Hoe commercieel wil je als vereniging zijn?

Door Feike Tibben | 4 september 2020

De afgelopen weken heb ik in mijn vakantie bijdragen geleverd over verenigingsontwikkeling. Zie Vitaal verenigd, De dagen worden korter en Roeiertjes!.
En eigenlijk had ik gedacht die vakantieoverpeinzingen daarbij te kunnen laten. Maar er was één artikel dat mijn aandacht trok en dat ik jullie niet wil onthouden: Annet Tiessen, heeft bij het Sociaal Cultureel Planbureau onderzoek gedaan naar de sociale waarde van informele en commerciële sport. Heel plat gezegd was haar onderzoeksvraag: zijn het alleen de sportverenigingen waar mensen meer doen dan alleen sporten of voeren mensen bij commerciële aanbieders ook gesprekken, gaan de mensen daar ook samen activiteiten ondernemen, ontstaan daar ook vriendschappen?

Als verenigingssporters nemen we aan dat mensen die naar de sportschool of fitnessclub gaan dat primair doen vanwege hun gezondheid en niet om sociale contacten te leggen. En natuurlijk denken vooral wij als verenigingssporters dat WIJ die unieke sociale positie hebben en mensen bij sportscholen toch vooral sportzombies zijn. Bij die mening worden we flink geholpen door columns van bijvoorbeeld Paulien Cornelisse die de komjoenetie van de kom-naar-mijn-gym-Arie-Boomsma’s onder ons zorgvuldig fileert.

Maar helaas: het is nu wetenschappelijk aangetoond, ook mensen die naar fitness gaan zijn geen aso’s, ook zij hechten aan sociale aspecten. Het blijkt een gradatie. Mensen die veel sporten én mensen die vrijwilligerswerk doen, lijken het sociale meer te waarderen en hen zien we ook vaker op verenigingen. Vice versa: mensen die wat minder vaak sporten en zich even niet willen inzetten voor de sportcommunity zien we vaker bij andere aanbieders. Duh… open deur zul je zeggen. Het SCP-onderzoek laat zien dat lidmaatschap van een vereniging, of juist inschrijving bij een sportschool gebonden lijkt aan levensfases. Anders gezegd: in een tijd dat we het druk hebben lijken we te zoeken naar betaald gemak – de sportschool – en zolang of zodra we weer tijd hebben, neigen we naar meer sociaal sporten. Een kwestie van cultuur, maar vooral van tijd. Ook een open deur.

Ineens schiet het plaatje me weer te binnen van de leeftijdsopbouw bij onze roeisport: een beetje junioren, dan heel veel studenten, dan een dip tussen 25 en 45 – de carrièrejagers – en dan weer een opbloei… verdomd: het SCP-onderzoek is één op één vertaalbaar naar ons!


Wat kunnen we met dat gegeven? Moeten we de leeftijdsdip die er nu eenmaal is bij onze sport zien als een onveranderbaar feit of zouden we hiervan kunnen leren? Zouden verenigingen bijvoorbeeld in staat moeten / kunnen zijn om ‘de drukke generatie’ binnen te houden? Zouden verenigingen het durven om voor een bepaalde leeftijdsgroep of een bepaalde periode een ‘gemaks-lidmaatschap’ te introduceren? Natuurlijk, er zijn verenigingen waar je je bar- of schoonmaakdienst kunt afkopen, maar dat bedoel ik niet. Zouden we nog een stap verder durven gaan en ‘gemaksleden’ binnen de vereniging een echt commercieel tarief in rekening brengen en hen ook die maximale service willen bieden? Houden we dan leden binnen, kan het een meerwaarde zijn voor verenigingen of is het de bijl aan de wortel van wat vereniging voor ons betekent?

Ik weet dat er meningen aan beide zijden van het spectrum zijn. Maar zou het niet wat waard zijn als we dit gingen verkennen? Want wat als we nu wél die groep 25-45 meer aan ons zouden weten te binden: hoe gaaf zou dat zijn? Veel verenigingen hebben indrukwekkende indoorfaciliteiten: waarom die niet in de daluren verhuren, waarom niet ruimte bieden om commerciële bootcamps op de vereniging te houden, waarom geen kinderopvang… en wat betekent dat voor de rest van vereniging. Krijgen we scheve ogen, een tweedeling, of wordt de vereniging juist rijker en veelkleuriger?

Wie wil dit eens onderzoeken? Wie wil de kansen voor de roeigemeenschap tegen het licht houden? Kom maar opcommissarissportontwikkeling@knrb.nl


Feike Tibben is bestuurslid van de Koninklijke Nederlandsche Roeibond, met als portefeuille sportontwikkeling. Zit in z’n derde sportleven, na atletiek en wielrennen. Roeide eerst bij Hemus in Amersfoort, nu bij ‘t Diep in Steenwijk. Praat meer over sport dan dat ie zelf op het water is.
Lees alle bijdragen van Feike hier.



