Veel verhalen zijn te lang voor een artikel in Roei!. Daarom komt de redactie met een nieuwe serie: de Roei!reeks.
Dat is een serie monografieën over het roeien in de breedste zin van het woord. Ze kunnen gaan over een roeier, een boot, een evenement, een familie, een vereniging, een bokaal, een roeigebouw en ga zo maar door: over alles wat met roeien te maken heeft of eruit voortkomt. Ieder deel zal rond 80 tot 100 pagina’s omvatten.
We starten de reeks met het boek waarmee het idee geboren is, Roeipotigen en andere vogels. Dat is ontstaan doordat veel boten naar vogels genoemd zijn, en doordat roeiers nu eenmaal veel vogels kunnen zien. Ton de Haas, kunstenaar en roeier bij Isala, tekende jarenlang al die vogels.
Deel 2: Jan Op den Velde: roeimemoires van een Lagaaier
Jan Op den Velde (1931-2022) roeide van 1950 tot 1954 bij Laga. Hij nam deel aan de Olympische Spelen van 1952 in Helsinki en roeide tweemaal in Henley. Hij stelde zijn memoires van die jaren voor Roei! op schrift. Verrijkt met zijn eigen tekeningen en beeldmateriaal uit zijn plakboeken wordt dat nummer 2 van de Roei!reeks. Het komt naar verwachting in september uit.
Prijs: 15 euro per nummer
De Roei!reeks is een extra uitgave, met een geringe oplage. Niet omdat we het schaars willen houden, maar omdat we de risico’s voor onszelf in de hand moeten houden. Uitbreiding is altijd mogelijk, bijvoorbeeld als een vereniging of sponsor het boek aan relaties wil geven, tot het moment dat we gaan drukken. In dat soort gevallen nemen we contact op en zal de prijs anders zijn, afhankelijk van het aantal. De verzendkosten bedragen bij 1 exemplaar € 3,80 en bij 2 tot 5 exemplaren € 4,50.
Bestellen, informatie
Stort het bedrag op NL14 RABO 0166 3568 40 ten name van Stichting Roei, vermeld wat je wilt ontvangen, en je naam en adres. Of stuur een mailtje aan redactie@roei.nu.
Op het Veerse Meer bij Kortgene worden van 25 juni tot en met 2 juli de WK in St Ayles skiffs verroeid. De wedstrijden zijn live te volgen via youtube en op skiffieworlds2022.com, zoals bijvoorbeeld dei van 28 juni:
Feike Tibben is bestuurslid van de Koninklijke Nederlandse Roeibond, met als portefeuille innovatie en infrastructuur. Lees alle bijdragen – op persoonlijke titel – van Feike hier.
“Nooit zullen wij vrijwilligers betalen. Je inzetten voor de club, dat doe je uit liefde voor de vereniging en uit passie voor de sport. Als je het om andere redenen doet dan mis je de ware passie en is dit het einde van de club.”
Nog zie ik hem zitten, deze bestuurder van een roeivereniging. Op een avond met roeibesturen met onder andere als thema ‘hoe krijgen we meer vrijwilligers’ spraken we onder andere over waarderen en belonen. Rood aangelopen en vol vuur was zijn betoog, overtuigd van eigen gelijk. En los van de vraag of waarderen en belonen ook per se betalen betekent: wees eerlijk, hoe prachtig is het wanneer verenigingen zo kunnen draaien: steunend op een krachtig en vitaal vrijwilligerskorps van actieve, betrokken leden. En gelukkig zijn er nog zulke verenigingen.
Maar aan de andere kant zien we verenigingen worstelen met het vinden van voldoende vrijwilligers. In een KNRB-enquête vorig jaar onder alle roeiverenigingen zeggen maar twee op de tien verenigingen voldoende vrijwilligers te hebben, de andere kampen met tekorten. De effecten laten zich zien: 40% van de roeiverenigingen heeft een wachtlijst of ledenstop. Cijfers die tot nadenken stemmen. In een eerdere bijdrage https://roei.nu/professionals-vrijwilligers/ schreef ik al dat er een uitdaging ligt om meer en betere vrijwilligers te krijgen. We stellen als sporters immers steeds meer eisen aan onze sportieve omgeving. We willen deskundige trainers, verantwoorde programma’s en spullen die beschikbaar en in orde zijn.
Maar terwijl het lastig blijkt om modern vrijwilligersmanagement op de verenigingen van de grond te krijgen, zien we een andere ontwikkeling steeds meer in opgang komen: professionals die diensten leveren aan verenigingen en roeiers.
