verboden). Het is nu allang bekend dat gebruik van doping (toen nauwelijks bekend en nog niet verboden) tot op de dag van vandaag wordt toegepast. En vaak zijn het “militairen” die een “opleiding tot roeier” volgen. Met “soldij”.

In Henley ontstond nogal ophef over het (verboden) coachen tijdens de wedstrijd. En het feit dat de Russische ploegen geen club-ploegen waren (ook verboden). Een fenomeen waar de kamprechters geen raad mee wisten en als gastheren maar door de vingers zagen. Zeer onterecht want iedere ploeg houdt zich onvoorwaardelijk aan de regels. Die zijn in het Russisch ook van toepassing.

Zo was er ook een zeer ongebruikelijke gebeurtenis bij de prijsuitreiking. De gehele Russische afvaardiging marcheerde in gelid achter de Russische vlag naar de bekers- en blikkenuitreiking. Hier waren de Stewards helemaal niet tegen opgewassen.

Zie de Russen winnen op deze beelden van Henley 1954


Zorgeloos genieten van de Douro, mede dankzij Pedro, Pedro en Pedro


Een groep van 16 roeiers van de Maastrichtsche Watersportclub MWC heeft van 20 tot 25 september een tocht geroeid op de Douro in Portugal.  De organisatie en verzorging daar was in handen van Row for Fun, een groep ‘avid Douro valley explorers’, zoals ze zelf zeggen, ‘and rowing is our passion!’ Het relaas van de tocht door Josephine Knegtering.


Na een eerste kennismaking met Porto reden we per trein de 208 kilometer naar het beginpunt van onze roeitocht. Het spoor liep een groot deel parallel aan de meanderende Douro, zo konden we vast zien wat ons te wachten stond. We raakten niet uitgekeken op de prachtige vallei, de vier uur durende treinreis vloog om.

Bij aankomst op het pittoreske stationnetje van Pocinho werden we opgewacht door de eerste twee begeleiders van Row for Fun. Pedro 1 en Pedro 2 hadden die dag ‘dienst’ en hielpen ons installeren in het High Performance Sport Centre waar we de eerste dagen verbleven. Aan het eind van de middag, gelukkig was het toen wat minder warm, mochten we de 2 C-vieren en 1 coastal-2 in en begonnen we aan onze eerste 21 kilometer. Een rustig stukje waar we volop konden genieten van het ongerepte natuurschoon.

Al snel kwamen we erachter dat een team van vijf oud-wedstrijdroeiers ons steeds per tweetal, in wisselende samenstellingen, zou assisteren bij alle logistieke uitdagingen gedurende tocht. Later in de week ontmoetten we nog Pedro 3, Manuel en Louis. Stuk voor stuk sympathieke, jonge Portugezen voor wie geen moeite te veel was en die de rust wisten te bewaren op de momenten dat het wat spannender werd. Op dag 3 was er bijvoorbeeld zo’n moment. Iets met een windvlaag, een grote boei, een verbogen rigger en een los voordek en een paar pijnlijke ribben. En ondertussen ook nog panne met een van de twee bussen. Maar Pedro 1, “one problem at a time”, bleef rustig en loodste ons naar een idyllische lunchplek waar we afgeleid werden met een verrukkelijk maal met lokale specialiteiten. Ondertussen ging hij in de weer met ducttape en deelde paracetamol uit, waardoor we de roeitocht na een paar uur gelukkig konden vervolgen.

Kortom, vooral genieten en je nergens druk over maken. Elke dag een mooi stuk roeien en geschut worden in een soms best spannende sluis. Smullen van de Portugese keuken, af en toe een cultureel uitje, zoals bijvoorbeeld naar de prehistorische rotstekeningen in de Coa-vallei. En ja, we mochten ook druiven stampen.

En zo overbrugden we de 208 kilometer voor we het in de gaten hadden. Gelukkig hadden we nog een paar dagen om samen na te praten, de stad Porto en omgeving beter te leren kennen, en ook ons culinair nog eens goed te laten verwennen. We kijken terug op een onvergetelijke en vooral zorgeloze vakantie. Een aanrader!


Onvergetelijk echt roeien

OProeien toen – aflevering 49
Tekst Jan Op | 12 oktober 2021

Ik, Jan Op den Velde, 90 jaar, roeide voor Laga in de periode 1950-1954. De omstandigheden uit die jaren schets ik graag.
Vanaf OProeien toen – 1 is het een doorlopend verhaal. Via deze link vind je ze allemaal.


Naar Henley. Voor Bert, nu als coach, en mij de tweede keer. Ik herinner me eigenlijk vrijwel niets van deze reis. We zijn overgestoken uit Hoek van Holland. En uiteraard met de trein naar Henley. Hoe het transport van onze boot plaatsvond is ook uit mijn geheugen weg. We verblijven bij particulieren die gedurende voorbereidingen en tijdens de wedstrijden een (toen nog nauwelijks bekend fenomeen) B&B-onderkomen aanbieden.