Covid-Challenge

Door Evelien Korving | 2 september 2020

Bij gebrek aan wedstrijdritme ligt het gevaar op de loer de trainingen in je skiff als een rustig genot te gaan beschouwen waarbij een comfortabele haaldynamiek de geest rustig van A naar B brengt. Want zeg nou zelf, je hoeft jezelf niet voor de gek te houden door een trainingsprogramma te initiëren als daar geen enkele reden voor is. Of toch wel?

Gelukkig zijn er op onze roeivereniging Rijnland altijd wel creatieve geesten die initiatieven nemen om de mindset van leden te prikkelen. Om te voorkomen dat we allen in een winterslaap gaan vervallen en we straks in 2021 wakker worden met het besef dat al onze spieren ingeboet hebben aan kracht en snelheid, is er de zogenaamde Covid-Challenge bedacht over verschillende afstanden. En wel op Strava zodat iedereen die iets van meetapparatuur of een mobiel heeft, mee kan doen.

Door het trainen in mijn viertje op Rijnland werd ook ik wakker geschud uit mijn ‘zomerslaap’ en ontsproot het idee om mee te doen in de dubbeltwee, en wel aan de 10 kilometer Covid-Challenge met virtuele keerboei in Leidschendam.

Molen Salamander, niet al te scherp in de vroege weekend-ochtend | Foto Jan Willem Boissevain

In de eerste training oefenden we de virtuele keerboei, d.w.z. de vlaggenmast naast de Molen Salamander in Leidschendam. Dát trainen was niet voor niks. Ben je te laat met keren dan kost het je teveel seconden, maar ben je te vroeg, dan kan het GPS-systeem je wellicht niet detecteren en ben je gediskwalificeerd. 10 kilometer voor niets geroeid!

De laatste dag waarop we de Challenge konden aangaan, kwam in zicht. De voorspellingen waren niet goed. Windkracht N4. Maar goed, nà de keerboei heb je dan ook wind mee.
Om vroege sloepjes te vermijden spraken we om 7 uur af in de boot. Dat betekende 5.45 uur op. En dat in het weekend! Maar het weer was ons toch gunstig gezind. De wind moest nog wakker worden, net zoals wij bij het inroeien… Op gevoel vertrokken we, want hoe verdeel je je kracht over 10 kilometer als je al meer dan 6 maanden geen wedstrijd hebt gevaren? Volledig geconcentreerd, zonder de nodige sociale begroetingen op het water, stoven we op weg naar de keerboei. Een groep ganzen, die te langzaam uiteen vlogen, sisten we heel hard toe. Mijn maatje stuurde scherp de bochten in zodat we zo weinig mogelijk seconden verloren. Telkens weer het ritme oppakkend na het sturen door de bochten of onder de bruggengaten door.

In tempo 28 gemiddeld, opklimmend naar 31 in de laatste kilometer, kwamen we, in een tijd van 44:58 over de finish. De 10 kilometer was volbracht. De keerboei in 57 seconden genomen. We waren dik tevreden. Zeker toen we bovenaan in de Challenge-lijst van vrouwen eindigden. Hetgeen wel komisch is want Strava is gewoon een meetinstrument en maakt geen onderscheid in skiff, dubbeltwee of vieren. Een bekroning op Strava volgde. Maar voor hoelang?
Inmiddels is de Challenge verlengd en hebben andere Rijnlanders nog tot 15 september de tijd om ons te ontkronen!


Evelien Korving (1963) roeit sinds de zomer van 2004. Voorheen waren judo, zwemmen, tennis, basketbal en wielrennen haar sporten. Maar bovenal: alpinisme. Als jong kind namen haar ouders haar mee de Alpen in. Dat leidde in de puberteit tot het volgen van klimcursussen en vanaf haar 18e tot het gidsen van groepen in de Alpen. Aan die klimpassie kwam een ongewild einde door een zware schouderblessure. Na de revalidatie daarvan, vooral door roeien bij RV Rijnland in Voorschoten, werd dit de nieuwe passie. Al in 2007 deed ze mee aan haar eerste FISA-Masters in Zagreb. Ze woont sinds 2015 aan de Hollandse IJssel in Gouda, en ook dáár kan geroeid worden.
Lees alle bijdragen van Evelien Korving hier.



OProeien toen – 5

Door Jan Op | 31 augustus 2020

Ik, Jan Op den Velde, 89 jaar, roeide voor Laga in de periode 1950-1954. De omstandigheden uit die jaren schets ik graag.

Vanaf OProeien toen – 1 is het een doorlopend verhaal. Via deze link vind je ze allemaal.


We worden in dit nieuwe jaar (1950) redelijk serieus genomen (vind ik). Ik zit nu wel in de Jonge Acht A, maar het blijft oppassen. Een ‘klopje op de schouder’ of iets dergelijks is er niet bij. Tenslotte moet je het nog waar maken. Een indicatie dat je acceptabele halen maakt volgt uit het minder corrigeren door de coach. En het noemen van je naam bij de veertiendaagse wisseling van coach. Het programma is nu smalle tub en bakken. Dat laatste is zonder toezicht. Of wel een klein beetje. De stuurpik die toch niets anders heeft te doen, kijkt of we wel genoeg schuim (met de speciale ‘bakriem’ met gaten) produceren. Die laatste om er niet met de bak vandoor te gaan. Maar die ligt stevig afgemeerd.