Afgelopen weken trof ik ‘de commerciëlen’ meermalen: op een aftrapavond in Veghel voor een nieuwe roeivereniging was een grote zorg bij aanwezigen ‘hoe kan ik leren roeien?’ Bij de start van een vereniging is er natuurlijk geen panklaar instructiekader. Daar had Cor Scheffers in voorzien: ‘We hebben geregeld dat hier een team aan instructeurs komt, mét boten en zij leren u roeien. Daar moet u dan wel voor betalen.’ Iedereen blij. De kosten? Geen probleem vond men. De service werd juist op prijs gesteld. En dan afgelopen zaterdag. Die dag organiseerde Coastal Nederland samen met Weerribben Rowing een kennismakingsdag voor coastal roeien. En wie kwamen er op bezoek: verenigingsroeiers uit o.a. Almere, Voorschoten, Steenwijk en Heerenveen. Allemaal leden van verenigingen zonder coastal vloot, die weleens wilden ervaren hoe het is om in een coastal boot te varen en die ervaring weer meenemen naar hun vereniging.
Wie actief om zich heen kijkt zie bedrijven als Toprow, Saarrowingcenter, Roeiplezier, Ins & outs rowing en Weerribben Rowing op steeds meer plekken. Ze worden ingehuurd door verenigingen om een aanvulling te bieden op het verenigingskader of roeiers volgen een cursus.
Gaan we daarmee als roeiers richting de tennissport? In die sport is er gebruikelijk om betaalde krachten in te huren via o.a. gecertificeerde tennisscholen. Zo ver zijn we in de roeiwereld niet en wat mij betreft is het ook nog maar de vraag of we die kant op gaan, maar wat ik wel zie is dat de inzet van professionele externen steeds meer geaccepteerd wordt. In die ontwikkeling zijn we niet uniek op landelijk niveau vinden ‘de georganiseerden’ en ‘de commerciëlen’ elkaar. En om even een link te maken met het begin van deze bijdrage: ik geloof ook niet dat het inzetten van betaalde professionals de bijl aan de wortel van de vereniging is. Integendeel. Ik zie geen roeiers bij inzet van professionals om principiële redenen vertrekken bij de verenigingen. Wel zie ik verenigingen ontlast worden en roeiers beter en met meer plezier sporten. Volgens mij gaat het daarom.
Bij de Open Italiaanse Ergometerkampioenschappen heeft Robin Sterk (RV Beatrix, zie Roei! 49) zowel op de 2000 als de 500 meter met succes zijn titels verdedigd. Zijn grootste tegenstander was de hitte van 30 graden, maar dat gold natuurlijk voor iedereen. Ook de andere Nederlandse deelnemer, Wiecher Dalsem (R.C. Kampen), wist tweemaal in zijn – beter bezette – categorie (55-59) te winnen. Viva Olanda!
Afgelopen week publiceerde tijdschrift Roei! een artikel naar aanleiding van het eindrapport van de Commissie Diversiteit en Inclusie van de KNRB. Deze commissie D&I heeft afgelopen jaar via een uitgebreide enquête onderzocht hoe open we zijn als roeisport ten aanzien van achtergrond, geaardheid, gender of beperking. Het rapport houdt ons een spiegel voor en brengt scherp in beeld wat we impliciet al wel voorvoelen. Het overtal in blank, goed verdienend en hoogopgeleid zal geen verrassing zijn, net als het feit dat we als roeisport qua diversiteit en inclusie minder scoren dan voetbal en ons ongeveer op het niveau van schaatsen en wielrennen bevinden. So far levert het onderzoek vooral een onderbouwde kenschets.
Maar de resultaten tonen ook inzichten waar in ieder geval ik me, tot mijn schaamte, moet ik eerlijk bekennen, veel minder bewust van was. Zo had ik bijvoorbeeld echt de verwachting (en zeker ook de hoop) dat we met onze jonge en hoogopgeleide gemeenschap verder zouden zijn in de acceptatie van bijvoorbeeld de LHBTIQ+-gemeenschap dan uit het onderzoek blijkt. Ook bevestigt het onderzoek maar weer eens dat een getalsmatige meerderheid niet voldoende is voor een gelijkwaardige positie: er roeien meer vrouwen dan mannen, maar die verdeling komt niet terug in de besturen. En dan zwijg ik nog maar over al die andere groepen, minder hoog opgeleiden, minder verdienenden, gelovigen, met een nieuwe westerse achtergrond, met een beperking… Kennelijk is de ontwikkeling naar een meer inclusieve sport er een van zeer lange adem. Het D&I-onderzoek laat zien dat het proces van onderscheid maken ook te maken heeft met de bubbel waarin we zitten. Als roeiers dobberen we nogal eens rond in de vijver van ons kent ons.