Voor het eerst hebben Russische ploegen zich ingeschreven. Dat levert de nodige aandacht op. Als wij een paar dagen voor de wedstrijden ergens bij de Stewards Enclosure in onze rode hemden langs de baan zitten, komt een stelletje jochies voorzichtig dichterbij en staart ons aan. Wij moeten die Rode Russen zijn. Uit het diepste deel van onze keel: “We eat children”. Wat ze na het rennen naar huis hun ouders vertellen..?

Onze eerste wedstrijd is tegen Denen. Ze zijn per bestelwagen, met de boot op het dak (“deelbaar” bestaat nog niet) naar Henley gekomen.

Het varen hier, tweemaal per dag, is een aparte belevenis. Niet alleen door de entourage, maar ook het roeiwater. Ik móét het hier noemen: onvergetelijk écht roeien in de schemering langs de andere kant van Temple Island. Helemaal alleen. Zonder stuurman. Hoge bomen die enigszins gebukt over het water hangen. Geen geluid. Slechts het geruis van de belletjes onder de boot. En een regelmatige tik tegen de dol na het verlaten van het blad uit de bijna stille kolk. Dat zal ik nooit meer vergeten. Het “Dorado” van het Roeien. Een van de weinige keren dat ik in dat bijzondere Dorado was. Er zijn nog meer Dorado’s, maar een stuk kleiner.

Het staat gedrukt: nederlaag! Volgens de krant de “op één na sterkste” vier. Op deze baan met maar twee boeien lig je er meteen uit. Al word je in de krant bij de sterksten gerekend.

En we moeten het ook nog over de Russen hebben.

Nieuwe leden zijn geen probleem, ze zijn de bron

Door Feike Tibben | 26 september 2021

Feike Tibben is bestuurslid van de Koninklijke Nederlandse Roeibond, met als portefeuille sportontwikkeling. Lees alle bijdragen – op persoonlijke titel – van Feike hier.


Afgelopen week was ik op de Driewerf, op bezoek bij de drie Utrechtse roeiverenigingen, Orca, Triton en Viking. Ik was daar nog niet zo vaak door de week en zeker niet in september. Wat een potje met pieren! In de gym, de kantines, de kleedkamers, de botenloodsen en op het water: overal roeiers! ‘blijft volle bak hè, tweeduizend roeiers bergen op één locatie’, legde ik één van de verenigingsmensen voor. ‘’Tweeduizend? Tsss, dit zijn de drukste weken. Ik denk dat we tegen de drieduizend roeiers zitten op dit moment’, overklaste hij me. Ik had ’t kunnen weten. De landelijke media schreven het al: ‘Studentenverenigingen zij ongekend populair’.

Waarom het studentenroeien zo populair is weten we wel: de combinatie van sporten en verenigingsleven, van indoor en outdoor (dat scheelt weer een sportschoolabonnement), de mogelijkheid om je de sport snel eigen te maken en succes te hebben.

Maar minstens zo interessant is: hoe doen ze dat? Hoe krijgen ze die giga-instroom ieder jaar weggezet? Want waar het de studentenverenigingen lukt om de instroommassa soepel te stroomlijnen zien we bij algemene verenigingen toch te vaak een ander beeld: een beeld van wachtlijsten, van een tekort aan coaches en tekort aan instructeurs. ‘We hebben over het algemeen een wachtlijst van zo’n 100 personen, tegen de tijd dat we die gaan bellen voor een nieuwe instructieronde blijken er 75 inmiddels een andere sport te hebben gekozen’, zei laatst een clubbestuurder tegen me. Het klonk wat beschuldigend naar de wachtlijstmensen. Alsof zij onvoldoende trouw waren aan de club waarvoor zij zich hadden aangemeld. Maar ja, wat kun je verwachten als de vereniging belangstellenden zo lang laat wachten. Als je in de winkel te lang moet wachten voor je aan de beurt bent, verkas je toch ook naar een andere rij?

Zouden we dat mechanisme kunnen doorbreken? Zouden algemene verenigingen kunnen leren van studentenroeiclubs?  Saskia Grootens van het Mulierinstituut heeft dit voor haar studie Sportbeleid en Management onderzocht[1]. En als ik haar onderzoek in mijn eigen woorden samenvat dan stelt ze dat het de kracht van de studentenverenigingen is dat nieuwe leden worden ontvangen als vertegenwoordigers van de vereniging van morgen, niet als bezoekers van de vereniging van vandaag. Of nog iets scherper: hoe beter nieuwe leden de rol van nieuwe cultuurdragers, kartrekkers en ambassadeurs van de vereniging krijgen, hoe meer ze blijven hangen en hoe beter de vereniging wordt.  Een interessante conclusie. Natuurlijk is het zo dat bij een studentenroeivereniging de omloopsnelheid veel hoger is dan bij een algemene vereniging en dus ook het belang van een tijdige opvolging veel groter is, maar ook bij een algemene vereniging is steeds meer sprake van een grotere dynamiek. Het gemiddelde verenigingslid is vandaag de dag echt korter verbonden aan de vereniging dan vroeger. 