Dan nadert de laatste vrijdag in februari. Alle roeiers worden om 18.00 op de Sociëteit verwacht. De in-trainingsborrel staat op het programma. Dat betekent de laatste borrel en/of biertje want vanaf morgenochtend zijn we ‘in training’. Dat betekent: geen sterke drank, niet roken en om 23.00 in bed. Om 08.00 opstaan en voor zover mogelijk de studie volgen en resultaten boeken. Het meest belangrijke moment is dat we vanaf volgende ochtend tot de raceroeiers behoren. We mogen een kastje in de raceroeierskamer bezitten. Maar de eerste vier bij het raam zijn altijd van de Oude Vier. En een door een vriendin of andere vrouwelijk bekende gebreide Laga-das mag nu om de nek.

Nu de Sociëteit ter sprake komt: Laga-leden behoren daar zeer frequent aanwezig te zijn. En niet alleen voor het avondmaal. Er wordt van ze verwacht dat ze opvallend gedrag vertonen. In een mate die de afwezigheid in de avond van de volgende maanden moet compenseren.

Nu begint het trainen ‘echt’. Bakken = opwarmen, tubben (afwisselend met coach of stuurpik!) (ik heb intussen begrepen dat men tegenwoordig “stuur” schrijft. Ik zal de moderne versie voortaan gebruiken. Dat wordt opletten!). Tenslotte in de acht. Dat betekent dat we tot de Hoornbrug (Rijswijk) heen en weer varen. De weekeinden zijn nu inclusief. Even naar huis (per trein en/of bus en een stuk lopen) is soms niet te doen als het afschrijven van een boot dat niet toelaat.



Roeiertjes!

Door Feike Tibben | 28 augustus 2020

roeier, roeiertje

Luierend met m’n lief aan de rivier zag ik schaatsenrijders schichtig over het water schuiven. Bloody hell, wat zijn die beesten snel als je er op gaat letten. Google erbij. Daar lees ik dat deze drijfwantsen een snelheid van meer dan 5 km/u kunnen halen. Juist ja. Die snelheid haalden de onzen beslist. Ik lees verder. Over onderzoeker Mark Denny die in 1993 met de derde wet van Newton in de hand (actie = min-reactie, nietwaar?) maar niet kon verklaren waarom deze dieren zich met een theoretisch te kleine impuls tóch kunnen verplaatsen. Grappig altijd wanneer bèta’s vastlopen in hun model. Afijn: Denny’s Paradox was geboren. Ik lees verder over de robostrider, een wat sullig ogende van een aluminiumblikje en ijzerdraadjes gefabriekte man-made schaatsenrijder. Altijd geïnteresseerd in biomimicry verdiep ik me in onderzoeken van het MIT naar de beweging van deze diertjes, tien jaar na Denny. De snelheid ontstaat, zo lees ik, niet door capillairen, maar door wervelingen dieper in het water, net als de kleine draaikolkjes die achter de bladen van een roeiriem ontstaan. De naar achteren gerichte impuls geeft het dier een voorwaarts gerichte impuls, geheel analoog aan roeien.

Bam!

Schaatsenrijders zijn helemaal geen schaatsenrijders. Het zijn roeiers! Ik heb al vaker geopperd dat roeien ‘het nieuwe schaatsen’ is. Maar daarbij dacht ik nog aan steeds zachter wordende winters en dat we daardoor steeds minder kunnen schaatsen / steeds meer kunnen roeien. Het MIT in Massachusets heeft via een heel andere benadering, namelijk dat deze schaatsenrijders eigenlijk roeiers zijn, de stelling een heel nieuwe invulling gegeven. Thank you, MIT.

Wat een middagje zwemmen niet kan veroorzaken. Nu maar wachten op de eerste club die zich ‘roeivereniging Gerridae’ noemt, zoals Wiliam Elford Leach dit dierengeslacht in 1815 betitelde of een roeiboot die ‘waterstrider’ of ‘l’araignée d’eau’ heet. Wedstrijdroeiers zullen vallen voor de eerste. Ik vind die Franse benaming werkelijk geweldig. Wat een gratie spreekt er uit.

roeier, roeiertje

Misschien ligt hier een opdracht voor ons roeiers, hoe klein en bescheiden ook. Want nu tunnels en straten andere namen zouden moeten krijgen omdat de naamgever bij nader inzien minder fraaie daden heeft verricht, nu de juridische procedures worden gevoerd omdat de namen vegetarische kipstuckjes, of vegaschnitzel misleidend zouden zijn, kortom een tijd waar het zorgvuldig benoemen van zaken gevoelig ligt: moeten wij niet zorgen dat in de nomenclatuur de benaming ‘schaatsenrijder’ wordt herschreven in: ‘roeiertje’? Deze naam lijkt me minstens even juist als sympathiek. Roeiertje past ook veel beter bij het dier: net als ons een hekel aan vorst, – meestal- een voorkeur voor glad water en ook het beeld is een beetje gelijk: dat van een romp met dunnige, zijwaartsstekende staken.