Dat is niet nieuw. Het omgaan met gelijkgestemden en het maken van onderscheid met andere groepen speelt In de geschiedenis van de roeisport een belangrijk rol. Ik heb in een eerdere bijdrage aangehaald dat de hogere klassen, die de early adaptors van het roeien waren, zelf vaak niet aan wedstrijden deelnamen. Vermogenden huurden beroepsploegen in om voor hen te roeien. Er was scherp onderscheid tussen vermogende wedders en werkende roeiers. Toen de sport zich verder ontwikkelde en de hogere middenklasse zelf ging roeien ontstond een voor arbeiders afgesloten community met eigen decorum en zorgvuldige bewaakte omgangsvormen en ‘de Engelsche gentleman’ als rolmodel. Of het nu gaat om ‘kleeding, gebruik der booten, roeicommando’s of beheersching van het lichaam’: het Engelse voorbeeld vormt het ijkpunt. In het standaardwerk: ‘Het roeien, handleiding bij de beoefening der roeisport’ uit 1919 waarschuwt de schrijver Abendanon zelfs dat de sport niet te populair zou moeten worden: de Engelse waarden zouden eens kunnen vertroebelen.
Diezelfde angst voor verlies aan decorum leidde er ook toe dat vrouwen niet aan hardroeien mochten doen, dat was onvoldoende ‘ladylike’. Vrouwen waren veroordeeld tot stijlroeien. Vrouwen werden ook uitgesloten van boten met rolbanken en outriggers: bij het intrekken van de benen zou de rok omhoog gaan en er meer been in zicht komen dan fatsoenlijk geacht werd. En de vrouwelijke roeiers mochten in Amsterdam ook niet aanleggen bij het Kalfje: hun kleding was te aanstootgevend voor de andere clientèle.
Natuurlijk is het aardig om hoofdschuddend achterom te kijken, naar die malle fratsen van vroeger, maar laten we eens kijken wat we kunnen leren van de geschiedenis. Zou het doorgronden van de ontwikkeling van het vrouwenroeien ons kunnen helpen om de roeisport breder toegankelijk te maken? Niet dat we er al zijn ten aanzien van de positie van vrouwen in de sport overigens, zeker niet. Maar toch…
Een blik terug
De oudste roeiverenigingen in Nederland, die van voor 1900, zoals De Koninklijke, De Hoop, De Dordtsche en De Maas zijn gestart als echte mannenbolwerken. Vrouwelijke leden waren niet toegestaan. De landelijke bond hielp ook niet altijd mee: nog in 1930 sprak het – toen nog niet koninklijke – NRB-bestuur zich unaniem uit tegen het ‘raceroeien door meisjes’. Toch komt niet lang daarna een ontwikkeling op gang waarbij het Nederlandse roeien groot voorstander wordt van de vrouwensport.
Twee ontwikkelingen hebben bijgedragen tot deze draai.
Als eerste de ontwikkeling op de verenigingen. Bij een aantal studentenverenigingen – met Nereus als eerste – en bij de algemene verenigingen die na de eeuwwisseling worden opgericht, als Poseidon, Viking en Die Leythe worden vrouwen direct als lid toegelaten. Binnen die verenigingen groeit het aandeel roeiende vrouwen flink en ze lieten hun invloed op de clubs gelden.
Maar er was nóg een ontwikkeling die een push gaf aan het vrouwenroeien: bestuurlijke invloed. In 1939 wordt Frida Ie Cosquino de Bussy, lid van dames(!)roeivereniging De Vliet, het eerste vrouwelijke lid van het NRB-bestuur. En via het Nederlandse bestuur zet zij zich samen met de Duitse roeibond in voor het bevorderen van het wedstrijdroeien door vrouwen op internationaal niveau. En met succes: haar inzet leidt er onder andere toe dat in 1954, 24 jaar na het unanieme tegen-besluit van de NRB, het eerste internationaal erkende EK roeien voor vrouwen in Nederland wordt georganiseerd. Op onze eigen Bosbaan! Deze doorbraak krijgt vervolg onder invloed van Nely Gambon, die via KNRB en FISA de weg verder plaveit. Vanaf 1976 racen de vrouwen Olympisch.