Maar hoe doe je dat terwijl je tegelijkertijd de tradities, kwaliteit en cultuur óók wilt behouden zodat ook de bestaande leden zich thuis blijven voelen. Saskia geeft er in haar onderzoek vijf ingrediënten voor:

  1. Zorg dat nieuwe leden groepservaringen opdoen. Organiseer nieuwkomerswedstrijden, -borrels en gezamenlijke trainingsmomenten op de vereniging.
  2. Wijs een vaste mentor aan die nieuwelingen wegwijs maakt en op sleeptouw neemt.
  3. Leer nieuwkomers ook hoe de club werkt. Vertel over vrijwilligerswerk, botenonderhoud, afstellen, bestuur, of instructie en geef de nieuwelingen ook een plek hierin (geef ze ook snel positie en verantwoordelijkheid).  
  4. Neem 1 t/m 3 op in een vast nieuwkomersprogramma.
  5. Vraag feedback en evalueer.

Eerlijk gezegd weet ik niet of we het daarmee redden, of we daarmee bijvoorbeeld een tekort aan instructeurs in één keer kunnen oplossen. Maar het zien van nieuwe leden als ‘de nieuwe generatie’, of ‘de vereniging van morgen’ die zouden kunnen helpen met de uitdagingen van vandaag vind ik een interessante gedachte.

Hans Maarten van de Brink maakte in ‘Over het water’ ooit de vergelijking dat je een vereniging zou kunnen zien als een rivier: de loop verandert mondjesmaat en blijft vertrouwd en herkenbaar. Maar het water (de leden) ververst continu. Precies: nieuwe leden zijn geen probleem, ze zijn de bron.  


[1] ‘Organisatiesocialisatie in studentensportverenigingen. Een onderzoek naar bewuste en onbewuste inzet van socialisatietactieken binnen de studentensportverenigingen’, masterscriptie, Universiteit Utrecht.

Schuilnamen

OProeien toen – aflevering 48
Tekst Jan Op | 23 september 2021

Ik, Jan Op den Velde, 90 jaar, roeide voor Laga in de periode 1950-1954. De omstandigheden uit die jaren schets ik graag.
Vanaf OProeien toen – 1 is het een doorlopend verhaal. Via deze link vind je ze allemaal.


Mijn laatste kans om het meest begeerde blik – Varsity 1954 – binnen te halen is verkeken. Eigenlijk moet ik nu echt de studie op peil brengen maar het virus houdt mij in de boot. Op naar de Hollandia.

Vierzonder. Ruud komt er weer bij op 3. Maar zijn vader mag het niet te weten komen. Dus moet hij ook niet in eventuele publicaties worden genoemd. Eigenlijk wordt het smokkelen. Dat komt ook tot uiting bij de uitslag. De krant:

Laga’s stuurmanloze vier verscheen in een samenstelling die voor driekwart aan de Olympische Spelen van 1952 deelnam. Zowel in de sprintrace (1000m) als in de race over 2000m liet zij uitmuntend roeien zien dat in beide races een nieuw baanrecord opleverde……

Onze volgende wedstrijd: Koninklijke / Hollandbeker. De vader van Ruud heeft, ondanks alle maatregelen, toch lucht gekregen van de “zonden” van zijn zoon. Daarbij is het woord “infantiel” gevallen. Dat inspireerde Ruud om die naam aan te nemen.
Opnieuw is Willem III onze tegenstander. Op zaterdag, gestuurd, harde tegenwind, winnen wij. Zondag, sturen op eigen kracht, stevige wind mee, wint W III. De krant:

want deze uitmuntende ploeg (WIII) die in de voorwedstrijd met een scherpe aanval de Henley-aspiraties van Laga op los fundament leek te willen zetten doch opgevangen en afgewezen was, op zo sublieme wijze als men nog zelden van een Nederlandse ploeg had gezien, roeide in de finale zo levendig en goed dat Laga geen kans kreeg tot doeltreffend verweer. De zwaardere Delftenaren, met de meewind van zondag kennelijk minder op hun gemak dan met de tegenwind van zaterdag, moesten het hoofd buigen voor hun tegenstanders die hen in tempo overtroefden. De schitterende vorm die Laga echter zaterdag had laten zien wettigt volkomen dat zij ondanks deze verrassende uitslag, toch naar Henley gaat.