‘Roeiertje’ pas bovendien als naam prima naast ‘schrijvertjes’, die andere drijvende waterbeestjes. En ook wel zo fijn voor de roeipotigen (vogels met vliezen) dat die niet meer de enige roeiers in het dierenrijk zouden zijn. En ter inspiratie voor de diehard biologen onder ons: ‘Zilveren Roeier’ is toch een prachtige naam voor de Gerris argentatus’? En ‘Beekroeier’ een prima naam voor de Aquarius najas? En wie wil er nou niet de ‘Grote Roeier’ zeggen tegen de Aquarius paladum? Of wat te denken van de ‘Zwervende Roeier’’ als naam voor de Limnoporus rufoscutellatus? Ik zal bevooroordeeld zijn, maar ik vind het forse verbeteringen. En bovendien een prima PR voor onze sport wanneer kinderen van jongsaf roeiertjes in het water leren zien. ‘Kijk, Boris: allemaal roeiertjes op het water!’

Voel je trouwens al hoe lekker die naam ‘roeiertjes’ is na een paar keer? We spreken af: Vanaf nu blijven wij gewoon roeiertje gebruiken bij dat beest.
Schaatsenrijder.. pff, hoe hebben ze ’t kunnen bedenken.

Mocht je het willen checken: lees de artikelen achter de links!


Feike Tibben is bestuurslid van de Koninklijke Nederlandsche Roeibond, met als portefeuille sportontwikkeling. Zit in z’n derde sportleven, na atletiek en wielrennen. Roeide eerst bij Hemus in Amersfoort, nu bij ‘t Diep in Steenwijk. Praat meer over sport dan dat ie zelf op het water is.
Lees alle bijdragen van Feike hier.



Roeistad Rijnenburg

Door Willem van Schelven | 25 augustus 2020

Hoe heter het werd, hoe vroeger we in de boot zaten. Maar om 8 uur was het alweer 27 graden. Zweethanden en extra blaren.

De ‘watersporters’ in hun motorjachten dreven ook al vroeg hun kooi uit, en gingen dan maar varen: golven. Om half tien ’s morgens liggen de eerste zwemmers alweer op hun luchtbed te dobberen. De waterplanten gingen nóg harder groeien. Alléén maar nadelen dus voor ons roeivolk, die hittegolf? Misschien toch niet, misschien wordt Cruijffs levenswijsheid straks opnieuw bewezen.
Dat zal nog wel even duren, maar in de kranten en overige media vlogen de afgelopen weken de al dan niet doorwrochte artikelen en verhandelingen over watertekort je om de oren. Algemene strekking: Dat we van een water-afvoerland met zijn molens en gemalen moeten gaan omdenken naar een water-vasthoudland. Met de bever in een Drentse beek als bufferheld. Voelt u hem al aankomen ? Ik neem u even mee naar Utrecht.
Want die stad – althans haar bestuur – heeft gekozen voor ‘inbreiding’. Dat houdt o.a. in een toenemende binnenstedelijke bebouwing, en daarmee steeds meer economische en recreatieve activiteiten rond en op het huidige trainingswater, het Merwedekanaal. Uiteindelijk – binnen 5 à 10 jaar – zal dat kanaal volledig ongeschikt worden voor serieuze training voor wedstrijden. Alleen de eerste introductie in het roeien en wat recreatief gepeddel in C-boten zal er dan nog mogelijk zijn.

Deze verslechtering van de trainingsmogelijkheden is al een paar decennia aan de gang, reden waarom de Stichting Watersportbaan Midden-Nederland (SWMN) al 25 jaar probeert om aanvullend roeiwater in de regio te verwezenlijken. Echt opschieten doet dat niet, Utrecht is wat minder sportminnend dan bijvoorbeeld Rotterdam of Amsterdam. Meerdere plannen voor extra roeiwater, soms zelfs vergevorderde, zijn uiteindelijk daardoor gesneuveld.

Artist’s mpression Rijnenburg


Maar wellicht schept deze laatste hittegolf nieuwe perspectieven: er moeten waterbuffers komen! Voorraden voor de waterleidingbedrijven, voor de landbouw, voor koeling van de stedelijke atmosfeer, etc. Zal GroenLinks, de smaakmakende fractie in Utrecht, nu eindelijk gaan inzien dat waterbekkens in de polder Rijnenburg, vlakbij de exploderende woon-agglomeratie Utrecht / Nieuwegein, onontbeerlijk zijn? En dat je ook dáármee energie kunt opwekken, net als met windmolens of zonnepanelen? En dat die waterbekkens bovendien veel minder maatschappelijke weerstand zullen opleveren dan die windmolens? En dat je met die waterbekkens óók nog eens recreatieve en sportieve doeleinden kunt verwezenlijken?

Misschien ga ik het dan toch nog meemaken, zoals eerder twee van de initiatiefnemers van de Willem-Alexander Baan: zodra de cutterzuiger zijn werk heeft gedaan, stiekem alvast een keer met je skiff naar die nét gegraven baan gaan, om daar als allereerste te kunnen roeien…
Ik hoop dat ik oud genoeg word!