De tekst gaat door onder het filmpje
De Nederlandse roeiwereld heeft zich in enkele tientallen jaren ontwikkeld van mannenbolwerk tot voorvechter van een gelijkwaardige positie voor vrouwen. We zien in dat proces een klassiek transitiebeeld: vernieuwingen beginnen in de periferie, bij de studenten en bij de jonge verenigingen. De succesvolle impulsen krijgen een podium en dan volgt formalisering.
Het onderzoeksrapport van de Commissie Diversiteit en Inclusie laat ons zien dat we als sport voor een flinke opgave staan. We zouden daarbij dezelfde weg kunnen volgen: ruimte bieden aan impulsen van onderaf, ruimte bieden aan nieuwelingen en de vernieuwers, aan grassroot movements. Maar hoe jammer zou het zijn als we er vervolgens weer een halve eeuw over doen om de volgende stap te zetten in diversiteit en inclusiviteit. Ja, er ligt een uitdagende opgave voor onze besturen (ja ook dat van de KNRB), voor onze commissies en ons sportkader om ruimte te geven aan nieuwe groepen daar concreet invulling aan te geven. Maar eerlijk gezegd denk ik dat dit niet genoeg is. Als we werkelijk meer divers en inclusief willen worden moeten we niet alleen naar besturen en kaders kijken, maar ligt er ook een opgave bij onszelf, bij ons roeiers.
Flabbergasted
Toen ik een paar weken geleden, op een congres met sportprofessionals, de uitkomsten van het KNRB-onderzoek over diversiteit & inclusie als lunchgesprek ter tafel bracht, antwoordde een tafelgenoot, prominent lid van de roeigemeenschap, dat haar de uitkomst van het onderzoek niet verbaasde: ’je wilt toch immers sporten met gelijkgestemden, met mensen die bij je passen.’ Ik was flabbergasted. Dit was het geluid van de heerengenootschappen, honderd jaar terug: de vereniging als vertrouwd soortgenotendomein.
Er is nog een lange weg te gaan naar een diverse en inclusieve sport.
Uitslag enquête uit 1940 over damesroeien. dameswedstrijden zijn toegestaan, ‘mits zij de heeren niet onderbreeken’ | Bron Stadsarchief Amsterdam
Feike Tibben is bestuurslid van de Koninklijke Nederlandse Roeibond, met als portefeuille innovatie en infrastructuur. Lees alle bijdragen – op persoonlijke titel – van Feike hier.
Als sportbestuurder zijn we vaak bezig met nieuwe zaken. ‘Wat komt er op onze sport af, wat moeten we daarmee en hoe krijgen we dat geland.’ En eerlijk is eerlijk: er komt veel op de sport af en zeker niet alles landt. Het is steeds weer een uitdaging om te selecteren welke ontwikkelingen relevant zijn, wat het juiste moment is en hoe draagvlak kan worden gekregen. En soms zijn er van die veranderingen die verrassend snel worden overgepakt. Alsof er een soort logisch/magisch momentum in de lucht hing en het alleen maar wachten was op de final push.
De zorg om zichtbaarheid lijkt zo’n onderwerp te zijn dat in de lucht leek te hangen en snel gemeengoed wordt. In andere sporten zagen we al langer een ontwikkeling naar meer aandacht voor veiligheid: hardlopers, wielrenners en motorrijders dragen fluorescerende kleding. Fietsers, skiërs en schaatsers hebben helmen op. In die sporten lijkt de aandacht voor veiligheid geruisloos en vanzelfsprekend te zijn ingevoerd. Bij roeiers leek zichtbaarheid tot voor kort geen hot topic. Bij de KNRB-commissie Veiligheid was dit best wel lang onderwerp van onderzoek en gesprek: moeten we hier landelijk wat mee of is dat een verantwoordelijkheid van de individuele roeier of de vereniging? En als we er al wat mee zouden willen, wat is dan passend? Een advies, een verplichting, een campagne? Zouden we überhaupt de discussie ‘van bovenaf’ dan wel aandurven? Verenigingen hechten immers sterk aan verenigingskleuren. En voor zover clubtradities niet heilig waren, dan hadden we nog te maken met eigenwijze roeiers die ‘al jaren…’ en ‘nog nooit….’ etc. Toch liet het niet los. We ontvingen ongevalsmeldingen, kregen filmpjes van binnenvaartschippers en in onderzoek van British Rowing zagen we dat daar 2/3 van alle roei-ongevallen zichtgerelateerd is (zie hieronder). Dat zou bij ons niet anders zijn: ook bij ons is ‘zien en gezien worden’ een dominante ongeluksfactor.