OProeien toen – 4

Door Jan Op | 16 augustus 2020

Ik, Jan Op den Velde, roeide voor Laga in de periode 1950-1954. De omstandigheden uit die jaren schets ik graag. De vergelijking tussen toen en nu zal, naar ik hoop, voor hetgeen nu in de roeiwereld geboden wordt (nog meer) waardering oogsten.


De opleiding is zover gevorderd dat na het kerstreces traditiegetrouw al een Jonge Acht A kan worden geformeerd. Na thuis de oliebollen te hebben genoten, met de trein naar Delft en je tegen vijven in de raceroeierskamer melden. Een inmiddels behoorlijk uitgedund gezelschap wacht in spanning af wat hen boven het hoofd hangt.

Eerst de president met zijn visie over de huidige situatie en de hoge verwachtingen die het bestuur heeft. De eerstejaars wordt voorgehouden dat zij nu weliswaar nog steeds aanwezig zijn en in het gezelschap van de ouderejaars, maar dat er geen enkele reden is tot juichen. Als je geen 150% inspanning toont kan je eventueel alsnog volgend jaar weer aantreden.

Mijn carrière tot de kerstvakantie vertoont nogal wat mankementen. Er zijn al overnaadse en gladde lichte vieren met mannen van mijn lichting geformeerd. Rond Sinterklaas zit ik nog steeds in de smalle tub. Er gebeurt wel iets bijzonders. Ik krijg als coaches zeer ouderejaars met een succesrijk verleden.

En daar sta je dan op de dag dat het laatste oordeel zal worden geveld. Zou ik nog ergens in mee mogen varen? De hoofdcoach komt aan ’t woord. Eerst de ouderejaars met aan het hoofd de Oude Vier. Hoe bereik je deze allerhoogste eer? Ze zijn zeker in staat de hardste halen te maken.

Het is winter. In die jaren nog echt koud en overal ijs. “Bakken” kan wel want met de bakriem houd je het ijs in beweging. De nabijgelegen gasfabriek levert (afval)warm water. Klein stukje water voor de deur min of meer ijsvrij. De brede tub mag varen.

Dan de kandidaten. Twee Overnaadse Vieren. Mijn naam valt niet. Ik krimp zeker enkele centimeters. Lichte Vieren. Minder zorgelijk want mijn gewicht beperkt de toegang tot deze categorie. Jonge Vieren. Nee! Zijn ze mij vergeten? Of heb ik iets gemist toen we vorig jaar voor het laatst werden toegesproken? Dan komt de hoogste rang, de Jonge Acht A, ter sprake. De namen van de boegen zijn mij goed bekend. Wat hebben zij wel en ik niet? Dan wordt mijn naam toch nog genoemd. Ik ben bevorderd naar 6 in de Jonge Acht!! Niks Overnaadse Vier. Overgeslagen. Ik voel een soort hartritmestoornis.

Handschoenen? Trui? Lange gymbroek?  Aan watjes doen we niet. Hard worden hoort bij de opleiding. Nu niet voor te stellen!



De dagen worden korter

Door Feike Tibben | 21 augustus 2020

Wat me altijd opvalt als we zo eind augustus, begin september weer in ons normale ritme komen: het is net of iemand de voorbije weken stiekem de tijd heeft verdraaid. Voor de zomer hebben we oneindig lange zomeravonden, waar je rustig om acht uur of half negen nog even het water op kunt. Na de vakantie moet je opeens opletten om nog voor het donker terug te zijn. Een paar weken lang is het dan steeds meer proppen om nog aan het roeien toe te komen tussen werk en donker. En in deze coronatijden met vaste blokuren is het best lastig om nog gaatjes te vinden.

Steeds meer verenigingen lijken ervoor te kiezen om ook in het donker te varen.

Alfred Dijkstra van de commissie veiligheid van de KNRB heeft de aanpak van verschillende verenigingen op een rij gezet. Je ziet interessante verschillen die niet alleen te verklaren zijn uit verschillen in roeiwater. Ik laat er een paar de revue passeren

Er zijn heel leuke eisen. Zoals een vereniging die de meefietsende coach niet alleen verplicht tot het voeren van goede reguliere fietsverlichting (die het ook bij terugkomst in de loods moet doen!), maar deze ook opdraagt om een groen lampje mee te voeren. Ik vraag me af of er al een binnenvaartschipper hierdoor verward is geraakt en zijn schip de kade in heeft geboord.

De leukste? De eis dat het ‘alleen toegestaan is verlichting aan de boot te tapen met PVC (Heeres) tape’. Je gaat je toch afvragen wat de reden was van zo’n eis. Heeft iemand een keer de boel zo vastgemaakt dat de verlichting niet meer verwijderd kon worden? Is er een keer bij het lostrekken van de tape de hele huid meegetrokken? Vragen…

Wat levert zo’n vergelijking nou nog meer op? Er zijn verenigingen die eisen stellen aan roeiers. Dat mogen dan alleen scull2-roeiers, wedstrijdploegen of marathonroeiers zijn of het zijn ploegen met expliciete toestemming. Op de site is dan te lezen dat ‘Derozepekskes’, ‘Voortvarend’ en ‘Zonderdollen’ in het donker mogen varen. (Ik vermoed dat dat in Brabant zal zijn)

Andere verenigingen stellen juist eisen aan de stuur, in de vorm van een minimum-diploma

Weer andere stellen vooral eisen aan boten: alleen gestuurd, grotere nummers of alleen C-materiaal en wherry’s (dat zullen dan wel juist niet de wedstrijdploegen zijn)

Met of zonder coachboot, afhankelijk zijn van de grootte van het water en het al of niet aanwezig zijn van een fietspad

Zorgelijker is het verschil in eisen van kleding en verlichting: sommige verenigingen hebben geen kledingeisen, andere verplichten een wit of fluorescerend shirt. Op het gebied van verlichting is het echt bal. Een enkeling verwijst naar het BPR, maar veel vaker is er een eigen invulling, bijvoorbeeld: ‘rood licht op boeg, wit licht achterop’, of een simpel ‘goede verlichting is verplicht’. Huh?

Er lijkt een wereld te winnen in het donker.

Roeiverbod onder Hammersmith Bridge

Door Marieke Bal, British Rowing | 18 augustus 2020

Vakantie in Zeeland: roeien met Kees Verweel

Ditmaal wordt de column geschreven vanuit Nederland. Na twee weken vakantie ben ik vandaag weer begonnen met werken. In mijn inbox zitten veel positieve berichten die gaan over roeien in grote boten, wedstrijden en lidmaatschapscijfers die langzaam weer wat opkrabbelen. Ons voorstel voor het geleidelijk starten van lokale, regionale en dan landelijke competities ligt op dit moment bij DCMS (Department for Digital, Culture, Media & Sport) voor goedkeuring. Hopelijk kunnen we eind deze maand bekendmaken of ons voorstel goedgekeurd is. Vervolgens is het aan competities om een covid-19 veilig evenement te organiseren. Iets waar mijn team advies in zal gaan geven dus we leren met z’n allen erg veel bij over de veiligheidsmaatregelen.

De Return to Competitions geeft de roeiers ook een focus om naar een wedstrijd toe te trainen. In het najaar zijn de belangrijke nationale wedstrijden de Pairs Head, Fours Head en Scullers Head. Allemaal in London op de Thames over de ‘Championship Course’. Dat is de Boat Race afstand van 4,2 miles (6,8 km) maar bij deze wedstrijden wordt de afstand meestal andersom geroeid omdat je met de stroom mee wil racen (start in Chiswick – finish in Putney).

Het nieuws dat tijdens de vakantie binnenkwam via Whatsapp en Instagram dat Hammersmith Bridge (de mooie groene brug naast het British Rowing kantoor) op instorten staat was dan ook even schrikken. De brug is al tijden gesloten voor autos maar niet voor voetgangers en fietsers en zeker niet voor roeiers! De aanleiding tot de vele berichten was dat door de hitte de scheur in de brug nog groter is geworden, dus nu mag je er ook niet meer onderdoor roeien. Met 75 roeiverenigingen (ca. 9000 roeiers) op het drukste stuk roeiwater van het land was de reactie van iedereen te begrijpen. We hebben snel een update naar de roeiers gestuurd en mijn collega werkt nu met de council om dit op te lossen.

Een groot deel van de roeiers op de Tideway zijn scholieren en zij gaan in september eindelijk weer naar school en kunnen weer komen roeien. Helaas zal dat voor sommige betekenen dat ze enkel rondjes naar Hammersmith Bridge en terug kunnen varen van ongeveer 1,5 km (je mag alleen met specifieke toestemming voorbij Putney Bridge richting te stad roeien want daar is veel verkeer op de rivier). Al denk ik dat de meesten blij zullen zijn dat ze überhaupt weer naar school kunnen en mogen roeien!

Hammersmith Bridge | Foto Roei!

Marieke Bal is Head of Membership bij de Britse Roeibond. Ze kwam in 2005 voor het eerst in aanraking met roeien toen ze lid werd van Tilburgse Studenten Roeivereniging Vidar en is sinds 2014 in een boot te vinden op de Thames in London. Momenteel maakt ze deel uit van de damessectie bij Tideway Scullers School.
Lees alle bijdragen van Marieke Bal hier.



OProeien toen ~3

Door Jan Op | 16 augustus 2020

Ik, Jan Op den Velde, roeide voor Laga in de periode 1950-1954. De omstandigheden uit die jaren schets ik graag. De vergelijking tussen toen en nu zal, naar ik hoop, voor hetgeen nu in de roeiwereld geboden wordt (nog meer) waardering oogsten.

De laatste wedstrijden in de jaren na de oorlog zijn de nationale kampioenschappen. Aan de hand van de uitslagen wordt door de Roeibond, gesteund door een bevriende commissie, besloten of er ploegen naar de Europese kampioenschappen kunnen worden afgevaardigd. Wereldkampioenschappen roeien bestaan niet. Lange reizen + materieel vrijwel onmogelijk. De Olympische Spelen wel. Alleen voor echte amateursporten. En het woord “sponsoren” is totaal onbekend. Alle deelnemers zijn amateurs. Het Olympisch Comité betaalt alles. Uiteraard niet alleen van de bescheiden contributie van de verenigingen. Allerlei inzamelingen, zoals onder andere een speciale loterij, moeten het benodigde kapitaal bijeenbrengen. Meer daarover later.