Oorzaken roeiongevallen, British Rowing, 2020
Gelukkig durf ik inmiddels bijna te zeggen dat zichtbaarheid geen hot topic leek voor roeiers… want de aandacht voor veilig varen neemt toe en die ontwikkeling gaat snel: op het roeicongres voorjaar 2021 riepen diverse verenigingen na de presentatie (bekijk ‘m HIER nog maar eens na) de landelijke bond op om duidelijkheid te verschaffen naar verenigingen en roeiers. En al een half jaar later, op de najaars-ALV van de KNRB, 20 november 2021, is de richtlijn zichtbaarheid aangenomen. Het besluit: buiten wedstrijden om wordt roeien in zichtbare kleding verplicht. Verenigingen krijgen een jaar de tijd om dit in te voeren.
Dat levert inmiddels goede acties op. Aanbieders van roeikleding hebben veilige kleuren in hun pakket opgenomen.
Je hoeft je dus niet in te pakken als een verkeersregelaar. Verenigingen als DDS, Viking, Hemus, Isala, Aross, ’t Diep, de Compagnie en De Zwolsche, hebben hun kledingassortiment aangepast of uitgebreid, vaak gepaard met leuke kortingsacties voor leden. (tip dus voor vaderdag/ moederdag/ verjaardag/ paasbestdag etc.) Prachtig hoe verenigingen dit oppakken en hoe ‘zien en gezien worden’ de nieuw roeinorm wordt!
Sommige ploegen slaan wat door, zoals deze roeiers van RV Iris. Zij hebben fluo-geel tot dresscode voor het roeimaal verheven. Kijk ze shinen. | Foto RV Iris, Lisse
Het fijne is dat onze verbeterde zichtbaarheid ook opvalt bij anderen. Het valt op bij binnenvaartschippers en bij controlerende overheden. Steeds vaker zien ze dat de roeisport veilig verkleurt en ze laten dat ook merken. Ze hebben het er over met elkaar en wij krijgen complimenten. Ook verzekeraars blijken wakker. Ik had een kennismakingsgesprek met een nieuwe vertegenwoordiger van Raetsheren van Orden. (Voor de minder-ingewijden: ‘Raetsheren’ is de verzekeraar waar het gros van de roeiverenigingen hun boten hebben verzekerd.) Het was deze man beroepshalve opgevallen dat roeiers op het water steeds vaker ‘van die felle jackies’ dragen en vroeg zich af hoe dat kwam. ‘Het valt me ineens op, vroeger zag je niemand in veilige kleding en nu bijna iedereen, goed hoor. ’ Het is dan mooi dat ik hem kan uitleggen dat we een actieve veiligheidscommissie hebben, en dat we met elkaar hebben afgesproken dat we zichtbare kleding gaan dragen. Niet omdat het van anderen moet, maar omdat we met elkaar, alle roeiverenigingen samen, dat op de Algemene Vergadering van de KNRB hebben besloten. Omdat we veilig willen sporten.
Bovendien: als sporter vaart het ook net wat comfortabeler als je weet dat anderen je zien.
Feike Tibben is bestuurslid van de Koninklijke Nederlandse Roeibond, met als portefeuille innovatie en infrastructuur. Lees alle bijdragen – op persoonlijke titel – van Feike hier.
Foto: Hollandse Hoogte / Spaarnestadfoto
In de tijd dat ik puberde, in de jaren zeventig, kwamen ze op: trimparcoursen. Rondjes van een paar kilometer in bos of park met om de paar honderd meter lompe houten objecten en een paal met een plaatje waarop stond welke oefening men geacht werd te doen. Er moeten er honderden zijn aangelegd. Eerlijk gezegd: echt druk was het er nooit. De populariteit nam ook snel af na achterstallig onderhoud en een flink aantal ongelukken (bij zo’n oefening als op de foto ga je natuurlijk niet suf bokje springen, maar wedstrijdje doen wie het snelst staand op palen van paal naar paal kon… veel spannender).
Tegenwoordig doen we dat anders. De trimspullen zijn niet meer lomp en van hout maar hip en gekleurd, vaak voorzien van interactieve gadgets. Ze staan ook niet meer ver weg, achter wat struiken, maar vormen een prominent deel van het stedelijke landschap. De trimparcoursen van vroeger zijn heuse streetworkouts geworden en vormen een dankbaar onderdeel van het sportaanbod door bootcampers. Google maar eens op ‘workout / openbare ruimte’.
Maar met het plaatsen van een paar van die workoutstations zijn we er niet. In de strijd tegen beweegarmoede is dat ene uurtje sporten in de week echt niet voldoende. ‘Bewegen hoort een onderdeel te zijn van ons dagelijkse doen en laten’, laat prof. Erik Scherder niet na ons steeds maar weer in te prenten. In steden en dorpen wordt er daarom hard nagedacht hoe we onze woon- en werkomgeving beweegvriendelijker kunnen maken. Dat gaat inderdaad verder dan het plaatsen van een streetworkoutstation. Dat gaat er ook om hoe je bereikbaarheid per auto iets moeilijker maakt en de bereikbaarheid op de fiets beter, of hoe je leuke ommetjes maakt. Misschien zijn in jullie stad ook wel van dit soort initiatieven. Allemaal heel sympathiek en goedbedoeld. Vanuit onze sport vallen me paar dingen op:
Land boven water
Het gaat bijna altijd over sportvoorzieningen op het land, bijna nooit wordt het water benut. Zelfs in een stad als Amsterdam, met al z’n grachten, komt het sportief gebruik van water er bekaaid vanaf en worden nauwelijks extra watervoorzieningen gepland. Kijk maar eens hier: Mooie plaatjes, maar wat het concreet oplevert voor onze sport..? Ik zie het nog niet. Dat doet Utrecht toch anders. In het convenant dat de roeiverenigingen vorige maand met de gemeente hebben gesloten erkent de gemeente dat óók watersport hoort bij een beweegvriendelijke stad. Via een Visie stadswater wil de gemeente zich inzetten voor het behoud van het roeien voor zoveel mogelijk roeiers op het Merwedekanaal. Die actieve opstelling van de gemeente is zeker te danken aan de Utrechtse verenigingen die al jaren zichtbaar en constructief vechten voor hun plek op het gemeentelijke sporttableau. Dat gaat de goede kant op.
De Utrechters zijn niet de enigen met zo’n actieve benadering. Roeivereniging De Dragt in Drachten heeft er bijvoorbeeld voor gezorgd dat in hun regio kanosteigers geschikt worden gemaakt voor roeiers. Kleine moeite, veel plezier. Nu kunnen ze langere tochten maken. Amenophis in Zeewolde gaat nog een stapje verder en heeft met de gemeente flink meegedacht over extra verbindingen. Het schijnt dat die actieve opstelling ze ook nog eens geld oplevert. Dat doen ze handig daar. Roeivereniging Aquarius in Bergen op Zoom gaat nóg een stapje verder. Zij willen bij hun roeivereniging een steiger bouwen die ook gebruikt gaat worden door dagrecreanten. Een steiger voor dagrecreanten, de meeste roeiverenigingen zouden ervan gruwen, maar Aquarius ziet het als manier om meer in the picture te komen en de vereniging te laten groeien. En jawel: de gemeente ziet dat wel zitten..
Meer dan huppelunits
Veel gemeenten lijken in hun plannen voor een beweegvriendelijke stad de nadruk te leggen op de inrichting van de openbare ruimte. Ik begrijp dat wel: de openbare ruimte is hét speelterrein van plannenmakers en hier valt snel en zichtbaar te scoren. Maar een beweegvriendelijke omgeving vraagt meer dan het plaatsen van huppel- en hangunits. Om te zorgen dat die beweegvriendelijke omgeving gebruikt wordt is ook een beweegvriendelijke sociale omgeving nodig. Als jij de enige in je omgeving bent die gebruik maakt van die spullen, hoe flashy ook, hou je het niet lang vol. Een snerende opmerking of nog weer een druilerige dag zijn genoeg om je goede voornemens te breken.
Sportverenigingen bieden zo’n sociale structuur: je sport met elkaar, je jut elkaar op, maakt plannen en belt met elkaar als een ander opeens niet meer verschijnt, ‘hé waar blijf je’. Door met elkaar te sporten, blijf je sporten. De populariteit van ons studentenroeien bewijst het ieder jaar weer en ook in andere cijfers kun je een patroon zien: van een sportschool zijn mensen zijn gemiddeld maar twee jaar lid. Voor sportverenigingen is dat bijna tien jaar. Vijf keer zo lang. En dat zie je terug: wie door de oogharen kijkt naar de kaarten hieronder over beweegnorm en verenigingslidmaatschappen dan valt op dat in gebieden met veel sportbondleden (= mensen die lid zijn van een sportvereniging) vaak beter voldaan wordt aan de beweegrichtlijn. Vergelijk bijvoorbeeld Overijssel, Gooi/noordelijke Randstad en Zuidoost Brabant maar eens met Noordoost Groningen, Zuid Limburg en de Zeeland/zuidelijke Randstad: lid zijn van een vereniging zou zomaar een factor van belang kunnen zijn voor het bereiken van een beweegrijke samenleving.