Weer terug naar de harde leerschool om de (roei-)haal perfect te kunnen uitvoeren. Uit de “brede” tub kan je worden gepromoveerd naar de “smalle”. Dan is het al november. Er zijn al veel kandidaten die het volgend jaar opnieuw mogen proberen de felbegeerde status van “raceroeier” te veroveren. Ik bevind me nog steeds in het selecte gezelschap van blijvers maar ik raak achter in de promotie. Een aantal collega’s gaat al in een overnaadse 4 te water. Met een echte stuurpik en een coach + toeter op de fiets.

Als je een “goede” coach wil zijn maak je gebruik van de “toeter”. Met luide stem aanwijzingen geven aan de leden van de bemanning betekent dat je een “goede” coach bent. Ook al begrijp je niet precies wat je wilt bereiken. Behalve dat er ”hard” moet worden getrokken. De meeste coaches hebben die boodschap meegekregen toen zij in het schuitje zaten. Veel meer dan “harde halen maken” bevat hun kennis niet.

Sommige coaches die naar Delft zijn gekomen om te studeren voelen zich genoodzaakt ook eens te bezien of er ergens een studieboek over roeien bestaat. Dat blijkt inderdaad het geval. Een oude Australiër, Fairbairn, heeft zijn inzichten over de techniek van het roeien op papier gezet. Bij gebrek aan iets anders wordt zijn leerboek een basis om de onschuldige leerlingen de fijne kneepjes bij te brengen

Een onderdeel van de haal, de inpik, krijgt nogal wat aandacht. Fairbairn vergelijkt het inpikken met het vliegen vangen. Ook de theorie dat het blad met de draairichting van een wiel-met-spaken mee contact met water moet krijgen, vindt aanhangers. Niemand lijkt zich in die tijd, voor, maar ook na de oorlog, te realiseren dat de lengte van de haal in het water dan aanmerkelijk wordt gereduceerd.



Seizoen 2021

Door Kees Verweel | 15 augustus 2020

Donderdag 20 augustus aanstaande is de 1e ‘sloeproeiwedstrijd’ van dit jaar! De Vechtstrijd is een ludieke wedstrijd waarbij de regionale teams uit Weesp en Muiden sprinten vanaf de finish van Vechten op de Vecht naar de sluis in Muiden. Er zijn 10 sloepen die seizoen 2020 mogen aftrappen. En we hopen natuurlijk allemaal dat de resterende wedstrijden ook door zullen gaan.

Hoe dan ook, seizoen 2020 is een verloren seizoen, en ik ben ondertussen erg benieuwd welke gevolgen covid-19 heeft voor seizoen 2021. Sloeproeien en de bijbehorende wedstrijden kunnen niet zonder sponsors, en het zal ongetwijfeld een stuk lastiger worden om de benodigde financiën rond te krijgen. Ik kan me nog goed de HT 2013 herinneren, deze Koninginnerace van Harlingen naar Terschelling dreigde dat jaar niet door te gaan. De organisatie werd overvallen door wegvallende sponsors waardoor er een onoverbrugbaar gat in de begroting ontstond. Als zoiets nu zou gebeuren dan staan er in deze coronatijden niet snel nieuwe sponsors klaar om een dergelijk gat te vullen. En kan het zomaar over en uit zijn voor een organisatie.

Enkele weken geleden startte de beroemde Great River Race een crowdfunding actie om de race te redden. Als ze geen 35.000 pond ophalen is het einde oefening voor deze klassieker.

Onze economie heeft van april t/m juni een recordkrimp van 8,5% te pakken, en volgens velen is dit het begin van een lange en diepe recessie met veel faillissementen. En dan hangt ons ook nog een ‘tweede golf’ boven ons hoofd. Dit heeft absoluut gevolgen voor de honderden sloeproeiverenigingen die de laatste maanden van het jaar juist weer de sponsoring voor het volgende seizoen moeten zeker stellen. Zelfs bij een kleine sloeproeivereniging gaat het al snel over duizenden euro’s in de jaarlijkse begroting. En de wedstrijdorganisaties zullen meer dan ooit hun best moeten doen om alles financieel rond te krijgen. Het gaat snel over aanzienlijke bedragen, en bedrijven zullen minder scheutig zijn. Het kan bijna niet anders of de impact van het virus zal ook in 2021 merkbaar zijn.

Het is te hopen dat de schade voor de (sloep)roeiwereld beperkt zal blijven, we zullen nog meer moeten gaan roeien met de riemen die we hebben!