Investeren in een beweegvriendelijke omgeving vraagt dus om meer dan investeren in spullen. Het vraagt om investeren in de hele sportinfrastructuur, dus ook in verenigingen. Het is belangrijk dat onze verenigingen, de verenigingsgebouwen, maar ook de verenigingen op zich zichtbaar en uitnodigend naar nieuwe sporters zijn. Zo worden verenigingen onderdeel van de totale sportieve ruimte. Helaas zie ik in de beweeginvesteringen nog maar weinig het woord verenigingen terugkomen.
En wat voor verenigingen geldt, geldt ook voor sportroutes: het is belangrijk dat er goede routes zijn waar veilig en comfortabel gesport kan worden, dus zonder al te veel kruisingen, overstekend verkeer etc. en waar sport zichtbaar en beleefbaar is. Voor ons roeiers geldt dat de Amstel, de Rotte, de Eem, het Zwarte Water of de Vecht niet alleen mooi zijn om langs te fietsen of te wandelen: ze zijn ook dé openluchtetalage voor de roeisport. Iedere roeier kent wel de ervaring dat mensen langs de kant even samen op gaan met de ploeg. Meer dan eens zei een lid dat zich aanmeldde: ‘Ja ik zie jullie altijd roeien, dat ziet er zo mooi uit. Ik dacht, dat moet ik ook maar eens gaan doen.’ Wij roeiers zijn het uithangbord van de sport: zien roeien, doet roeien!
Dus verenigingen, dus roeiers:
De aandacht (en geld!) die er is voor een beweegvriendelijke stad lijkt nog maar weinig te landen bij de watersport en bij de sportverenigingen. Als watersport zitten we op een eiland. Water is niet top of mind bij de overheden. Een mooie kans voor verenigingen om zich in de kijker te roeien! Neem de gemeentelijke beweegdenkers een beetje op sleeptouw. De beweegcijfers laten de meerwaarde zien & de goede voorbeelden van Utrecht, Zeewolde etc tonen dat het loont: in spullen, in geld én in leden. Aan de slag!
Willem van de Velde de Oude: Episode op de slag bij de Sont, ca 1660, collectie Stedelijk Museum Alkmaar. Links is de kunstenaar aan het werk in zijn galjoot.
Willem van de Velde de Jonge: Het IJ voor Amsterdam met De Gouden Leeuw, 1686, 179,5 × 316. Amsterdam Museum.
Willem van de Velde de Jonge: Zeeslag bij Solebay, 7 juni 1672, ca. 1675. 77 × 92, Het Scheepvaartmuseum.
Augustus Wall Callcott: The Entrance to the Pool of London, 1816, 53 × 221, Bowood House Collection.
Willem van de Velde de Oude: Vloot op de rede, ca. 1650, 57 × 114, Staat der Nederlanden / Koninklijke Verzamelingen, Den Haag.
Willem van de Velde de Jonge: Schepen op de rede, ca 1658, 66 × 77, Mauritshuis, Den Haag.
Aelbert Cuyp: De Maas bij Dordrecht, ca. 1650, 115 × 170 cm, National Gallery of Washington.
Aelbert Cuyp: Gezicht op Dordrecht, ca 1655, 98 × 138, The Iveagh Bequest, Kenwood London.
John Crome & John Berney Crome: ‘Yarmouth Water Frolic – Evening; Boats assembling previous to the rowing match’, 1821, olieverf op doek, 108,3 × 173,8 cm, English Heritage, The Iveagh Bequest (Kenwood, Londen).
Feike Tibben is bestuurslid van de Koninklijke Nederlandse Roeibond, met als portefeuille innovatie en infrastructuur. Lees alle bijdragen – op persoonlijke titel – van Feike hier.
‘Hoeveel recreatief roeiende roeiers zijn er eigenlijk?‘ Zomaar een vraag die langskwam in de nieuwe KNRB-commissie recreatief roeien. Die andere groepen weten we vaak wel. We kennen de wedstrijdroeiers van verslagen en van inschrijvingen, van stukjes in de media en van eigen bijdragen op de socials. Maar recreatieve roeiers? De slagen in de lucht liegen er niet om: ’60 procent’, roept de één. Een ander overtroeft: ‘Als ik kijk naar mijn club, ik denk zeker wel 80 procent’. Weer een ander toont zich voorzichtiger en claimt een voorzichtige 40%. Maar hoe zit het nou? Verenigingen categoriseren leden niet, laat staan dat die gegevens worden gedeeld. Inschrijfgegevens bieden ook geen soelaas. Gelukkig bleek er in een enquête uit 2020 ten behoeve van het Handboek Roeiaccommodaties aan de verenigingen een aantal vragen te zijn gesteld over de ledenpopulatie. De enquête is door bijna de helft van alle roeiverenigingen, studenten en algemeen, groot en kleiner, ingevuld en dus bruikbaar.
Het levert interessante uitkomsten. In één beeld hierboven is te zien hoe de roei-ambities en roeicultuur verschillen tussen algemene en studentenroeiverenigingen. Om de grootste er uit te pakken: bij studentenverenigingen doet 2/3 van de leden aan competitieroeien. Bij algemene verenigingen roeit 2/3 vooral op de eigen club en doet niet mee aan evenementen. Deelname aan (inter)nationale wedstrijden is zowel bij de studenten als de algemene verenigingen beperkt tot de meest fanatieke 10%.
Roeiers die niet meedoen aan evenementen, die dus niet een meedoen aan de Head of the River, Lingebokaal, of Amstelcup, ook niet op de NKIR of bij een coastal wedstrijd zijn. Roeien die wel? Ja hoor: het zijn veel routineroeiers die één of meer keren per week met een vaste ploeg het water op gaan. Motieven: fit blijven, voor de gezelligheid, de ‘breek in de week’, even de kop in de wind, allemaal andere vormen en motieven, met één kenmerk: er komt geen tijdmeting aan te pas.
Terug naar de vraag. Hoeveel recreatieve roeiers zijn er? Extrapolatie van de verenigingsopgaven uit de enquête 2020 naar de hele KNRB-roeipopulatie (iets minder dan 1/3 student, ruim 2/3 algemene verenigingen) levert op dat de groep die vooral, of alleen maar, op de eigen club en het eigen vaarwater roeien ruim 20.000 roeiers groot is. T w i n t i g d u i z e n d ! Onze grootste doelgroep. De zwoegende meerderheid. Mooi dat we nu een commissie recreatief roeien hebben. Deze commissie is breed samengesteld met roeiers van Pampus, De Dragt, De Hoop, Alphen, Weesp, Isala en Amycus. Er ligt met dit gegeven in de hand voor hen een mooie uitdaging om de belangen en behoeften van de recreatieve roeier te beantwoorden. Hoewel.. ‘De’ recreatieve roeier? Ik vrees dat die ook niet bestaat.
Jan Op den Velde, chroniqueur van zijn roeicarrière bij Laga, is op 3 februari overleden, 90 jaar.
Hij had veel plezier in het op schrift stellen van zijn roeimemoires, met vaak zelf gemaakte tekeningen. Hij heeft daarmee vanaf april 2020 meer dan 50 bijdragen geleverd aan www.roei.nu.
Jan roeide van 1950 tot 1954 – ‘toen ongekend lang’ schreef hij – als student in Delft en in 1952 op de Olympische Spelen in Helsinki. Daar maakte een ploeggenoot tijdens de herkansing, terwijl ze een ruime voorsprong hadden, een snoek, ze verloren alsnog, dat was het einde van de Spelen voor Jan. Hij schreef er met veel humor over.
Zijn laatste bijdrage was van oktober vorig jaar, met de titel De Russen komen.
Na zijn studie Civiele Techniek hield het roeien op tot hij in 1965 een ploeg coachte en met hen in de boot stapte om de Head te varen. Zo kwam hij terug in de roeiwereld en vervulde functies bij de Roeibond, in commissies, als kamprechter en wedstrijdleider.
Zijn werk voor baggermaatschappijen bracht hem over de hele wereld en waar mogelijk ging hij roeien. Na zijn pensioen woonde hij enige jaren in Noord-Spanje, niet ver van de olympische roeibaan daar. De afgelopen jaren roeide hij bij Tromp ‘niet meer in de boot maar nog wel op de koffie met de ploeg’, zoals hij het formuleerde.
Roei! gaat dit voorjaar zijn roeimemoires in boekvorm uitbrengen.