Kees Verweel (1963), actief sloeproeier sinds 1980. Woont met Silke aan de Oosterschelde in Kattendijke (Zeeland). Drie volwassen kinderen. Initiator en beheerder van www.sloeproeien.nl. Bij diverse verenigingen geroeid, eind 2019 medeoprichter van de nieuwe club Sloeproeien Zeeland waar we in de 6-riemer Seelandia roeien.
Lees alle bijdragen van Kees Verweel hier.



Vitaal verenigd

Door Feike Tibben | 14 augustus 2020

Vorige week heb ik beschreven dat we naast de klassieke sportverenigingen nieuwe vormen van sporten zien ontstaan. Wat vakantie-overpeinzingen.

Als het gaat over de toekomst van verenigingen gaat het eigenlijk over vitaliteit. Hoe vitaal kunnen verenigingen naar de toekomst toe blijven. Toen wij in 2004 van Amersfoort naar Onna verhuisden duurde het niet lang of er belde iemand aan of onze kinderen geen lid wilden worden van de voetbalvereniging FDS (fit door sport) te Havelterberg, ‘want dan kunnen we één jeugdteam overeind houden’. Eén jeugdteam verenigingsbreed. Het team zou gemengd zijn in geslacht en leeftijd, jongens en meiden van ca 6 tot 13 jaar samen… tja. Hoewel de actieve benadering te prijzen was – welke vereniging gaat nog huis aan huis leden werven – zag ik er geen brood in.

Over vitaliteit van verenigingen zijn boeken vol geschreven en onderzoeken gedaan. In die boeken worden spanningsvelden beschreven die er zouden zijn tussen vrijblijvend lidmaatschap (de sportconsument) en verplichte kaderactiviteiten, tussen formele kaders en informeel organiseren, over het laveren tussen verschillende stakeholders, want de moderne vereniging heeft niet alleen te maken met leden, maar ook steeds meer met sponsoren en overheden. Partijen die eisen stellen aan prestaties en publiciteit, die graag willen dat verenigingen meedoen met JOGG-activiteiten of programma’s bieden voor bepaalde wijken. Over de ideale omvang van verenigingen: niet te klein want dan word je kwetsbaar, maar ook niet te groot want dan is er geen commitment meer. Over spanningsvelden tussen oude culturen die gericht zijn op hiërarchie en het in stand houden van de sportfamilie en nieuwelingen die kijken naar markt, snelheid en vernieuwing. Je zou door de bomen het bos niet meer zien.

Als je al die studies naar verenigingsvitaliteit op een hoop gooit zijn er op de keper beschouwd twee aspecten maatgevend: organisatiekracht (heb je intern de boel op orde, financieel, ledenopbouw, kader, etc.) en maatschappelijke oriëntatie (zie je wat er om je heen gebeurt en kun je daarop inspelen). Beide zijn even belangrijk. Mis je één van de twee, dan mis je de boot.

In de praktijkonderzoeken die zijn gedaan naar vitaliteit van verenigingen komen deze twee aspecten terug. Het bijzondere is dat deze onderzoeken niet gedaan zijn in opdracht van sportbonden – de vereniging van de sportverenigingen -, maar door gemeenten. Alkmaar, Roermond, Utrecht, Almere, Den Haag, Enschede, Rotterdam… allemaal deden ze onderzoek naar de kwaliteit van hun sportaanbieders alsof gemeenten hier meer aan hechten dan bonden. Die onderzoeken leveren interessante inzichten, maar zijn helaas niet vertaalbaar naar onze roeiwereld.
Ik zie ondertussen mooie dingen wel voorbij komen, bijvoorbeeld bij de inzendingen van de jaarlijkse bestuursbokaal, een wedstrijd voor besturen van studentenroeiverenigingen. Ik zie verenigingen die zich richten zich op gezond eten, op het actief zijn in de buurt, of die ambassadeur zijn voor een veilig sportklimaat. Het sporten, de sport is bij deze verenigingen veel meer onderdeel van een lifestyle en de vereniging een lifestyle-community. Er is een duidelijke blik naar buiten die gestuurd wordt door een sterke organisatiekracht. Maar helaas zijn er ook andere verenigingen. Klassieke verenigingen die stiller zijn, die zich vooral op eigen leden richten en op bestendiging van routines. Hoe verhouden die twee zich? Een totaalbeeld ontbreekt. Zou dat een vitaliteitsonderzoek iets zijn waar een bond zich op zou moeten richten? Zouden verenigingen bereid zijn die informatie te delen met elkaar? Dat zou wel mooi zijn. Ik denk dat het kansen zichtbaar maakt. We zouden ons hier als roeicommunity mee kunnen onderscheiden

FDS Havelterberg bestaat overigens nog steeds. Ze vieren dit jaar hun zestigjarig bestaan. Ze hebben nog één team, één veld en spelen reserve zesde klasse zaterdag. Sommige structuren kunnen gewoon niet stuk.


Feike Tibben is bestuurslid van de Koninklijke Nederlandsche Roeibond, met als portefeuille sportontwikkeling. Zit in z’n derde sportleven, na atletiek en wielrennen. Roeide eerst bij Hemus in Amersfoort, nu bij ‘t Diep in Steenwijk. Praat meer over sport dan dat ie zelf op het water is.
Lees alle bijdragen van Feike hier.